Geruis uit de Kluis

Even over God

Zoals beloofd zal ik het in dit blog over een praktische boeg gooien, maar zelfs dan moeten we het eerst nog even hebben over mijn taalgebruik.

Ik ben een christelijke kluizenaar, dus ik gebruik soms het woord “God.” Ten eerste: een christelijke kluizenaar is nog geen christelijke snob. Als ik het over “God” heb bedoel ik Iemand die geseculariseerde mensen (“agnosten”) meestal ook bedoelen als ze het hebben over “het absolute,” “de Oorsprong,” enzovoort. Je zal je erover verbazen hoeveel agnosten religieuze ervaringen hebben, en er in die termen over spreken. Ik zeg niet dat er geen verschillen zijn. Ik zeg zelfs niet dat er geen verschillen in kwaliteit zijn tussen verschillende tradities, laat staan tussen tradities en vluchtige modes. Ik geloof alleen ook dat de menselijke ervaring van de werkelijkheid zo universeel is dat we in tijden als deze allerlei scheidslijnen best even kunnen laten voor wat ze zijn. Nog belangrijker: Ik hoop dat jullie in de gaten hebben dat ik, als ik “God” zeg, geen chagrijnig oud mannetje op een wolk bedoel, zo Eentje die alles in de gaten houdt en je altijd veroordeelt. Of Eentje die juist voor Sinterklaas speelt in ruil voor lofgezangen. Beiden zijn door drammerige atheïsten bedacht om ze goedkoop af te kunnen schieten. Er schijnen in de wereld van het evangelicalisme mensen te bestaan die in dergelijke goden geloven, maar ik kan me er niks bij voorstellen.

Als ik “God” zeg moet je denken in de richting van “meest uiteindelijke Werkelijkheid,” “Wezensgrond” etc. Weliswaar klopt het dat God voor mij Persoon is (zelfs meer dan wie ook), maar vergeet in vredesnaam alle poppetjes die op een menselijke manier dingen bekokstoven.

Ik geef hier de tekst van een oude KN-Column van mij ter illustratie van wat ik bedoel. Ik hoop dat het daarna duidelijk is:

Het christendom is geen godsdienst van het boek, zoals veel mensen denken. Wie op de knieën gaat voor een pak papier met een koeienvelletje eromheen maakt zich schuldig aan afgodendienst of zelfs fetisjisme (ik bedoel hier het aanbidden van onbezielde objecten, niet dat andere). Dat we wél een godsdienst van het Woord hebben wordt bovendien óók nog vaak verkeerd begrepen. Met dat Woord wordt namelijk Jezus zelf bedoeld, niet de geschreven of gedrukte neerslag van zijn woorden, hoe belangrijk die ook zijn. Woorden zijn ongelooflijk machtig, maar ook ongelooflijk beperkt. Ook als iedereen zich bij “fiets” een metalen ding met trappers en wielen voorstelt wil dat nog niet zeggen dat dat woord ook bij iedereen hetzelfde beeld oproept. De een denkt aan een klassieke opoefiets, de ander aan een racefiets. Ook de gevoelens en associaties die een woord oproept zijn voor iedereen weer anders. Voor mijn broer staat een racefiets bijvoorbeeld voor vrijheid, gezondheid en levensgeluk. Voor mij staat een racefiets voor boetedoening, gekreun en kans op botbreuken. Ik heb eens een – zeer intelligente en toch tamelijk domme – pastoor horen zeggen dat hij alles spic en span voor elkaar had omdat bij hem in de Mis alleen de goedgekeurde teksten uit het Missaal en de GVL (“gezangen voor Liturgie”) werden gebruikt. Dat die woorden krachteloos en stervend ronddreven in een poel van kindertekeningen, sanseveria’s en de verklankte wanhoop van Oosterhuis had hij totaal niet in de gaten. “Dit is mijn Lichaam” krijgt toch een iets andere lading als het wordt uitgesproken tussen twee concelebrerende misdienettes die zich in grijze overgordijnen opzichtig dood staan te vervelen (met hun armen op het altaar). Context is alles, maar zoveel zielen, zoveel contexten. Daarom grijns ik altijd vals als seminaristen van de Pius- of Petrusbroeders mij met een stalen gezicht verkondigen dat ze ongeveer alles kunnen verklaren aan de hand van de Summa Theologiæ. Enfin, seminaristen horen overmoedig te zijn. Hoe dan ook, je hoort lang niet altijd wat je denkt te horen als er woorden in het spel zijn. Mensen die trots het Credo zingen hebben soms geen enkele verbinding met de inhoud ervan. Andersom kan ook. Ik had van de week een gesprekje aan het hek met een nogal deftige Eindhovense mevrouw die naar Warfhuizen was gekomen om een zakdoek met Maria te ruilen voor haar zieke dochter. Toch beweerde ze met droge ogen dat ze afvallig (haar eigen woord) en ongelovig was. “Als ik hier kom ervaar ik dat er achter dat hek iets aanwezig is – geen idee wat precies – maar ik kan er wel mee praten en dat is dan goed zo,” was het verhaal. Niet zulke beste woorden, theologisch. Afgrijselijk zelfs, als ik heel eerlijk ben. Maar welke werkelijkheid verbergt zich erin?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Fields marked with * are required