Reisverslag: Pater Bunge, eerste deel
donderdag 26 oktober 2006
Dankzij onze bisschop mocht ik een aantal dagen te gast zijn bij de beroemde heremiet pater Bunge in zijn kluis op een berg in de buurt van Lugano. Ik weet dat nogal wat lezers van mijn dagboek erg nieuwsgierig zijn naar mijn ervaringen daar. Helaas kan ik die nieuwsgierigheid maar gedeeltelijk bevredigen: De essentie van een kluis is dat je er afgesloten bent van de wereld. Gasten hebben die veiligheid te respecteren. Niet voor niets heet mijn eigen kluis Onze Lieve Vrouwe van de Besloten Tuin.
Toch valt er genoeg te vertellen zonder indiscreet te zijn, en ik zal jullie dan ook niet ál mijn belevenissen onthouden.
De reis naar Zwitserland verliep zoals voorzien, maar was toch behoorlijk uitputtend, vooral door de massa’s mensen en het lawaai waaraan ik niet meer gewend ben. Op het vliegveld was de incheck-procedure weer veranderd, en er waren nu apparaten bij betrokken. Ik heb altijd ruzie met automaten, wat voor automaten dan ook. Enfin, ik werd gered door een stewardess die mij hartelijk uitlachte. Ik lachte mij ook uit.
Gelukkig hebben de mensen meer sympathie voor monniken dan voor priesters: ik krijg altijd hulp. (Helaas zijn de mensen tegenwoordig zo onwetend dat ik ook regelmatig voor Bin-Laden-aanhanger wordt aangezien. Ik heb al eens bijna klappen gekregen. Nu is het martelaarschap een hoge roeping, waarvan ik niet weet of ik ertegen opgewassen ben (ik ben soms best kleinzerig…) Maar als het dan zo moet zijn, dan alsjeblieft wel graag voor de (enige) juiste firma.)
Dat hangen op vliegvelden brengt een bepaald soort gaarheid met zich mee. Ik had dan ook geen fut genoeg om de oorlog te winnen toen de chauffeur van de bus naar Lugano mij overnieuw wilde laten betalen voor het al betaalde kaartje. Tijdens de rit, die twee uur duurde, had hij de radio op een bijzonder psychedelische zender staan. brrr.
De bus stopte in het donker van een nogal naargeestige rivierkade vol betonnen flats. Ik bedacht mij dat ik er niet zeker van was dat de pater mij goed begrepen had. Het idee op die plek te blijven staan gaf mij een bepaald onbehaaglijk gevoel. Gelukkig duurde het niet lang voor de enorme gestalte met de witte baard (die van de foto’s) over de stoep tussen het water en de bomen naderbij kwam. Zijn mantel wapperde donker wolkend achter hem aan, zijn kap wierp een zwarte schaduw over zijn ogen. Verschillende mensen schrokken zich dood en doken van het trottoir de straat op toen ze hem aan zagen komen. Het is verbazend hoe vaak we bang zijn voor het goede en vriendelijke terwijl we ons in de armen werpen van het kwalijke en bedrieglijke…
Vriendelijke, zachte stem. Sprekende ogen. Hij begroette me met de pax, de aloude monnikengroet.
In de auto (met doodsverachting als een coureur met een noodvaart tegen de haarspeldbochten omhoog) praatte hij honderduit over de Nederlandse Kerk. Hij begreep de situatie beter dan de meeste Nederlanders.
Ons einddoel bleek een superstrakke parkeergarage te zijn, wat ik niet helemaal verwacht had. Daar bleek het feest dan ook nog maar te beginnen…
Vanaf het parkeerdek kwamen we in de steile straatjes van een typisch Italiaans dorp, geplaveid met natuursteen, fonteintjes op de hoeken, oude straatlantaarns. Na drie van die gangen had ik (twee koffers, één met nogal wat boeken) aardig lamme armen.
We waren het hele dorp doorgelopen toen het verder ging door pikdonkere weilanden, nog steeds steil omhoog. Het zweet liep met stralen mijn sokken in, mijn hart klopte in mijn hoofd. Ik was een spontane mariaverschijning zeer nabij (ik zag de sterretjes al) toen de pater stilhield. “We zijn er,” dacht ik dankbaar, “God zij dank!” Hij knipte zijn zaklamp aan, scheen op een paar ezels die ons loom aangaapten. “Kijk eens wat een prachtige dieren!” bromde hij, en zetter er de pas weer in.
Twee weilanden verder begon een indrukwekkend kastanjebos en verdween het pad onder gladde bolsters en kastanjes. Zaklamp tussen de tanden en klauteren maar. En bidden dat ik niet in het donker nasst het pad zou stappen, de afgrond in. In bochten en kronkels ploeterde ik achter de pater aan de berg op, glibberend en glijdend door de bolsterbraggel. Gelukkig had hij een tas van me overgenomen, ik weet niet of ik anders boven zou zijn gekomen. In de bochten zag je door de bomen in de diepte de lichtjes van Lugano glinsteren in het meer.
Boven gekomen lag daar de kluis van het heilig Kruis. Drie huisjes, heilig en genoeglijk. Mijn cel had een sublieme ikonenhoek, bidzaam en waardig. Al het nodige was daar, maar niks teveel. In de kleine refter kreeg ik een stukje eigengebakken volkorenbrood en een blokje kaas. Toen liet hij mij de kapel zien: veel flakkerende lampjes zoals ik het graag heb, warm en geborgen. Alles was trouwens glitterend proper en blinkender dan blinkend. Ik moest aan een oude studiegenoot van mij denken, de huidige pastoor van Wanroij. Die zou goedkeurend hebben geknikt.
Eenmaal in bed was ik vertrokken. Als thuis.
maandag 2 november 2009 om 16:24
[...] vadertje moet, omdat zijn kluis op een plek ligt waar je haast niet kunt komen. Ik citeer uit het verslag van mijn eerste reis naar het vadertje: Vanaf het parkeerdek kwamen we in de steile straatjes van een typisch Italiaans [...]