De moeder van een van mijn boezemvrienden was, toen ze een pubermeisje was (we schrijven 1964,) de wandelende schrik van de pastoor van Asten. Zo had Tineke (laten we haar Tineke noemen,) op een goede dag eens besloten dat ze eigenlijk niet goed begreep waarom ze van haar moeder zo vaak moest biechten. Zij was niet op haar mondje gevallen (nog steeds niet, trouwens,) en deelde de kapelaan tijdens de eerstvolgende biecht mee dat het haar boven de pet ging waarom ze toch maar steeds weer die biechtstoel in moest. ‘Kom morgenavond eens praten op de pastorie, dan hebben we het er wel over,’ zei de  kapelaan zachtmoedig.

De volgende avond zat Tineke bij de kapelaan aan de koffie, en volgde er een goed en aangenaam gesprek. Dat wil zeggen: totdat de deken ten tonele verscheen. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg de deken scherp. ‘Ze begrijpt niet waarom ze moet biechten,’ zei de kapelaan, ‘dus probeer ik het haar even uit te leggen.’

Het hoofd van de deken werd zo rood als vurige kolen, zijn ogen versmalden zich tot dunne spleetjes. ‘Je hoeft nooit meer te biechten en ook niet meer naar de Mis te komen,’ bulderde hij.

Stralend ging Tineke naar huis, waar ze haar moeder op blijde toon vertelde dat ze nooit meer hoefde te biechten en ook nooit meer naar de Mis hoefde. ‘Dat heeft de deken zelf gezegd,’ voegde ze er voldaan aan toe.

Moeder gaf haar een klinkende draai om de oren, zette haar handen in haar zij en sprak op scherpe toon: ‘De volgende zondag ga je drie keer!

Tineke zat in de kerk altijd op de achterste bank met haar vriendinnen, die bijna net zo ondeugend waren als zij. Zodoende zaten ze regelmatig te teutebellen, elkaat foto’s te laten zien en te lachen. Niet zelden kreeg de deken dat op den duur in de gaten. Dan stormde hij met kazuifel en bonnet van het altaar af en joeg de dames onder het roepen van donder en geweld en galg en rad de kerk uit, soms tot in het plantsoen aan de overkant aan toe.

Tineke kan smakelijk over deze voorvallen vertellen, waarbij ze altijd ruiterlijk toegeeft dat de deken wel een beetje gelijk had.

Wat ik aan de laatste anekdote altijd een beetje merkwaardig heb gevonden is het volgende: In de tijd waarover we spreken stond de priester tijdens de Mis naar het oosten gekeerd, dus met zijn gezicht eendrachtig in dezelfde richting als de gelovigen. Hoe kon de man dan in vredesnaam zien wat er achter hem, en nog wel op de achterste bank, gebeurde?

Later legde een oudere priester het mij eens uit.

‘De deurtjes van het tabernakel waren vaak zo glimmend gepoetst dat het net een spiegel was waarin je de hele kerk kon zien.’

Zo werd mij veel duidelijk, al vond ik het niet zo eerbiedig dat de deken onder de Heilige Mis voortdurend zat te letten op wat er achter zijn rug gebeurde. Ook vond ik het niet erg herderlijk van hem om Tineke op die manier weg te jagen.

‘Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld zult worden,’ zegt de Heer in het Evangelie.

Gisteren overkwam mij namelijk precies hetzelfde tijdens de aanbidding.

In de tombe van het Heilig Kruisaltaar zit een ovaal venster met een stuk scheenbeen van de Heilige Bonifatius erachter. Als je nu voor het subpedaneum (het vlonder) op een knielkrukje zit kan je in het glas van dat reliekschrijn de hele kerk overzien. Toen dus op een onbewaakt ogenblikje mijn blik wat zakte en van Ons Heer in de monstrans op het reliekschrijn terechtkwam, zag ik in de weerspiegeling daarvan dat er een ouder echtpaar was binnengekomen. Ze waren typisch van de moeilijke leeftijd, zeg maar tussen de zestig en de zeventig. Vooral de man gedroeg zich vreselijk oneerbiedig. Hij hing nonchalant tegen een herenbank aan met zijn handen in de zakken, grijnsde spottend en had bovendien zijn baseballpetje niet afgenomen. (Eigenlijk vind ik het al tegen de goede zeden om op die leeftijd überhaubt een baseballpetje te dragen, maar dat terzijde.)

Ik kon mij niet bedwingen en zei, rustig maar zeer helder, duidelijk en vriendelijk:

‘Van harte welkom in de liefdevolle Aanwezigheid van de Heer. Zou u zo goed willen zijn uw handen uit uw zakken te halen en uw pet af te nemen?’

Ik zat geknield op de grond met mijn rug naar ze toe, kap over het hoofd en al, dus het moet (zeker in die donkere, wierookdoortrokken kaarsenschijn) heel unheimisch voor ze zijn geweest dat ik in de gaten had wat er achter mij in de kerk gebeurde.

Ze schrokken zich dan ook ongans, sprongen op en vluchtten de kerk uit. (‘Huuuh,’ hoorde ik die vent nog roepen.)

Ik moet tot mijn schaamte bekennen dat dat mij niet weinig vermaak bezorgde.

Toen richtte ik mijn ogen weer op ons Heer en ik herinnerde mij hoe streng ik altijd had geoordeeld over deken van Hout uit Asten, omdat hij tijdens de Mis was afgeleid door wat er achter hem gebeurde, en omdat hij de mensen de kerk uitjoeg in plaats van dat hij de kerk voor hen tot een thuis maakte.

Ik besefte dat de zachtmoedigheid moet heersen over de gestrengheid, om zo de mensen zich gelukkig te laten voelen in de Kerk. Daarbij kwam nog dat ik als in een film al die momenten aan mij voorbij zag trekken dat ik zelf oneerbiedig ben geweest (vaker dan je zou denken.)

Ik voelde mij, met andere woorden, een hypocriete zak.

‘Genees mij Heer, tegen U heb ik misdaan,’ bad ik met een rood hoofd, terwijl ik sterk het gevoel kreeg dat de Heer mij liefdevol en met ontferming uitlachte.

1 reactie - Ook reageren?

  1. Heleen zei:

    Heel herkenbaar. Bedankt dat je dat met ons wilt delen.

Reageren?