Geruis uit de Kluis

Boetepreek

Pater Hugo verzorgde dit jaar de boetpredicatie in de kathedraal. Hij baseerde die op het Evangelie van de verloren zoon.

Toen ik deze preek de vorige keer hield, liepen er vijf mensen huilend de kerk uit. Ik hoop dat dat deze keer niet nodig is: soms moeten dingen gezegd worden, ook al is het even slikken.

Die arme vader uit de parabel van Jezus… Van hem wordt een bijna hopeloze hoop vergeving gevraagd. Zijn jonste zoon geeft hem bijna letterlijk een rotschop in zijn eerbiedwaardige delen. Ten eerste smeert hij hem naar een ver land, en zegt dus eigenlijk: bij jou is het leven niet fijn. Ten tweede eist hij zijn erfdeel op, en zegt dus eigenlijk: wat jij me hebt gegeven was niet genoeg. Ten derde zet hij het in den vreemde op een hoereren, waarmee hij zegt: wat jij me hebt geleerd: ik spuug erop.

Wat deze vader moet vergeven is niet het verlies van de helft van zijn vermogen of het feit dat zijn zoon even zijn wilde haren kwijt moest. Hij moet moord vergeven. Moord op zijn eigen karakter. Niet spullen of principes worden in zijn gezicht teruggesmeten. Hijzelf wordt in zijn gezicht teruggesmeten. De relatie tussen vader en zoon is niet verstoord, maar door de zoon koud en liefdeloos doorgesneden. Met een kettingzaag. Vader en zoon kijken naar elkaar in een nieuw licht. Een licht dat duisternis is. Een duisternis die in dit geval door de zoon wordt opgetrokken om daarachter te kunnen doen waartoe zijn onderbuik hem drijft. Vreten. Zuipen. Hoereren.

Iedereen die wel eens langere tijd achter elkaar heeft gevreten, gezopen en gehoereerd, weet dat je daar niet gelukkig van wordt. Ten eerste gaan die dingen snel vervelen, en daarna stierlijk vervelen. Ze moeten dan in steeds extremere vormen worden genoten om nog interessant te blijven, en het resultaat is dat de mens verandert in een karikatuur, een schim van zichzelf. Men wordt een beklagenswaardig schepsel. En dat is dan alleen nog maar de buitenkant. Van binnen ontstaat er een leegte die geen stilte is, maar eerder een soort hongerig, zuigend vacuum. Het kwaad zuigt alle persoonlijkheid uit de ziel, ongeveer zoals een aborteur een kindje uit de baarmoeder zuigt. Het wordt eerst tot pulp vermaald, en daarna weggezogen. Zo gaat het ook met de ziel die zich voorover in de zonde stort. Een hongerig vacuum maalt alles wat het leven de moeite waard maakt eerst tot pulp, en laat het daarna in een gapend gat verdwijnen.

En dan kom je erachter dat je minder bent dan de varkens. Want dat is wat Jezus wil zeggen. Je zou deel willen hebben aan het deel van de varkens, want die hebben meer leven en liefde in zich dan jij. Je zou samen met hen je kop in de trog willen steken om schillen te eten. Maar niemand geeft ze je. De varkens zijn meer mens dan jij.

Wat heeft dit alles te maken met ons, zoals wij hier bij elkaar zijn? Ik denk niet dat er hier veel zitten die het in zich hebben om hun dierbaren te bestelen en van de opbrengsten in een ver land een slempend leven te gaan leiden. Toch is Jezus’ parabel op elk van ons in al onze schoonheid en gruwelijkheid volledig van toepassing.

Jezus’ parabel gaat over wat er gebeurt met de ziel die zondigt. En dan hebben we het niet alleen over moord, doodslag en de meer exotische varianten van seksuele ontucht, maar ook over dingen die ons allemaal dagelijks bedreigen.

Wat priesters tegenwoordig nogal eens horen, is ongeveer het volgende: ‘Ik hoef toch niet te biechten? Ik doe toch niks verkeerd? Ik ben toch een goed mens? Ik vermoord en mishandel geen mensen, ik steel niet en ik stort braaf op de giro als er een tsunami of een aardbeving is.’ Ondertussen gaan we ons te buiten aan dingen die op het eerste gezicht niet zo erg lijken, maar die onze ziel vernielen. We roddelen over mensen, in plaats van te spreken met mensen, en plegen zo moord op iemands karakter. We zijn voortdurend ontevreden, en uiten dat met scherpe tong, en maken het leven dat God geeft zo voor onszelf en anderen zuur. We verlangen steeds naar wat er niet is, en zijn niet dankbaar voor wat we wel hebben. We storten zeeën van kritiek over de wereld uit, maar als iemand iets op ons aan te merken heeft zijn we diep verontwaardigd. Daarbij begaan we de zonde van de hoogmoed omdat we het onze strot uit durven te persen dat we zulke goede mensen zijn.

De meesten van ons zijn geen goede mensen. De meesten van ons zijn kleine, bange, bekrompen, beperkte en tegenwoordig ook verwende mensen. We proberen wel ons best te doen, en dat lukt ook wel eens, maar topprestaties worden door de meesten van ons niet geleverd. We zijn vooral goed in het produceren van mislukte goede voornemens.

Doordat er niet meer gebiecht wordt, lopen de meesten van ons met een zondenlast van jaren rond te sjouwen, wat het alleen maar nog moeilijker maakt om het goede te doen, om de zurigheid en het donker van je af te werpen. Alsof je een hindernisbaan moet lopen met een zak met honderd kilo bakstenen op je rug. Omdat wij door ons kwaad verblind worden zitten zien we alles door een loodgrijze, cynische bril, en zitten we zelfs in de kerk nog op elkaar te letten, over elkaar te oordelen en aan dingen te denken die ons niet aangaan. We gaan afgeleid en slordig aan de Communie en voegen zo nog eens heiligschennis toe aan onze schuld.

En dat is dus niet nodig. De dingen die wij willens en wetens slecht doen snijden onze band met de vader door. Met een kettingzaag. Ze maken ons leeg en dood van binnen, en de wereld om ons heen lelijk, voor onszelf en anderen. Maar dat hoeft niet het einde van het verhaal te zijn. Laten we de verloren zoon navolgen in wat die wél goed deed:

Hij beseft dat hij verkeerd heeft gedaan, en durft dat hardop te zeggen, dat is één.

Hij keert terug uit het verre land. Hij maakt zich weer bereikbaar voor de vader, dat is twee.

Hij spreekt hardop uit dat zijn zonden van hem een ander mens hebben gemaakt – een mens die hij niet wil zijn: ‘vader, ik ben het niet meer waard uw zoon te heten.’ Dat is drie.

De vader ontkent al deze dingen niet. Hij zegt niet: ‘nou, jongen, het viel allemaal wel mee.’ In plaats daarvan zegt hij: mijn zoon, die dood was, leeft weer.’ En dan is er een gemest kalf, en feest, en opluchting.

Vertaald naar gewone nuchtere katholiekentaal moet de conclusie zijn: wees geen smiecht, ga te biecht.

Om het goede voorbeeld te geven zal ik dan zelf maar even beginnen.

De eerste zin van deze preek was…gelogen.

Amen.

1 Comment on Boetepreek

  • Jan-Willem Smit says:
    29 maart 2016 at 20:47

    Een schitterde boetepreek, pater Hugo.
    Stof tot nadenken.

    Beantwoorden

Leave a Reply

Your email address will not be published. Fields marked with * are required