Woestijnvadertjes 65 t/m 72 - Arsenios 27 t/m 34 - 2 t/m 9 Juni 2009
donderdag 4 juni 2009

2 Juni - Arsenios 27 - Een broeder kwam naar de cel van abba Arsenios in de Scetis. Terwijl hij wachtte buiten de deur zag hij de oude man geheel als een vlam (de broeder was dit gezicht waardig.) Toen hij klopte kwam de oude man naar buiten en zag de verwondering van de broeder. Hij zei tegen hem: ‘Stond je al lang te kloppen? Heb je hier iets gezien?’ De ander antwoordde: ‘nee.’ Toen sprak hij zodoende met hem en zond hem heen.
3 Juni - Arsenios 28 - Toen abba Arsenios in Canopus woonde, kwam er uit Rome een zeer rijke en godvrezende maagd om hem te bezoeken. Toen aartsbisschop Theophilus haar ontmoette vroeg zij hem de oude man over te halen haar te ontvangen. Hij ging dus en vroeg het hem met de volgende woorden: ‘Een zeker persoon van senatoriale rang is uit Rome gekomen en wenst u te zien.’ De oude man weigerde haar te ontmoeten. Maar toen de aartsbisschop het jonge meisje dit vertelde, gaf zij opdracht het lastdier te zadelen terwijl zij zei: ‘Ik vertrouw op God dat ik hem zal zien, want ik ben niet gekomen om een man te zien (daarvan zijn er genoeg in onze stad,) maar een profeet.’
Toen zij was aangekomen bij de cel van de oude man, was hij, door een beschikking van God, buiten. Toen zij hem zag wierp zij zich aan zijn voeten neer. Woedend tilde hij haar overeind, en zei terwijl hij haar onophoudelijk aankeek: ‘Als je mijn gezicht moet zien; hier is het, kijk!’ Zij was overdekt met schaamte en keek niet naar zijn gezicht. Toen zei de oude man tegen haar: ‘Heb je niet horen spreken over mijn manier van leven? Dat zou gerespecteerd moeten worden. Hoe durf je een dergelijke reis te maken? Realiseer je je niet dat je een vrouw bent en niet zomaar overal heen kunt gaan? Of is het opdat je, als je terug in Rome bent, tegen de andere vrouwen kan zeggen: ‘Ik heb Arsenios gezien?’ Dan zullen ze de zee in een drukke verkeersweg veranderen voor vrouwen die mij willen zien.’ Zij zei: ‘Moge het de Heer behagen, ik zal niemand hier laten komen; maar bid voor mij en gedenk mij altijd.’ Maar hij antwoordde haar: ‘Ik bid God om elke herinnering aan jou uit mijn hart te verwijderen.’ Zij was ontdaan toen zij deze woorden hoorde en vertrok. Toen zij teruggekeerd was in de stad werd zij door haar verdriet ziek, getroffen door de koorts, en de gezegende aartsbisschop Theophilus werd ervan op de hoogte gesteld dat zij ziek was. Hij kwam haar opzoeken en vroeg haar hem te vertellen wat er aan de hand was. Zij zei tegen hem: ‘Was ik er maar niet naartoe gegaan! Want ik vroeg de oude man mij te gedenken, en toen zei hij: ‘‘Ik bid God om elke herinnering aan jou uit mijn hart te verwijderen.” Nu sterf ik dus van verdriet.’ De aartsbisschop zei tegen haar: ‘Realiseer je je niet dat je een vrouw bent, en dat het door vrouwen is dat de vijand oorlog voert tegen de heiligen?Dat is de verklaring voor de woorden van de oude man. Maar wat je ziel betreft; hij zal er onophoudelijk voor bidden.’ Toen werd haar geest genezen en zij keerde blij terug naar huis.
4 Juni - Arsenios 29 - Abba David vertelde het volgende over abba Arsenios: Op een dag kwam er een magistraat die het testament van een senator met zich meebracht, een lid van zijn [Arsenios] familie die hem een zeer grote erfenis had nagelaten. Arsenios nam het en stond op het punt het te vernietigen. Maar de magistraat wierp zich voor zijn voeten neer en zei: ‘Ik smeek u, vernietig het niet, anders zullen ze mijn hoofd afhakken.’ Abba Arsenios zei tegen hem: ‘Maar ik was al dood lang voor deze senator die net gestorven is,’ en hij gaf het testament aan hem terug zonder iets aan te nemen.
5 Juni - Arsenios 30 - Ook werd van hem gezegd dat hij op zaterdagavonden, terwijl hij zich voorbereidde op de glorie van zondag, zijn rug naar de zon keerde en zijn handen in gebed uitstrekte naar de hemel, tot de zon weer op zijn gezicht scheen. Dan ging hij zitten.
6 Juni - Arsenios 31 - Het werd gezegd van abba Arsenios en abba Theodoor van Pherme dat zij, meer dan wie ook, een hekel hadden aan de bewondering van andere mensen. Abba Arsenios ontving niet gemakkelijk mensen, terwijl abba Theodoor als van staal werd als hij iemand ontmoette.
7 Juni - Arsenios 32 - In de dagen dat Abba Arsenios in Neder-Egypte woonde werd hij voortdurend gestoord, en zodoende achtte hij het juist om zijn cel te verlaten. Zonder iets mee te nemen ging hij naar zijn leerlingen in Pharan, Alexander en Zoïlus. Hij zei tegen Alexander: ‘Sta op en stap in de boot,’ en die deed dat. En hij zei tegen Zoïlus: ‘Kom met mij mee tot aan de rivier en zoek een boot voor mij om mee naar Alexandrië te gaan; stap dan op en voeg je bij je broeder.’ Zoïlus maakte zich zorgen over deze woorden maar zei niets. Zo scheidden hun wegen. De oude man zakte af naar de omgeving van Alexandrië, waar hij ernstig ziek werd. Zijn leerlingen zeiden tegen elkaar: ‘Misschien heeft een van ons de oude man geïrriteerd, en is dat de reden dat hij van ons is weggegaan?’ Maar zij konden niets bedenken wat zij zich zouden kunnen verwijten en ook geen ongehoorzaamheid. Toen hij beter was, zei de oude man: ‘Ik keer terug tot mijn vaderen.’ Terwijl hij weer stroomopwaarts reisde kwam hij in Petra waar zijn leerlingen waren. Terwijl hij dicht bij de rivier was, kwam er een klein Etiopisch slavenmeisje en raakte zijn schapenvel aan. De oude man gaf haar een reprimande, en zij antwoordde: ‘Als je een monnik bent, ga dan naar de berg.’ Alexander en Zoïlus troffen hem daar. Toen, terwijl zij zich aan zijn voeten wierpen, viel ook de oude man met hen neer en samen weenden zij. De oude man zei tegen hen: ‘Hebben jullie gehoord dat ik ziek was?’ ‘Ja,’ antwoordden zij. Hij vervolgde: ‘Waarom zijn jullie mij dan niet komen opzoeken?’ Abba Alexander zei: ‘Uw vertrek van ons heeft ons geen goed gedaan, en velen zijn er niet door gesticht. Zij zeiden: “Als zij de oude man niet ongehoorzaam waren geweest, zou hij niet van hen zijn weggegaan.” Abba Arsenios zei: ‘Aan de andere kant zullen zij nu zeggen: “Toen de duif geen plaats kon vinden om te rusten, keerde hij naar Noach in de ark terug.” Zo zagen zij alles onder ogen en zij bleven bij hem tot aan zijn dood.
8 Juni - Arsenios 33 - Abba David zei: ‘Abba Arsenios vertelde ons het volgende alsof het over iemand anders ging, maar in feite ging het over hemzelf. Een oude man zat in zijn cel en er kwam een stem tot hem die hem zei: “Kom, en ik zal je de werken van de mens laten zien.” Hij stond op en volgde. De stem leidde hem naar een zekere plaats en toonde hem een Ethiopier die hout aan het hakken was en een grote stapel maakte. Hij ploeterde om die te kunnen dragen, maar het was vergeefs. Maar in plaats van wat van de stapel af te halen hakte hij nog meer hout en voegde er nog aan toe. Hij deed dat zo een hele tijd achter elkaar. Toen hij een eindje verder ging werd de grijsaard een man getoond die aan de oever van een meer stond. Hij schepte water en goot het in een kapot vat, zodat het terug het meer in liep. Toen zei de stem tegen de oude man: “Kom, en ik zal je wat anders laten zien.” Hij zag een tempel, en twee mannen te paard tegenover elkaar die een stuk hout dwars vasthielden. Zij wilden binnengaan door de deur, maar slaagden daar niet in omdat zij hun stuk hout dwars vasthielden. Geen van hen wilde de ander voor laten gaan om het stuk hout recht te krijgen; zodoende bleven zij buiten de deur. De stem zei tegen de oude man: “Deze mannen dragen het juk van de rechtschapenheid met trots, en zij verootmoedigen zich niet om zich te beteren en de nederige weg van Christus te gaan.” De man die houthakt is degene die in vele zonden leeft, en in plaats van berouw te hebben voegt hij steeds meer fouten aan zijn zonden toe. Degene die het water schept is degene die goede daden doet, maar omdat hij die vermengt met slechte daden bederft hij zelfs de goede. Zo moet eenieder waken over zijn daden, anders werkt hij vergeefs.”
9 Juni - Arsenios 34 - Dezelfde abba vertelde over een paar vaders die op een dag uit Alexandrië kwamen om abba Arsenios te zien. Onder hen was de bejaarde Timotheüs, aartsbisschop van Alexandrië en bijgenaamd de arme. Hij weigerde hen te ontvangen, omdat hij bang was dat anderen hen zouden volgen en hem storen. In die dagen woonde hij in Petra van Troë. Zi gingen dus terug met een vervelend gevoel. Nu kwam er een Barbaarse invasie, en de oude man ging in Neder-Egypte wonen. Toen zij dit hoorden kwamen zij opnieuw om hem te ontmoeten, en hij ontving hen met vreugde. De broeder die bij hen was zei tegen hem: ‘Abba, weet u niet dat wij kwamen om u te zien in Troë en dat u ons niet wilde ontvangen?’ De oude man zei tegen hem: ‘Jij hebt brood gegeten en water gedronken, maar werkelijk, mijn zoon, ik heb water noch brood geproefd, noch ook neergezeten tot ik dacht dat jullie weer thuis waren, om mijzelf te straffen omdat jullie je door mij hadden geërgerd. Maar vergeef me, mijn broeders.’ Zo gingen zij vertroost heen.
Dagelijks plaats ik hier de woestijnvadertekst die ik deze dag voor de Lectio Divina gebruik. Ik ben niet van plan voortdurend commentaar erbij te gaan leveren, de teksten spreken meestal voor zichzelf. Als er echter onbegrijpelijke woorden of iets dergelijks in staan hoor ik het graag.
Reageren?