Geruis uit de Kluis

Tridentijns tegen wil en dank 3

Deel 2 en deel 1

Tridentijns tegen wil en dank

Uit het voorgaande moge duidelijk zijn dat de liturgie voor elke kluizenaar het absolute fundament is waarop hij het ervaren van zijn hier en nu baseert.

Met de morele steun van Mgr. De Korte – die ondertussen Mgr. Eijk had opgevolgd als bisschop van Groningen-Leeuwarden – kon ik tussen 2011 en 2014 mijn theologiestudie afmaken aan de KU Leuven. Daarna was de bisschop bereid mij tot priester te wijden. Dit was de vervulling van een diep verlangen, en ik kon mijn geluk niet op. In de aanloop daarnaar deed zich echter het volgende voor.

Wie priester wordt gewijd moet de Mis oefenen. In mijn geval moest dat met extra zorg gebeuren. Ik heb namelijk de onhebbelijkheid een notoire stuntel te zijn bij elke liturgische handeling die nog geen routine geworden is. Daarbij vond ik dat ik – omwille van de gastvrijheid – beide liturgische vormen moest beheersen. Bij een kluizenaar komt namelijk alles over de vloer, van Ome-Huubsiaanse Oosterhuizisten tot doorgerubriceerde Lefèbvrianen. Zo gebeurde het dat ik drie weken voor mijn wijding zwetend aan de sacristiecredens de oude Mis stond te oefenen. Vanwege mijn onhandigheid verwachtte ik niet veel godsvrucht te putten uit dit ingewikkelde archaïsme met zijn kluwen aan rubrieken en rudimenten, lappen, grappen en fiebelekwenten. De eerste keer putte ik er ook niet veel godsvrucht uit. Bij de tweede keer ‘Dominus vobiscum’ vloog de manipel van mijn arm en landde op de Zoete Moeder van Den Bosch.

Ondertussen leverde het nieuwe missaal mij weinig problemen op. Een mirakel van helderheid. Geen malle gebedjes die op de gekste plekken gepleegd moesten worden, geen regeltjes over hoever je vingers over de rand van het altaar mochten liggen, en geen jongleursoefeningen met patenen en purificatoria die ook nog eens – als in een ballet – precies op de maat moesten uitkomen. Er ging een soort optimistisch jaren zestig sfeertje van uit. De enige stress van het nieuwe missaal was keuzestress. De hoeveelheid prefaties, eucharistische gebeden en zelfs schuldbelijdenissen deed me sterk denken aan het tandpastarek bij de Jumbo. Maar dat was dan ook het enige probleem. Dat wil zeggen: tot tien dagen later de verhoudingen begonnen te verschuiven.

Braaf had ik in die tien dagen beide vormen geoefend. Voor de duidelijkheid: het ging om ‘houten missen,’ in de sacristie. Ik was immers nog niet gewijd. Ondanks het ontbreken van de sacramentaliteit van wat ik deed beleefde ik er toch devotie aan. Dat wil zeggen: aan de houten missen uit het oude missaal. Van de gedetailleerde rubrieken en de ingewikkelde constellaties van handelingen had ik geen last meer. Die waren in mijn systeem gaan zitten. Ik kwam de mis door zonder builen en afgebroken pirouettes.

De rubrieken zorgden er juist voor dat ik op geen enkele manier meer aan huishoudelijkheden hoefde te denken. Al het niet-essentiële lag immers al vast. Ze bakenden een gewijde ruimte af waarbinnen er rust was om in het hier en nu de Absolute te ontmoeten.

Daarnaast werd die ruimte nog op een andere manier gevormd. Als een soort tentharingen bevat het skelet van de oude Mis gebeden die refereren aan de gemeenschap van de heiligen, waarvan een aantal ook telkens met naam en toenaam wordt genoemd. Dat maakt ten eerste bewust van de aanwezigheid van de Kerk van alle tijden, en ten tweede van de aanwezigheid van het Koninkrijk Gods in deze wereld. Concrete mensen geven het door, hun namen zijn bekend, ze zijn van vlees en bloed. Het Koninkrijk van Jezus is zodoende geen mythisch gegeven in een land hier ver vandaan in een tijd vóór alle tijden. Het is Gods Gezin, dat staat op de schouders van zijn voorouders. “Ik ben de God van uw vaderen Abraham, Isaäk en Jakob.” De oude Mis is als het huis van een oude familie waar iedereen in de loop der eeuwen aan heeft gebouwd en dat volhangt met portretten. Of nog beter: een oude eik met vele jaarringen waarvan de jonge takken worden gedragen door de oude. Oude huizen zitten door hun geschiedenis bovendien niet altijd logisch in elkaar: iedereen heeft er in de loop van de eeuwen aan gebouwd. Oude eiken groeien ook niet als stalen frames. Ze groeien naar het licht, ontwijken obstakels, zoeken met hun wortels het water en goede grond.

Nog op een derde manier werd de ruimte geheiligd, namelijk door de stilte en de verborgenheid. Alle liturgieën overal ter wereld hebben elementen die het Mysterie laten plaatsvinden achter barrières die onderstrepen dat men God niet in het Gezicht kan zien en in leven blijven. Daaronder moeten we in geestelijke zin verstaan, dat we ons voortdurend bewust moeten zijn dat God groter is, anders is, verder weg, dichterbij, helderder, donkerder (vul naar believen aan met paradoxen). “Het is de glorie van God, om dingen verborgen te houden,” of “Zalig God, omdat Hij dingen verbergt!” (Spreuken 25:1).

Er is geen illusie dodelijker voor de ziel dan de illusie God gezien en vooral doorgrond te hebben. In onze perceptie blijft het reële besef van Gods glorie, zijn zaligheid, het feit dat Hij is wie Hij is alleen intact door wat in de middeleeuwen wel eens de ‘wolk van niet-weten’ is genoemd. Met die wolk van niet-weten bedoelt men een verborgenheid die openbaart door te verbergen. Hij laat ons God ontmoeten door Hem te bedekken. Hij maakt het beminnen van God mogelijk door het onmogelijk te maken Hem te (be)grijpen.

Het is om precies dezelfde reden dat men overal in het Oosten een torenhoge muur met ikonen recht voor het altaar plempt, en dat in het Westen tot voor kort een groot gedeelte van de Eucharistie in een zalig zwijgen werd opgedragen. Dit zwijgen veroorzaakte een verwachtingsvolle spanning die het mogelijk maakte de komst van de Bruidegom ook werkelijk te ervaren. Dit is bijvoorbeeld ook één van de redenen waarom een Russische liturgie rustig in de volkstaal kan worden gevierd zonder ongelukken te veroorzaken, en een westerse Mis eigenlijk niet. Immers: al vóór het concilie was de katholieke eredienst van alle serieus te nemen liturgieën de meest heldere, overzichtelijke en kale. Geen door elkaar zingende koren, geen koorafscheiding die het heilige handelen aan het gezicht onttrekt, geen eindeloze gebeden vol vuur en passie. Als je dan de enige barrières die er wél zijn gaat opheffen, in ons geval het Latijn, het op het oosten gerichte altaar en de in stilte gebeden canon, schep je de illusie van de maakbare God, de God die van zijn Mysterie is ontdaan. Die God kan in het slechtste geval levensgevaarlijk worden, omdat Hij door de illusie van hanteerbaarheid volledig onbereikbaar wordt gemaakt. En waar God onbereikbaar wordt blijft niet een gratuite lege ruimte over. Er ontstaat een duister, zuigend vacuüm, een pregnante vorm van wezenloosheid.

Is het nieuwe missaal dan in mijn ogen alleen maar slecht? Ben ik het eens met sommige traditionalisten, die die liturgie zelfs ongeldig vinden? Natuurlijk niet. Het missaal van Paulus VI is gesanctioneerd door de Kerk, en dus sowieso geldig. Er valt bovendien van de nieuwe Mis wel degelijk iets te maken. Als je alle exotische keuzemogelijkheden achterwege laat, als je oppast met wat je laat zingen, als je alles uit de kast haalt om een heilige ruimte en een heilig moment te scheppen, dan valt er zelfs iets heel moois van te maken. De grap is alleen wel dat de nieuwe Mis, als je al die dingen doet, dan verbazend veel lijkt op… de oude Mis.

Bovendien lukt wat hier boven staat alleen als er een priester is die precies weet wat hij doet. Die genoeg weet heeft van symbooltheorie (en –praktijk) om de juiste sacrale hygiëne te handhaven (in het Nederlands: als er een rubberen badeend van de kinderwoorddienst op het altaar ligt zal die het negentig procent van de aanwezigen zonder pardon onmogelijk maken om God daar te ontmoeten, al zal Die daar evengoed wel sacramenteel tegenwoordig zijn). Ook zal hij een groot gevoel voor esthetiek moeten hebben. Verder moet hij over de juiste vrijwilligers en de juiste middelen beschikken. In de praktijk bestaat deze situatie alleen in sommige parochies in sommige grotere plaatsen (en misschien drie dorpen). Dit soort parochies zijn waarschijnlijk niet voor niets de enige die ik ooit heb meegemaakt waar ik mensen heb horen zeggen dat ze zo blij zijn dat ze ’s zondags naar de kerk mogen.

Ik zal een lang verhaal kort maken. Op een gegeven moment overkomt mij het volgende: Ik sta in mijn halfdonkere sacristie vertwijfeld naar mijn credens te kijken, waarop twee boeken open liggen, het oude en het nieuwe missaal. Ik wil hartstochtelijk graag het nieuwe missaal beter vinden. Zo ben ik opgevoed, en bovendien ben ik van nature niet overdreven moedig. Ik heb geen zin in alle kritiek waarvan ik weet dat ik die zal krijgen als ik mij tot de oude liturgie zal bekennnen. Ik heb geen zin in de marge waar ik in gedrukt zal worden, geen zin in de reactionaire mensen die ik aan zal trekken, geen zin om voor de honderdduizendste keer in mijn leven tegen de stroom in te leven.
Maar uit het oude boek rijst mijn Verlosser op, gekruisigd aan een oude boom die hem liefdevol draagt. De takken zijn oud en in de loop van de eeuwen zó gegroeid dat ze zich teder vormen naar zijn kapotte ledematen, en de wortels zuigen zijn bloed op. Dat geeft volle en rijpe vruchten die een mens voeden en blijdschap schenken.

Uit het nieuwe boek groeit een sierpeer van het soort dat men in vinexwijken plant. Zo smal dat de Heer er zich niet op uit kan strekken, zo recht en hoekig dat Hij er nergens steun op kan vinden. Er groeien peren aan, maar die zien er niet echt lekker uit. Ze vallen wel op de grond, maar bijna niemand raapt ze op. Ze liggen onder de boom te gisten, en er komen veel wespen op af.

Met andere woorden: ik sta daar en kan niet anders. Was er geen ‘Summorum Pontificum’ geweest, dan had ik een excuus gehad, en dat zou ik dan ook hebben aangegrepen. Had ik in een parochie gestaan, dan zou de huidige stand van zaken en een wolk aan pastorale redenen mij de keus uit handen hebben genomen. Zou ik in een extreem onverdraagzaam bisdom hebben gewoond, dan zou ik dat als uitvlucht hebben gekozen. Maar al die dingen zijn niet aan de orde. Ik mag van Rome vrij kiezen welk missaal ik gebruik, ik sta niet in een parochie maar ben priestermonnik en ik woon in ongeveer het meest verdraagzame bisdom ter wereld. En ik ben kluizenaar. Ik moet kiezen wat ik oprecht het beste vind. Ik kan me geen bewust zelfbedrog veroorloven, daarvoor ben ik, als kluizenaar, te kwetsbaar. Als ik ophoud eerlijk te zijn tegen mijzelf loop ik mij gegarandeerd te pletter tegen het hier en nu. Daarom:

Tridentijns.

Tegen wil en dank.

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

3 Comments on Tridentijns tegen wil en dank 3

  • Roger Laeven says:
    15 oktober 2016 at 12:54

    Mooi!
    En Gods zegen

    Beantwoorden

  • Meindert says:
    19 oktober 2016 at 21:33

    We volgen het pad van onze verlosser, tegen de stroom in 🙂

    Beantwoorden

  • Kees T. says:
    16 december 2016 at 23:23

    Broeder Hugo, we missen je.

    Beantwoorden

Leave a Reply

Your email address will not be published. Fields marked with * are required