Kerstpreek broeder Hugo 2010
Op speciaal verzoek, broeder Hugo’s kerstpreek van vorig jaar:
Een week of wat geleden las ik dat de koninklijke familie haar rommelzolder heeft opgeruimd. Wat zou er allemaal onder de pannen van Soestdijk, Ten Bosch en het Loo tevoorschijn zijn gekomen? Daar kunnen we makkelijk een eind weg over fantaseren.
Allereerst zullen daar wel kostbare zaken hebben gelegen. Meubels in de stijl van alle Lodewijken van veertien tot en met zestien. Pronkbedden met hemels vol pluimen en krullen. Ming ping en pong vazen die elk een fortuin opbrengen als de juiste idioot er maar voor op komt draven. Daarnaast zullen daar ook zaken hebben gelegen die op zichzelf geen waarde hebben, maar die de familie toch dierbaar zijn door de geschiedenis die er aan vastzit. Het wiegje van Willemien, bergschoenen van Bernhard, winteronderbroeken van Willem de eerste en van Anna Paulowna de porseleinen pispot.
Zo’n zolder is niet uniek voor de koninklijke familie. Elk huis dat al meer dan één generatie door dezelfde familie wordt bewoond heeft er zo een. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de hele mensheid zo’n zolder boven haar hoofd heeft hangen, waarop hele bergen herinneringen, goede zowel als kwade, staan weggestouwd.
Daar liggen de tachtigjarige oorlog en de gouden eeuw naast elkaar te verstoffen. Het Britse Rijk ziet er ook niet meer zo florissant uit, flets, met gouden kwasten die van koper blijken te zijn geweest, en groen zijn uitgeslagen. Sommige dingen hebben we geprobeerd te vergeten of zelfs weg te gooien. De donkere jaren van het nationaal-socialisme hebben we geprobeerd in brand te steken en met de schop uit te slaan, maar ze liggen er nog, nauwelijks minder gevaarlijk, en regelmatig branden we er nog steeds onze vingers aan. De revolutie van 1968 vinden we zo langzamerhand eigenlijk ook wel rijp voor de zolder, maar telkens als we die naar de vliering hebben gezeuld wil het luik niet meer dicht.
Andere dingen lijken juist sneller te vergaan dan de rest van de verzameling. Breekbaar ligt bijvoorbeeld de geschiedenis van onze zielen daar op zolder, het meest kwetsbare van onze bric en brac.
Hoogtheologische discussies die de hemel meenden te kunnen uitpluizen tot op de zweetsokken van God de Vader blijken, zelfs als de logica op zichzelf nog geldt, toch nogal sleets geworden. Simpelweg omdat ze antwoorden geven op vragen die niemand zich meer stelt. Ik wed dat zelfs God de Vader zelf ze zich nog maar amper voor de geest zou kunnen halen. Van ons geestelijke erfgoed zou je het volgende kunnen zeggen: hoe deftiger het was, met hoe meer poeha het ooit tentoon werd gespreid, hoe sneller het vergaat als het eenmaal op zolder ligt.
Misschien is het wel daarom dat het enige geestelijke erfgoed waarvan we in deze ongeestelijke ontgeestelijkte en ongeestige tijden nog af en toe iets merken, het meest nederige erfgoed is. Eens in het jaar stort de zolder in en krijgen we een berg ruwe planken en stro op onze hoofden, met ossen, ezels en stinkende herders, een arme man en een arme vrouw en, in een voerbak voor de beesten, hun arme Kindje dat eigenlijk nergens echt welkom was. Eigenlijk is het ook bij ons niet altijd even welkom.
Kindertjes komen op een gegeven moment op een leeftijd dat ze de tent beginnen te slopen. Ze beginnen rond te kruipen, overal chocopasta aan te smeren, hun vingertjes in het stopcontact te steken, de kat aan het tafelkleed vast te binden enzovoort. Dit Kindje in die voederbak uit die berg stro van de zolder ziet er wel bijzonder lief uit. Het geeft zelfs een beetje licht. Het lacht ook heel lief. Maar eigenlijk is het net zo’n slopertje als de rest van al dat kleine grut.
En wat gaat er dan precies kapot? Waar heeft deze Belhamel het dan in het bijzonder op voorzien? Op de schone schijn, vooral. Op het zilverpapier en de opgeverfde oude kranten waarmee wij onze lelijkheid bedekken. Als wij denken te weten wie deugt en wie niet, en zin hebben om de hele wereld eens even lekker aan onze rechtbank voorbij te laten trekken, roept dit Kind: wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. En dan komt onze eigen rottigheid ons scherp voor ogen, en is ons plezier bedorven.
Als wij denken dat wij met onze rekenkunsten, fiepen en bliepen, en radardoormeetsels het heelal hebben doorgrond, roept dat Kind: Zalig de armen van geest. En dan merken we dat we veel weten, maar dat we nog veel meer niet weten, en dat er achter elke ster een volgende ligt, en dat er werelden te winnen zijn, en dat het nooit ophoudt. En erger nog: dan blijkt dat met de groei van onze kennis ook het gevaar van ongelukken en misbruik van al die wetenschap is gegroeid, en dat ons met alles wat we snappen, evenveel weer ontsnapt.
Ik kan op deze voet nog wel even doorgaan, maar waar het om gaat, is dat dit Kind er een handje van heeft om ons, juist als wij ons de keizer voelen, de nieuwe kleren van het gat te trekken. Het kijkt door alles heen, en onder zijn blik beklijft alleen wat werkelijk waarde heeft. Verwerf je geen schatten die op zolder vergaan, roept Hij. Verwerf je schatten in de hemel. Geloof, hoop, liefde, zijn de klassieke, maar ook afgeleiden daarvan, zoals bescheidenheid, liefdevolle humor, barmhartigheid, tederheid en geduld horen bij die soort van kostbaarheden.
Met een dergelijke inboedel is het Rijk Gods misschien nog niet altijd en overal de plaats waar je woont. Maar het zal wel regelmatig in je leven de kop opsteken. Met de kleine Koning Jezus op de Troon om je bij de les te houden. En al lijken zijn streken op kattekwaad, niets geeft zoveel hoop als zijn puinhoop, die weliswaar de boel grondig op de kop lijkt te zetten, maar eindigt in een opgeruimd gemoed. Amen.
Reageren
Met * gemarkeerde velden zijn verplicht






Recente reacties