Preek broeder Hugo kerst 2011
Op veler verzoek ook dit jaar weer de kerstpreek van broeder Hugo.
Het volk dat ronddwaalt in het donker, ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op. Jes. 9:1
Met deze woorden voorspelde volgens de traditie Jesaja al eeuwen vóór het jaar nul de geboorte van Christus.
Donker en duisternis: we houden er niet van. Je ziet geen hand voor ogen. Wat je wel ziet verandert van gedaante: onschuldige dingen zoals knoestige takken en nachthemden aan de waslijn zien er plotseling uit als monsters met grijptentakels en akelig fladderende spoken.
Toen ik een jaar of zes was zat er een kast tegenover mijn bed. Die kast had de neiging om ’s nachts een heel ander soort kast te worden. Overdag zat er een wastafel in, en was het een hele leuke kast: groen, met rode randjes langs de panelen. ’s Nachts wist ik zeker dat graaf Dracula erin zat. Als ik mijn ogen dicht zou doen, zou hij eruit springen en mij in mijn nek bijten.
Wie denkt dat alleen kinderen last hebben van dat soort dingen vergist zich deerlijk. Elke nacht liggen miljoenen volwassen mensen in hun bed te draaien omdat ze zich allerlei rampen voorstellen waarvan ze op dat moment zeker weten dat die hen morgen zullen overkomen. Een pijntje in de rechter grote teen betekent dat volgende week de hele voet eraf moet. Als dochterlief vandaag voor het eerst een zesje heeft gehaald, zal ze volgende week van school getrapt worden, ontsporen en aan de drugs raken.
De nacht heeft soms de neiging alles een beetje zwarter te kleuren. De nacht is een liegbeest.
Toch kan die stemming ook plotseling omslaan. Dan wordt de nacht een oord van schoonheid en betovering. Een flonkerend oord. Niet voor niets zijn verschillende beroemde boeken en gedichten in het oor van de schrijver gefluisterd in het holst van de nacht, en de meest wonderlijke schilderijen voor het oog van de schilder verschenen in de kleine uurtjes. Ook wijzelf zijn van die wonderen, waarvan de eerste kiem meestal gelegd is in het donker, in de geborgenheid van de liefde tussen twee mensen. De nacht heeft duidelijk twee gezichten: zo lelijk als de nacht en zo prachtig als de nacht bezaaid met sterren.
De figuren die op de grens staan tussen de lelijke nacht van angst en onrust en de betoverende nacht van liefde en verwondering zijn de engelen. Het woord ‘engel’ komt van het Griekse ’αγγελος, dat eigenlijk boodschapper betekent. Het is verwant aan ons woord Evangelie, dat komt van ’ευαγγελιον, ‘goede boodschap.’ Oorspronkelijk betekende dat de goede boodschap van de overwinning.
Stel je voor: een stad werd bedreigd door een vijandelijk leger. De mannen waren erop uitgetrokken om de vijand tegen te houden. Iedereen wist dat bij verlies de stad in brand zou worden gestoken, alle mannen vermoord, de vrouwen en kinderen als slaven verkocht. Als er dan een boodschapper kwam die juichend kwam melden dat de vijand was afgeslagen, was dat een ’ευαγγελιον, een ‘goede boodschap,’ gebracht door een ’αγγελος, een boodschapper die werd ervaren als een engel. Ook toen al bracht een engel in een dergelijk geval dus opluchting.
Zo is het precies met de engelen van God. De wereld drijft rond in een eindeloze nacht. Die nacht liegt ons voor en zegt: morgen overkomen je allerlei rampen. Je bent er niet tegen opgewassen. Alles zal je bij de handen afbreken. De mensen op wie je vertrouwt zullen je in de steek laten, en er zal niemand voor in de plaats komen. Plotseling, als je het niet meer verwacht, wordt het licht: een engel!
Zo ook de herders in het veld van Efrata. Zij waren het uitschot, en hadden geen kans op een beter leven. Ze lagen te vernikkelen in het veld, en hadden nachtmerries over wolven die al hun schapen zouden opvreten. Zelf waren ze ook niet veilig, want Israël was bezet door de Romeinen, en er kon elke dag oorlog uitbreken. En dan wordt het plotseling licht alsof de ochtend was aangebroken. Tussen de sterren ontwaren ze duizenden flonkerende figuren die zingend de angst en duisternis verdrijven. De donkere nacht wordt een schitterende nacht, een oord van schoonheid en nieuwe adem.
Engelen wijzen de weg naar het Kindje Jezus. Engelen wijzen de weg naar het einde van de nacht, naar het opkomende licht. Daarmee veranderen ze de onheilige nacht in een heilige nacht.
Ook wij kunnen, als we ons vertrouwen stellen op dat Kind, elkaar tot engelen zijn. Ook wij kunnen elkaar opluchting en goed nieuws brengen.
Daarvoor zijn er wel een paar eenvoudige regels, die je in de gaten moet houden als je geen nep-engel wil worden (zo’n mislukte baby met hangwangen en kippevleugels die je wel eens op foute kerstkaarten ziet staan.)
Regel één: Een engel helpt het liefst mensen die niemand ziet staan, en zelfs het allerliefst mensen die hij zelf ook liever niet zou zien staan.
Regel twee: een engel wijst de weg, en bemoedigt. Een engel sleurt zijn slachtoffer niet tegen heug en meug naar een plaats waar hij niet wil zijn. Ook laat een engel het preken over aan de pastoors en de dominees.
Regel drie: een engel weet te zwijgen over wat hij tijdens zijn werk te weten komt over de zwakheden van degenen die hij probeert te helpen.
Regel vier: Een engel verkondigt de glorie van God, de hoop en de liefde, nooit zijn allereigenste engelachtige geweldigheid. Ook verwacht een engel niet de godganse dag voortdurend bedankt te worden voor wat hij doet.
Regel vijf: als een engel een foutje maakt, een noodlanding moet maken en met slachtoffer en al tegen Adolfs SRV-wagen (Warfhuister inside-joke) knalt geeft hij dat eerlijk toe en biedt zijn excuses aan.
Regel zes: Een engel is niet altijd alleen maar lief. Als Dracula onverhoopt toch in de kast blijkt te zitten steekt de engel de kast in de fik.
Regel zeven: als er nog geen licht aan de horizon daagt, en het is duidelijk dat er nog een hoop ellende verdragen moet worden, zwijgt de engel, maar blijft wel op zijn post.










Recente reacties