Geruis uit de Kluis

Tridentijns tegen wil en dank 2

 

Deel 1: Hier

De liturgie van vader Gabriël

Na de periode in het seminarie begon ik veel te lezen over het kluizenaarschap. Dat betrof vooral boeken over de Byzantijnse traditie, maar ook verdiepte ik mij grondig in de traditie van de westerse kluizenaars, in het bijzonder die van de Nederlandse en Vlaamse. Die traditie was trouwens uitgesproken barok. Ik was opgevoed om daar een afschuw van te hebben, dus was ik er helemaal vóór.

Uiteindelijk kon ik mij in 2001 als kluizenaar vestigen in de verlaten kerk van het dorpje Warfhuizen, op het Groninger Hogeland. Ik was vijfentwintig, eigenlijk nog steeds veel te jong, al was ik mij daar toen niet van bewust.

Dat dit avontuur desondanks (tot nu toe) toch goed is afgelopen is zeker niet aan mijn allereigenste vernuft en verstandigheid te danken. Wel aan Gods genade en de hulp en wijsheid van mensen om mij heen. Zo was het Mgr. Eijk die mij toestond om mij als kluizenaar in het bisdom Groningen-Leeuwarden te vestigen, in het begin natuurlijk nog officieus en voorlopig. Dat weerhield hem er niet van om mij te helpen een goede leermeester te vinden in de Zwitserse heremiet vader Gabriël Bunge. Die zou ik zelf nooit hebben durven te benaderen, want de man was niet alleen (in spirituele kringen) wereldberoemd, maar had ook nog de reputatie streng te zijn. Bovendien had hij te kennen gegeven geen leerlingen meer te nemen. Mgr. Eijk was zo goed om ergens in de buurt van Lugano een berg op te klimmen om daar, in een kluis in een dicht kastanjebos, de vermaarde grijsaard over te halen hem te helpen zijn jonge kluizenaar op het rechte pad te houden.

Vader Gabriël en ik werden goede vrienden, en negentig procent van wat ik weet over de meer technische aspecten van contemplatief leven heb ik van hem geleerd, of in ieder geval naar aanleiding van dingen die hij aandroeg. Zijn beruchte gestrengheid bleek met humor doorspekt te zijn, zijn rechtlijnigheid met mededogen en zijn numineuze profetendom met eenvoudige menselijkheid.

Vader Gabriël fundeerde zijn manier van omgaan met de geestelijke werkelijkheid van de mens stevig op de woestijnvaders. “Wat de woestijnvaders niet hebben gezegd is de moeite niet waard om te zeggen”, was een spreuk die regelmatig terugkwam. Dat zei hij weliswaar met pretlichtjes in zijn oude ogen, maar evengoed zei hij het ook niet voor niets.

Woonachtig in een gebied dat ooit bij het bisdom Milaan hoorde, vierde de kluizenaar een zeer serene vorm van de Ambrosiaanse ritus, die geheel werd gezongen op een tere fluistertoon in een flonkerend kapelletje boven de keuken van de kluizenarij. In het begin kreeg ik de indruk dat het gebied rond Milaan wel een soort heilige enclave van liturgisch geluk moest zijn. Sprekend met het vadertje kwam ik er echter achter dat de vorm die ik bij hem had leren kennen niet algemeen was, maar uit een voortdurende worsteling was geboren. Uit loyaliteit aan het kerkelijke gezag – er was nog geen ‘Summorum Pontificum!’ (1) –gebruikte hij de boeken van na het Tweede Vaticaanse Concilie. Hij liep echter voortdurend aan tegen het feit dat hij, wanneer hij zich onverkort aan het missaal hield, steeds weer aan een soort liturgische bloedarmoede begon te lijden. Langzamerhand ontsnapte hij er niet aan oudere gebruiken weer terug te halen. Wat ik bij vader Gabriël beleefde was met andere woorden een liturgie die wij tegenwoordig reform of the reform zouden noemen: een gematigde vorm van een veel te rabiaat gesnoeide en veranderde liturgie. Ik herinner mij onder andere de nodige litanieën met voorbeden, waaronder eentje voor galeislaven. Toen ik het vadertje vroeg of die voorbede misschien toch niet een tikkeltje gadateerd was merkte hij op dat zich op dit moment meer mensen doodroeien dan ooit. Dat de galeien tegenwoordig figuurlijke galeien zijn maakt ze niet minder gevaarlijk.

Misschien verbazen jullie je erover dat het vadertje überhaupt zijn liturgie zong. Veel mensen verwachten dat kluizenaars een liturgie vieren die bij uitstek privé is, en associëren dat dan met de Missen die priestermonniken vroeger (en in traditionele abdijen nog steeds) in stilte aan zijaltaren opdroegen. We moeten echter niet vergeten dat die daarna nog deelnamen aan de plechtige Conventsmis. Het is juist met die Conventsmis, het plechtige, feestelijke en gezongen hoogtepunt van de dag, dat de kluizenaarsmis vergeleken moet worden. Net zo zullen kluizenaars die daartoe in staat zijn hun Mis en getijdengebed het liefste zingen. Logisch eigenlijk: zingen maakt de kluizenaar twee keer zo efficiënt. Zijn core-business is immers bidden, en zingen is dubbel bidden, zoals de oude wijsheid leert.

Ook op andere vlakken was de liturgie bij vader Gabriël nooit armoedig. Wel zo aagepast dat hij door één persoon kon worden gevierd, maar op geen enkele manier karig. Liturgie is feest, liturgie is koninklijk, liturgie is op haar best wanneer zij de wezenloosheid van de alledaagse tijd breekt en er ruimte schept voor het heilige hier en nu. Vaak gebeurt dat door dingen tot hun essentie terug te brengen, en het lawaai van de wereld te laten verstommen tot een zalig zwijgen. Toch zal de stilte die dat oplevert altijd een zingende stilte zijn, nooit een droge afwezigheid van geluid. Evenzo zal liturgische leegte altijd luisterrijke leegte zijn, altijd ruimte en nooit een soort vretend vacuüm. Soms kan dat sober zijn, maar nooit saai, bewoonbaar, maar nooit onherbergzaam, misschien koel, maar nooit kil, en mocht de leegte branden dan verzengt zij niet.

Ook belangrijk om te beseffen is dat wij altijd en overal op de schouders van onze voorgangers staan. Die voorgangers steunen en omringen ons ook hier en nu voortdurend met hun gebed. Dat dit besef bij vader Gabriël een voorname plaats innam bleek niet alleen uit zijn woestijnvadersdoctrine. Het kapelletje boven de keuken was niet kaal, maar hing vol ikonen van baardige kluizenaars die een oogje in het zeil hielden. Liturgie wordt door God gegeven, maar bereikt ons door de handen van degenen die ons voorgingen. Juist omdat hij ogenschijnlijk alleen is, is de kluizenaar zich als geen ander bewust van de koesterende aanwezigheid van de Kerk. Hij bidt voor de strijdende Kerk: de ploeterende stuntelaars hier op aarde, de mensen zoals hijzelf. Hij bidt voor de lijdende Kerk: zij die gestorven zijn, maar nog branden van verlangen naar de zalige Aanschouwing. Zelf wordt hij gedragen door de triomferende Kerk: de heiligen in de hemel.

Dit besef is zo fundamenteel dat ik het reddend zou willen noemen. Als ik ’s morgens om vijf uur de metten ga bidden puilt de kapel uit van de engelen en heiligen. Ik mag blij zijn als ik niet op een vleugel ga staan (‘Hé, grapjas, kijk uit waar je loopt!’) of iemand zijn aureool van het hoofd stoot. Een gelovig mens is nooit alleen. Nooit verlaten of verloren of vergeten. Wie denkt dat die heiligen afleiden van God, vergist zich deerlijk. Zij zijn heilig omdat zij God aanschouwen. Hun leven op aarde was heilig omdat zij God elk moment van hun leven handen en voeten gaven, en Hem zo in de tijd brachten. Eigenlijk verlengden zij Jezus’ eigen leven op aarde. Zij ontvingen Hem van de Heilige Geest, baarden Hem in hun bidden, doen en laten, en maakten zijn belofte waar: Weet wel, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.’ (Mt. 28,20) Wie goed liturgie viert, viert hier en nu bruiloft met de heiligen in het hemelse Jeruzalem, en de Bruidegom is het Lam.

Kluizenaarschap

Vader Gabriël kan beweren dat alles wat de moeite waard is te zeggen al door de woestijnvaders is gezegd, maar laten we hem wat dat betreft toch maar even niet al te letterlijk nemen. Er was leven na de woestijnvaders, en wat voor een leven! Heel het kloosterleven is uit hen ontstaan. Het stak de Middellandse Zee over naar Marseille waar de heilige Johannes Cassianus op basis van de Egyptische spiritualiteit de abdij van Sint Victor stichtte. Van daaruit ging het verder in een bont kleurenpalet van smaken en orden. Maar dat is een ander verhaal dat een andere keer maar eens moet worden verteld. Naast de kloosters bleven er ook altijd kluizenaars bestaan. Sommigen leefden zeer afgezonderd, anderen bemoeiden zich meer met de wereld. Tijdens de contrareformatie ontstond de vorm die wij hier tot 1930 in Limburg hebben gekend, en waarop ook ik mij weer uitdrukkelijk baseer. Kluizenaars vestigden zich vanaf de zestiende eeuw meer en meer bij afgelegen bedevaartkapellen, zodat het fenomeen ‘bedevaartkluis’ ontstond. Dergelijke kapellen moesten, ook buiten het bedevaartseizoen, bewaakt, verzorgd en bezield worden, en een kluizenaar kon al die taken vervullen en tegelijk in zijn levensonderhoud voorzien. Zo werden kluizenaars als het waren meubelstukken of onderdelen van de heiligdommetjes waar zij de bewaarders van waren. Zo’n kapel had banken, kandelaars, een altaar, een klokje, bloemenvazen en een kluizenaar om te dweilen, kaarsvet van de vloer te krabben en het officie te bidden (of, als hij ongeletterd was, de rozenkrans). De kluizenaars werden veredelde kosters. Ze waren nogal eens lid van de derde orde van de franciscanen of de karmelieten, en werden in de achttiende eeuw samengebracht in zogenaamde ‘heremietenverbroederingen,’ waarvan die van het bisdom Regensburg de grootste en bekendste was. Het is in deze vorm dat het kluizenaarswezen in west Europa de stormen van reformatie, revolutie en secularisatie tot nu toe heeft overleefd. Dat wil zeggen: in Zuid Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Italië en Spanje. In Nederland verliet de laatste in 1930 de kluis op de Schaelsberg bij Valkenburg aan de Geul, en stierf waarschijnlijk kort daarna.

Van de oude heremietenverbanden is dat van het bisdom Regensburg in Beieren het enige dat de stormen van de geschiedenis heeft doorstaan, zij het ook ternauwernood. Het telt nu ongeveer tien kluizenaars, waaronder tegenwoordig ook zusters. Deze gemengde vorm is mogelijk omdat kluizenaars sowieso niet onder één dak wonen. Ook de kluis van Warfhuizen, waar ondergetekende woont, hoort tegenwoordig bij dit verband (dat zich, ten overvloede, dus niet meer aan de bisdomgrenzen van Regensburg houdt). Het moederhuis is de kluis van Frauenbründl in Bad Abbach bij Kehlheim. Daar woont de oudvader, op dit moment is dat vader Johannes Schuster.

Waar gaat het kluizenaarschap nu eigenlijk om? Kluizenaars verschillen onderling soms extreem van elkaar. Toch is er wel iets algemeens over te zeggen. In de praktijk komt het ongeveer neer op het volgende: Je laten voeden door de Eucharistie. Leven op het ritme van de getijden, het gebed van de Kerk. Niet wegvluchten van het hier en nu. Je eigen naaktheid uithouden onder Gods ogen. Een steeds reëler besef krijgen van je eigen wezenloosheid, en die laten opvullen door Gods grenzeloze Wezenlijkheid. Vallen en opnieuw beginnen. Dit alles niet met naar boven wegdraaiende oogballen terwijl je in een fladderende witte jurk op wierookwolken rondzweeft, maar gewoon tijdens het stofzuigen, kaarsvet van de vloer krabben en klimhortensia’s uit de dakgoot trekken.

Zou de kluizenaar een auto hebben, en zou daar een sticker achterop zitten, dan zou daarop geschreven staan: ‘Ik rem voor het Mysterie.’ Een verwonderde eerbied voor Gods almacht en kwetsbaarheid, zijn ongrijpbaarheid en zijn meer-dan-betonnen concreetheid, zijn helderheid die verlicht en verblindt, zijn duisternis die verwart en ontvangt, zijn rechtvaardige barmhartigheid en zijn barmhartige rechtvaardigheid, zijn geschater en zijn stilte, zijn in- en uitvouwen en zijn volkomen onbeweeglijkheid. `

(1) Summorum Pontificum is een motu proprio ( een pauselijke brief op persoonlijke titel) van Paus Benedictus XVI uit 2007, waarin meer ruimte wordt geboden om de H. Mis volgens de Tridentijnse ritus te vieren.

Voor deel 3 klik Hier

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

1 Comment on Tridentijns tegen wil en dank 2

  • Kees T. says:
    16 december 2016 at 23:15

    “Een gelovig mens is nooit alleen. Nooit verlaten of verloren of vergeten.” Laten we dat nu eens in marmer beitelen of gewoon ter harte nemen.

    Beantwoorden

Leave a Reply

Your email address will not be published. Fields marked with * are required