Geruis uit de Kluis

De stem van de Heer scheurt het schors van de stammen…

 

Amos 7:12-15
Efeziërs 1:3-14
Marcus 6:7-13

Ik ben afgestudeerd op mystieke theologie.

Dat betekent dat ik nogal eens wat uit te leggen heb.

Mensen denken meestal dat ik me bezighoud met Mariaverschijningen en rondvliegende nonnen. Rondvliegende nonnen zijn echter maar een miniem onderdeeltje van het vakgebied, en Mariaverschijningen eigenlijk ook. Mystieke theologie gaat over hoe God zich aan de mens openbaart door middel van de ervaring.

Een groot probleem daarbij is dat wij voor onze ervaringen met God vaak maar moeilijk woorden kunnen vinden. God is ons een maatje te groot. God is een mysterie. Daarom lijkt de Bijbel zichzelf zo vaak tegen te spreken, en daarom beginnen we zo vaak te stamelen en te stotteren als we aan een ander proberen uit te leggen wat we met God hebben beleefd. In de lezingen van vandaag komen we bij uitstek zo’n tegenstelling tegen. Vandaag is de zondag van de schreeuwerige God.

Meestal loop ik mensen de hele dag te waarschuwen dat, als we God willen verstaan, we de stilte op moeten zoeken. Over het algemeen manifesteert Hij zich namelijk heel zachtjes en bescheiden, als een ondertoon, het suizen van een zachte bries. ‘Ik ben zachtmoedig en nederig van hart,’ zegt Jezus niet voor niets. God is stil, God is consequent (op zijn manier), God brengt orde, God brengt rust. Meestal is God het tegenovergestelde van lawaai. Maar er zijn uitzonderingen. Die uitzonderingen doen zich vooral voor wanneer God nieuw leven schept, en vervolgens eist dat wij daar ook verantwoordelijkheid voor nemen. Laten we eerst eens kijken naar de meest standaard manier waarop Hij dat doet:

Jonge mensen hebben zo hun manieren van doen. Eerst puberen ze, krijgen zo hun eerste liefdes, en uiteindelijk settelen ze zich en worden de helft van een stelletje. Laten we als voorbeeld ons stelletje …eeh… Hans en Grietje noemen (deze keer geen broer en zus, anders wordt het een slordig verhaal.) Hans en Grietje werken aan hun carrière, gaan uit, reizen, misschien trouwen ze ook nog (vooruit: ze zijn katholiek, dus ze trouwen.) Dit alles lukt ze allemaal tegelijk, terwijl ze ondertussen ook nog voortdurend op hun smartphone kijken. Het is een mirakel.

En dan komt het échte mirakel. Grietje voelt zich de laatste tijd ’s morgens een beetje misselijk, een beetje emotioneel ook, en het lijnen gaat ineens niet zo voorspoedig meer (niet in de laatste plaats omdat ze de hele dag zin heeft in chocoladeslagroombollen met ansjovis en loempiasaus). Negen maanden later ligt er een klein mensje in de wieg. Laten we het kleine mensje Truusje noemen. Truusje heeft kleine handjes, kleine beentjes, kleine oortjes, een klein neusje, kleine oogjes en…

…een enorme stem, een stem waar de bazuinen van het laatste oordeel nog iets van kunnen leren. Een gastoeter op speed waar de ramen van scheuren.

Stel je voor dat een apparaat plotseling zo’n lawaai zou maken: dan zouden we het het raam uitgooien. Gelukkig gooien Hans en Grietje Truusje niet het raam uit. Voor hen is Truusjes keiharde stem, die een mens door merg en been snijdt, de mooiste muziek ter wereld. Hun hele leven staat op zijn kop. Gisteren hadden ze het nog haast te druk om adem te halen met duizend en één belangrijke dingen. Ineens doen al die zogenaamd belangrijke dingen er niet meer toe en telt nog maar één ding. Hans en Grietje zijn namelijk geroepen. Ze zijn geroepen de vader en moeder van Truusje te zijn. Ze zijn geroepen de behoeders van nieuw leven te zijn. God heeft leven geschonken, en Hij doet het niet met stille trom.

Met nog meer geweld gaat Hij te werk wanneer Hij nieuw leven wil geven waar de dood is gaan heersen, waar geen vernieuwing en beweging meer is, omdat de mensen misbruik maken van het leven en dat wel best vinden zo.

Het verhaal van Amos uit de eerste lezing lijkt op dat van Hans en Grietje. Hij was rustig met zijn vijgen en zijn ossen bezig toen hij een stem hoorde waaraan hij niet kon weerstaan. Die stem was het leven zelf, en hij moest die stem doorgeven, die stem zijn eigen stem lenen. En dat was helemaal niet comfortabel. Die stem was namelijk helemaal geen lieflijke stem in de stilte, maar een rauwe aanklacht tegen alles wat de mensen belangrijk vonden. God was voor Amos als een baby die zijn sirene openzet: onmogelijk te negeren. Amos sprak: ‘De heer buldert vanuit Sion, vanuit Jeruzalem laat Hij zijn stem weerklinken. De weiden van de herders treuren, en de top van de Karmel verdort.’

Amos was geroepen om de verontwaardiging van God stem te geven, verontwaardiging over het egoïsme van het volk. De Israëlieten dachten dat ze het goed voor elkaar hadden. Ze boerden goed, ze aten en dronken goed, ze werden vet van het goede van het leven, voor hun gevoel was het zomer. Maar God wrijft ze onder de neus dat het een levenloze zomer is die ze genieten, een zomer van dorheid en dood, omdat ze de armen verdrukken, God vergeten en alleen met zichzelf bezig zijn. De Israëlieten leefden in een zomer die in werkelijkheid een bevroren vlakte was, smachtend naar nieuw leven, eerlijkheid, liefde. Amos was geroepen die valse zomer te ontmaskeren om een echte mogelijk te maken. Hij moest de mensen hun comfortabele illusie ontnemen. Niet om ze te kwellen, maar om een nieuw begin mogelijk te maken. En dat gaat met geweld gepaard. Psalm 29 zegt:

De stem van de HEER verbrijzelt de ceders,
de HEER verbrijzelt de ceders van de Libanon.
De stem van de HEER slaat in,
slaat in met vlammende schichten.
De stem van de HEER schudt de bomen,
scheurt de schors los van de stam.

De stem van de Heer schudt de keizer zijn nieuwe kleren van het lijf en toont hem dat hij in zijn blootje staat is, zou je kunnen zeggen.

Dat Amos deze boodschap brengt, wordt hem niet in dank afgenomen. Nota bene een priester zegt hem op te hoepelen met zijn lawaaierige boodschap. Maar Amos zegt dat hij simpelweg niet anders kan: hij is weggerukt van achter zijn ossen en vijgen door een kracht groter dan de zijne.

Welnu, wij christenen lijken bij uitstek op Amos. Ook wij hebben geen zin onze pleziertjes en onze agenda’s – met lucht overladen – achter ons te laten en ons bij een ander misschien onmogelijk of belachelijk te maken met een boodschap waar die ander misschien helemaal niet op zit te wachten.

Toch is dat wel wat Jezus van ons vraagt. Hij zegt:

Ik heb mijn majesteit achter mij gelaten, voor jou.
Ik ben in een ranzige stal geboren. Voor jou.
Ik heb mij aan het kruis laten spijkeren voor jou. Om jou uit de hopeloosheid te trekken waar jij jezelf en anderen elke dag weer in helpt. En nu vraag Ik van jou dat jij je dubbele hemd en je reiszak, je duizend belangrijke pleziertjes af en toe eens even laat voor wat ze zijn. Eerst om naar mij te luisteren. Daarna om mij te verkondigen.

Ook in een wereld die op mij niet zit te wachten. Amen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Fields marked with * are required