Geruis uit de Kluis

Tridentijns tegen wil en dank 1


Er wordt veel gevraagd naar mijn voordracht voor de Vereniging voor Latijnse Liturgie van afgelopen voorjaar. Daarom leek het mij opportuun om de tekst daarvan via mijn weblog door te geven. Dat zal in afleveringen gebeuren, omdat het anders teveel in één keer is. Vandaag het eerste deel.

Tridentijns tegen wil en dank: de liturgische verwarring van een kluizenaar

1. Inleiding

De titel van deze voordracht is natuurlijk gekozen als een grapje, maar er gaat wel degelijk een doordringende ervaring achter schuil, die ik vandaag met u wil delen. Wat mij is overkomen heeft te maken met het hart van de spiritualiteit als kluizenaar, met het hart van de spiritualiteit van de Kerk, en ook met iets van de geschiedenis van de Nederlandse katholieken in de afgelopen vijftig jaar. Daarom denk ik dat – hoe persoonlijk en uitzonderlijk dit verhaal ook moge zijn – het toch de moeite loont om het te vertellen.

Roeping

Ik ben in 1976 geboren in een Nederlands Hervormd gezin. Van kindsbeen af was ik erg gevoelig voor het Absolute, en daardoor bijzonder geïnteresseerd in levensbeschouwing en religie. Dat wil overigens niet zeggen dat ik ook erg vroom was, en zeker niet dat ik erg braaf was. De beste omschrijving is misschien wel een hyperactief betwetertje (inclusief brilletje met ronde glaasjes) met een obsessie voor de grote vragen van het leven. Sommigen wijten dit aan het feit dat wij thuis een doodgraverij hadden, maar dat vind ik zelf onzin. Ik denk eerder aan een aangeboren fascinatie voor metafysica, al kende ik toen natuurlijk dat woord niet, en worstelde ik ook later met de filosofische taal ervan. Voor protestantisme heb ik nooit enig talent gehad, en een religieuze ervaring in de kapel van de Sterre der Zee in Maastricht zette mij op de weg naar het katholicisme. Na een periode van veel lezen en bidden (en puberaal gedweep) werd ik officieel katholiek toen ik veertien was. Ik zie nog het verbijsterde gezicht van mijn wiskundeleraar toen hij eens een boekje in beslag nam dat ik stiekem onder de les aan het lezen was. Het was een beduimeld exemplaar van ‘Lumen Gentium’ (de constitutie van het Tweede Vaticaanse Concilie over de Kerk) dat ik in de Haarlemse kathedraal uit een bak met weggevertjes had gevist. Terugkijkend weet ik nu dat er toen al een vaag beeld in mijn hoofd zat van het leven dat ik nu leid, maar ik was natuurlijk nog veel te jong, en ook te Drents, om zoiets in de praktijk na te streven. Ik besloot in plaats daarvan om naar het seminarie te gaan. Natuurlijk is parochiepriester een totaal andere roeping dan kluizenaar, en dat liep dan ook niet goed af. Toch ben ik het Bossche seminarie nog steeds dankbaar voor de vorming die ik daar gekregen heb. Ik werd er weliswaar geen priester, maar wel een volwaardige en goed toegeruste katholiek.

Kanttekening

Ik moet daar één kanttekening bij maken. Toen ik op het seminarie zat (we schrijven 1994) was de polarisatie in de Nederlandse Kerk nog niet voorbij. Je zou kunnen zeggen dat eigenlijk zelfs het dieptepunt daarvan nog niet voorbij was. Dat maakte ons, zowel studenten als docenten, tot op zekere hoogte onvrij. Het seminarie stond, net als het bisdom, bekend als ‘ultraconservatief.’ Dat moet met een korreltje zout worden genomen: je was in die tijd als geestelijke al ultraconservatief als je niet in een spijkerbroek onder het slaken van oerkreten puddingbroodjes consacreerde (die je na de ‘happening’ demonstratief aan de geiten voerde). Toch veroorzaakte dit label een zekere kramp bij de seminarieleiding, die er alles aan deed om te demonstreren dat wij ‘midden in de Kerk’ stonden. Zodoende heette het seminarie ‘Sint-Janscentrum’ in plaats van gewoon ‘seminarie,’ en lag er een soort groen biljartlaken in de kapel, die verder uitgerust was met een zo zakelijk mogelijke inrichting. Het toverwoord was ‘Vaticanum II.’ Alles moest ‘Vaticanum II.’ Nu vind ook ik veel verworvenheden van het concilie groots, en iets om dankbaar voor te zijn, maar je kunt ook overdrijven. Je overdrijft vooral als je het concilie gaat uitspelen tegen alles wat daarvóór kerkelijke cultuur was. Tegenwoordig noemen we een dergelijke concilie-interpretatie de ‘hermeneutiek van de breuk,’ in tegenstelling tot de ‘hermeneutiek van de continuïteit.’

Vooral bij de jongste seminaristen, waar ik ook bijhoorde, gaf dit een zekere reactie. De hele polarisatie was immers eigenlijk het probleem van de generatie vóór ons. Wij hadden de preconciliaire Kerk niet meegemaakt en er dus ook niet geleden aan de mythische martelingen die daar naar verluidt mee gepaard waren gegaan. Waar wij wel aan hadden geleden was de sfeer van grenzeloze lelijkheid, banaliteit, nietszeggendheid en linksig politieke agressie die in onze eigen tijd de parochies domineerde. Wij hadden – met andere woorden – geleden onder de ontheiliging van de Kerk. Dat klinkt zwaar, maar dat was het ook. Als je als bruisend jong mens gefascineerd bent door het heilige, en je wilt heel je leven daarin investeren, is een dergelijk klimaat het meest dodelijke dat je kunt treffen. Dus verloren wij ons wel eens in fantasieën over het rijke roomsche leven. Een gedeelte van de seminarieleiding ging daar begripvol en met een zekere humor mee om. Een gedeelte ook niet. Zodoende waren een aantal zaken taboe, waarvan de Tridentijnse liturgie wel de voornaamste was.

Onbedoeld was er een ideologie ontstaan, en die deed wat ideologieën nu eenmaal doen: het onmogelijk maken om in alle vrijheid de geesten te onderscheiden. Deze ideologie strekte zich uit over méér dan alleen liturgie, maar omdat dat het onderwerp van vandaag is beperk ik me daar nu toe. Wij werden opgevoed met ongeveer de volgende liturgische doctrine: het oude missaal…

  • … zit vol ‘Aanslibsels, herhalingen en ongezonde middeleeuwse devoties’ (en: alles wat middeleeuws is, is ongezond).
    • Klopt niet. Herhalingen zijn er nauwelijks en veel vondsten uit de middeleeuwen blijken wel degelijk een functie te hebben.
  • … is een ‘onoverzichtelijke chaos.’
    • Klopt niet. Inderdaad zitten er rudimenten in de structuur. Maar die zitten ook in de mens. Die rudimenten verbinden met het verleden en de toekomst.
  • … is ‘te weinig bijbels.’
    • Klopt niet. Weliswaar is de hoeveelheid teksten veel kleiner, maar die selectie draagt de christelijke boodschap veel helderder uit dan de zee van ontoegankelijke oude woorden in de nieuwe liturgie. Die vergt een studie exegese om er chocola van te kunnen maken.
  • … ‘bestaat uit barokliturgie’ (en: alles wat barok is is onecht).
    • Klopt niet. De tekst was min of meer klaar in het jaar 604. Wat er wel barok aan is (ongeveer één procent) hoort bij onze geschiedenis en is bovendien feestelijk en christelijk.
  • … is ‘klerikaal.’
    • Het ligt eraan hoe er gevierd wordt. Het blijkt in de huidige praktijk moeilijker voor de priester om ‘achter Christus te verdwijnen’ dan met een altaar op het oosten. In het oude missaal is er bovendien minder nood aan hoogstpersoonlijke inbreng.
  • … laat geen ‘participatio actuosa,’ werkelijke deelname aan de liturgie van de lekengelovigen toe.
    • Klopt niet. Doordat er geen stilte is en de (vertaalde) theologische begrippen de gewone gelovige boven de pet gaan is de situatie eerder verslechterd. Vroeger kon iedereen op zijn eigen niveau deelnemen. Nu is het voor velen te moeilijk, en die zitten te slapen. Dit brengt de priester in de verleiding Jip-en-Janneke-elementen in te brengen en andere zaken (Paulusbrieven!) weg te laten. Die manier van doen verstoort de sacraliteit, stoot de meer intelligente gelovigen af en bezorgt ze zelfs niet zelden geloofstwijfels.
  • Het missaal van 1969 zou daarentegen een herstel van de oude zuivere liturgie van de kerkvaders zijn, een terugkeer naar onschuldiger tijden.
    • Klopt niet: Het Missaal van 1969 geeft een beeld van hoe men in de zestiger jaren aankeek tegen de oude Kerk. Dit beeld is allang weer achterhaald. Het is oranje met bruine tegeltjes en paarse vloerbedekking.

Deel 2: Hier

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

5 Comments on Tridentijns tegen wil en dank 1

  • Els says:
    13 oktober 2016 at 20:22

    Dank voor dit klip-en-klare (leerzame) weblog deel I!
    Het maakt nieuwsgierig naar II en III,
    Groet!

    Beantwoorden

  • Dieneke van Eckeveld says:
    14 oktober 2016 at 12:29

    Helder! Maar je zegt; “voor het protestantisme heb ik nooit enig talent gehad” Maar de gave van de Heiligen Geest krijg je toch met de wedergeboorte? Die heb je toch zelf niet? Een hartelijke groet.

    Beantwoorden

    • broederhugo@beslotentuin.nl says:
      14 oktober 2016 at 15:04

      Beste Dieneke, de genade van het doopsel is voor iedereen gelijk, dus dat bedoelde ik daar ook niet mee. Mij ging het om de manier waarop je daar vervolgens vorm aan geeft, en in dat opzicht heb ik inderdaad geen enkel talent voor protestantisme. Ik ben overigens zo vrij te geloven dat de Heilige Geest zelf ook geen talent voor protestantisme heeft, ook al heeft Hij de afgelopen vijfhonderd jaar bewezen dat Hij elke dag zijn uiterste best doet om zich verstaanbaar te maken voor hen die dat wel hebben.

  • Maryanne Bosch says:
    12 november 2016 at 17:15

    Subliem! Uw talent om de leer van de Kerk in alledaagse taal samen te vatten is compact, vol wijsheid en prettig om te lezen. Ga alstublieft zo door, met God’s zegen. In Gods genade kunnen wij alles. Neem me aub mee in uw gebed deze Zondag..tussen 3 en 4’s morgens was mijn liefste tijd…om Christus te bezoeken in het tabernakel in de Sint Jozefkerk. maar er gaat van alles mis…zodat ik vaak niet eens buiten kom tot laat op de dag…God bless +

    Beantwoorden

  • Kees T. says:
    16 december 2016 at 23:05

    Wat prachtig en scherp beschreven, Hugo.

    Beantwoorden

Leave a Reply

Your email address will not be published. Fields marked with * are required