Houd mij niet vast…

vrijdag 5 december 2008

De aanleiding van het volgende was een reportage over de ontmoeting tussen Andries Knevel en Boele Ytsma die ik heb gezien. Je kunt het hier bekijken. Volgens mij heeft Boele iets meegemaakt wat vergelijkbaar is met mijn eigen ervaringen, maar ik zou niet durven pretenderen dat ik in zijn ziel kan schouwen. Zodoende moet het volgende los worden gezien van die uitzending. Dit gaat puur over mijn eigen ervaringen.

Aan het begin van deze advent speelt mij weer eens een thema door het hoofd dat mij met enige regelmaat bezighoudt: het sterven en verrijzen van ons geloof.

Misschien dat sommigen van jullie daar vreemd tegenaan kijken, maar ik denk dat iedereen die serieus met geloven bezig is wel begrijpt wat ik ermee bedoel.

Inderdaad: ons geloof moet, net als de Heer zelf gedaan heeft, sterven en verrijzen, anders verandert het in beton en drukt ons terneer, het verandert een gesneden beeld, het verandert in afgodendienst. De momenten dat je ‘geloof sterft’ zijn de angstigste maar ook de meest vruchtbare momenten in het leven van een gelovige. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft brengt zij geen vruchten voort…

Natuurlijk loopt dit niet altijd goed af. De sleutel is de nederigheid die niemand ooit werkelijk bezit, maar die velen van ons gelukkig soms mogen lenen. Als je geloof sterft is het van levensbelang dat je de neiging tot verzet, de hoogmoedige neiging naar autonomie, het willen zijn als God, overwint.

Nederigheid en godsvertrouwen horen namelijk bij elkaar. Wie hoogmoedig wordt en meer op de hersenspinsels van zijn eigen ‘wijsheid’ vertrouwt dan op God, hij zal zijn geloof verliezen. Het sterft en staat niet (vanzelf) meer op. Hetzelfde geldt voor mensen die hun geloof niet láten sterven, die zich vastklampen aan hun verdorde, versteende geloof. Na lange of korte tijd verkruimelt het als de reus met de lemen voeten, en ze blijven met lege handen achter.

Hoe kan dat: je geloof laten sterven terwijl je toch op God blijft vertrouwen?

Als al die dingen die heilig leken, maar eigenlijk bouwsels van je eigen verbeelding waren, beginnen te wankelen, treedt er een reflex van overgave aan God op die recht op de kern afgaat met weglating van alle constructen. Persoonlijk geloof ik dat deze reflex ingeschapen is, maar wel mede wordt gevormd door je opvoeding en levenswijze. Wat sterft  in het hele proces is niet de kern van het geloof, de sprakeloze intieme band die jou aan God bindt (al wordt die wel volkomen onzichtbaar en tijdelijk onervaarbaar zolang het versleten godsbeeld nog in de weg staat.) Het hoeft zelfs niet eens te betekenen dat je bepaalde formele geloofswaarheden loslaat. Wat sterft zijn jouw persoonlijke percepties van God, ontstaan uit je gedachten en ervaringen, vruchtbaar gemaakt voor je groei, en nu uitgebloeid en klaar om te sterven.

Tijdens zo’n ’sterven van het geloof’ kan je het gevoel hebben razend te zijn op God, je kan innerlijk op Hem schelden en tieren, je kan er een stroom van blasfemieën uitkramen, maar het onderwerp van je woede zal altijd het godsbeeld zijn dat je zelf geschapen hebt, niet de werkelijke, levende God.

Wen je eraan, dat sterven van het geloof? Wordt het niet makkelijker op den duur om dit alles te ondergaan? Nee. Elk godsbeeld dat eraan gaat heb je lang genoeg gekoesterd om er vreselijk mee vergroeid te zijn. Daarbij lijkt elk godsbeeld dat moet sterven een beetje meer op wie God werkelijk is dan het vorige. Zodoende voelt het alsof we werkelijk van ons geloof vallen. ‘Vallen’ is voor die ervaring een goede metafoor, vind ik persoonlijk. Verzuipen in een schijnbaar leeg heelal zou een andere kunnen zijn.

Ik denk dat deze pijn een vermomde genade is. Om de beperktheid van ons godsbeeld werkelijk te ervaren, en zodoende te voorkomen dat we het gaan ‘aanbidden’ alsof het werkelijk God zelf was, moet het van tijd tot tijd voor onze ogen kapot vallen, zonder enige reverentie afgebroken worden. ‘In brand gestoken en met de schop uitgeslagen worden,’ zouden ze in zuid-oost Brabant zeggen. ‘Gekruisigd,’ zouden de oude Romeinen zeggen, want dat had in hun dagen dezelfde gevoelswaarde.

Het volk dat in het duister wandelt, heeft een groot Licht gezien, profeteert Jesaja. Maar om dat nieuwe Licht te zien moet je dus soms eerst in het duister durven wandelen. En dan zie je niet waar je loopt. Dan moet je vertrouwen.

Toen sprak Jezus: ‘Houd mij niet vast, want ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader.’ Joh.20:17

1 reactie - Ook reageren?

  1. Gregorius Vin Doekha zei:

    Abt Antonius vroeg:
    Toen Abba Antonius nadacht over de diepte van Gods raadbesluiten vroeg hij;
    “God waarom sterft de een zo jong terwijl de ander tot op hoge leeftijd moet voortkruipen, zijn sommigen zo rijk en anderen zo arm en waarom gaat het goddelozen voor de wind en waarom zijn rechtvaardigen in nood?”

    Waarop God zegt; “houd je aandacht gericht op jezelf, dit zijn zaken die alleen Mij aangaan. Het is niet in jouw voordeel hier ook maar iets over te weten”.

    Wat zou God hiermee bedoelen?:
    Dat een lang leven op deze aarde per definitie niet betekent dat dit een verdienste is. Een lang leven op aarde geen zegen hoeft te zijn in vergelijking met het leven daarna. Dat oud worden ook kan betekenen dat je een lang aards leven gemakkelijk aan kon (of zelfs als plezierig beleefde), je dit nodig had of moest meemaken om van dit leven genoeg te kunnen begrijpen. Of misschien zelf wel als straf, omdat je anderen bewust en onnodig veel misbruikte of pijn deed. Of misschien wel van dit alles een beetje?

    Dat Hij hiermee ook wil zeggen dat financieel, maatschappelijk of lichamelijk rijkelijk toebedeelde mensen niet per definitie gelukkiger zijn dan in deze opzichten arme mensen. Of misschien wel dat deze zogenoemde rijke mensen het op (veel) andere belangrijke levensaspecten het veel moeilijker hebben, maar dat niemand of slechts weinigen dit (willen) weten of zien?

    Wil Hij deze zogenaamde “rechtvaardigen” hiermee duidelijk maken dat (veel van) deze in hun ogen “goddelozen” in het leven misschien wel veel zuiverder en eerlijker zijn dan zijzelf.

    En wil God misschien ook tegen een ieder zeggen dat je je alleen met jezelf, je eigen leven en je eigen waarheid moet bezig houden. En niet te veel of voortdurend met dat van anderen bezig moet zijn, uit afgunst of onbegrip. Omdat je daar niets of onvoldoende over weet of misschien ook maar iets van kan of zal begrijpen. Dat alles wat je van een ander vindt alleen is gebaseerd op wat je incidenteel direct of indirect meemaakt, hoort of ziet. En dat jouw beleving slechts wordt getoetst aan je eigen karakter, ontwikkelde persoonlijkheid of ervaringen. En dat jij daarom nooit genoeg van iemand kan of zal begrijpen om echt rechtvaardig over iemand te kunnen oordelen of zelfs iemand te kunnen veroordelen, wanneer het iemands eeuwige leven, het zogenoemde leven in het hiernamaals betreft.

    Dat kan toch alleen een alleswetende en rechtvaardige God. Een goede God die iedereen begrijpt omdat deze naar Zijn evenbeeld is geschapen met al zijn talenten, maar vooral ook met al zijn beperkingen en soms ernstige gebreken en gebrekkige inzichten. Daarom weet alleen Hij wat een mens bezielt, waarom iets gebeurt en de echte waarheid achter alles kent. Alleen Hij is daarom in staat zuiver en rechtvaardig te oordelen en misschien zelfs te moeten veroordelen, maar uiteindelijk alles zal vergeven vanuit zijn onvoorwaardelijk liefde als Vader.

    Althans dat hoop ik.

    Gregorius Vin Doekha
    21 juli 2009

Reageren?