De heilige Bonifatius: een taaie rakker
zaterdag 14 november 2009

Zoals altijd kwamen er ook deze week weer de nodige mensen aan het hek om intenties op te geven. Eén van hen was een jonge vent die ik sinds kort wat vaker zie. ‘Broeder,’ vroeg hij mij, ‘wat zit er toch achter dat ovalen raampje?’ Hij wees op het venstertje in het Heilig Kruisaltaar. ‘Een stuk van het gebeente van de heilige Bonifatius,’ antwoordde ik hem. Ik zag aan zijn gezicht dat hij even diep moest nadenken.
‘Bonifatius, is dat niet die kerel die de Friezen hebben opgegeten?’
Zoals ik al eerder zei: sommige dingen die om te janken zijn zijn toch ook wel weer om te lachen…
Neergestorte aanbidding
zaterdag 14 november 2009
Een stukje van zes weken geleden dat om de een of andere reden was ‘blijven hangen:’

Vandaag tijdens de aanbidding van het Allerheiligste ontstond er een erg vrolijke, bijna feestelijke atmosfeer. Zoiets kan soms schijnbaar ‘zomaar’ en plotseling gebeuren, en dan word je van het ene op het andere moment ondergedompeld in het besef: Uitzicht op geluk, op welbehagen, op blijdschap in zijn meest pure vorm: dat is aanbidding natuurlijk óók.
In de kathedraal is er iemand die regelmatig Missen laat lezen ‘uit dankbaarheid voor het Liefdesmysterie van de heilige Drievuldigheid.’
Ik heb dat in cynischer buien wel eens een beetje truttig vroom gevonden.
Maar op zo’n dag als vandaag heb ik het gevoel dat ik er, doorheen het Sacrament, een vage glimp van op mag vangen en inderdaad stemt dat me dankbaar: aan de grijs- en grauwigheid waarin wij zo vaak rondploeteren knabbelt de warmte van het feest van die Drie, en op een dag zullen we erin opgeslokt en ondergedompeld zijn.
Je snapt het niet, maar een slechts een ogenblikje na zo’n glorieus moment zit ik me dan weer uitbundig te ergeren aan een spin die onder mijn ogen een web in de kromming van het altaar aan het bouwen is.
Voor mijn ogen een heerlijk Mysterie, aan mijn voeten een onbenullige ergernis. En ik heb mijn blik gericht op de ergernis.
Als ik de dwaasheid van die situatie besef proest ik het uit.
Niet dat ik het geen teleurstelling vind dat ik mijn aandacht weg heb laten zakken, niet dat ik daar geen schaamte over voel, en zeker niet dat ik trots ben op mijn gebrek aan concentratie. Maar de zwakheid van de menselijke geest is behalve betreurenswaardig in sommige opstellingen ook wel eens gewoon potsierlijk.
Zolang je maar weet dat het eigenlijk niet om te lachen is, mag je er best een keer om lachen.
Dat helpt trouwens ook niet zelden om je weer bij de les te krijgen.
Retraite in Ticino 2009
maandag 2 november 2009

Toen ik, ergens twee weken geleden, op het vliegtuig naar Lugano stapte, had ik een lastige reis verwacht. Ten eerste toonde de foto in mijn paspoort een fris kaalgeschoren Benedictijns tiepje (voor de insiders: Coupe Vaals,) terwijl ik er in persoon ondertussen uitzie als een zwarte jurk waar een woeste bos haar uitsteekt (een soort kruising tussen Gargamel en het koekiemonster, maar dan niet blauw.)
Nu moet je weten dat ik me elk jaar bij de luchthavenbeveiliging al sowieso ongeveer moest uitkleden, waarschijnlijk omdat men ervan uitgaat dat ook een terroristische islamiet een habijt aan kan trekken. Nu ik er meer dan ooit uitzie als een saoudisch woestijnspook, en bovendien niet meer lijk op mijn foto, had ik een stortvloed van genant gedoe aan zien komen.
Niets van dat alles. Misschien zag ik er zó onbetrouwbaar uit dat ze dachten: ‘Dat kan niet waar zijn.’
Mijn tweede zorg betrof het gewicht van mijn bagage. Normaliter pak ik ultra-light als ik naar het vadertje moet, omdat zijn kluis op een plek ligt waar je haast niet kunt komen. Ik citeer uit het verslag van mijn eerste reis naar het vadertje:
Vanaf het parkeerdek kwamen we in de steile straatjes van een typisch Italiaans dorp, geplaveid met natuursteen, fonteintjes op de hoeken, oude straatlantaarns. Na drie van die gangen had ik (twee koffers, één met nogal wat boeken) aardig lamme armen.
We waren het hele dorp doorgelopen toen het verder ging door pikdonkere weilanden, nog steeds steil omhoog. Het zweet liep met stralen mijn sokken in, mijn hart klopte in mijn hoofd. Ik was een spontane mariaverschijning zeer nabij (ik zag de sterretjes al) toen de pater stilhield. “We zijn er,” dacht ik dankbaar, “God zij dank!” Hij knipte zijn zaklamp aan, scheen op een paar ezels die ons loom aangaapten. “Kijk eens wat een prachtige dieren!” bromde hij, en zetter er de pas weer in.
Twee weilanden verder begon een indrukwekkend kastanjebos en verdween het pad onder gladde bolsters en kastanjes. Zaklamp tussen de tanden en klauteren maar. En bidden dat ik niet in het donker nasst het pad zou stappen, de afgrond in. In bochten en kronkels ploeterde ik achter de pater aan de berg op, glibberend en glijdend door de bolsterbraggel. Gelukkig had hij een tas van me overgenomen, ik weet niet of ik anders boven zou zijn gekomen. In de bochten zag je door de bomen in de diepte de lichtjes van Lugano glinsteren in het meer.
Vanwege het liturgisch overleg met de vader dat voor deze keer gepland stond was mijn tas zwaarder dan ooit, met grote mappen met schemata en commentaren. De tocht naar boven was dan ook verre van aangenaam, maar na een hoop geploeter was ik dan toch boven in plaats van beneden, wij danken God.
Het vadertje was, zoals altijd, blij om me te zien. Dat doet een mens deugd.
De eerste vijf dagen regende het pijpestelen, was het mistig en twee graden boven nul. Bovendien kreeg ik vader Gabriël amper te zien, omdat er net een zwartrokkenplaag was uitgebroken. De een na de andere geestelijke kwam hijgend de berg opgekropen met allerhande zorgen en ellende, om een luisterend oor te vinden, een beetje vertroosting en misschien wat goede raad. Kluizenaars schijnen het aan te trekken, ik hoor het van iedereen. Zelfs hier in Warfhuizen doet zich het zelfde fenomeen voor (alleen heeft het vadertje bisschoppen en abten, en ik vooral kapelaans en een enkele pastoor: verschil moet er zijn.) Aan de ene kant is het dankbaar dat deze beste mensen ergens terecht kunnen, aan de andere kant kan het verschijnsel heel ontwrichtend werken als er teveel tegelijk komen (wat nogal eens gebeurt,) zoals nu gebeurde in de kluis van vader Gabriël.
Enfin, ik moest mezelf dus de eerste dagen een beetje redden, en omdat ik ook niet naar buiten kon heb ik enorm veel gelezen. (Evagrius, zoals meestal wanneer ik in Ticino ben.)
De tweede vijf dagen hebben vader Gabriël en ik ons uitgebreid gebogen over het getijdengebed in Warfhuizen. Al jaren ben ik daaraan op details aan het schaven, omdat zich voortdurend problemen voordeden. Ik begon zo langzamerhand bang te worden dat het schaven nooit meer op zou houden. We hadden het er telefonisch al over gehad, en ik heb er hier ook al een paar woorden over geschreven, maar nu konden we er gedetailleerd en grondig naar kijken. Het Benedictijnse officie dat ik tot nu toe gebruikte is voor gemeenschappen bedoeld, niet voor kluizenaars. In een gemeenschap kunnen de taken die verricht moeten worden over meer monniken worden verdeeld, en ontstaat zodoende een heel andere dynamiek dan wanneer één persoon alles zelf moet doen.
De heilige Johannes Cassianus geeft een model voor het getijdengebed dat hij zelf leerde kennen bij de Egyptische woestijnkluizenaars. Het is primitiever en minder uitgewerkt dan het schema van Benedictus (het is ook nog weer 100 jaar ouder, uit de vijfde eeuw,) maar het vadertje gelooft dat het voor mij een de oplossing is. In Oktober heb ik met een ruwe versie ervan al proefgedraaid, en nu hebben we de puntjes op de i gezet. Vanaf ergens in deze eerste week van November (nadat alles is opgeruimd en er nog weer de nodige werkzaamheden zijn verricht) moet het nieuwe ritme aan de loop zijn.
Deze vorm van koorgebed wijkt enorm af van alles wat ik tot nu toe heb gedaan of zelfs maar gezien. Toen ik als knulletje van achttien in het seminarie voor het eerst getijden leerde bidden uit het Romeinse brevier was dat een variant op Benedictus. Alles wat ik in kloosters had gezien tot nu toe was Benedictus of een variant daarop. Metten, Lauden, Priem Terts, Sext, Noon, Vespers, Completen, het was altijd gesneden koek. Er kon wel eens iets van weggelaten zijn, of iets aan toegevoegd, maar de ruggegraat ervan was toch altijd hetzelfde. Dat maakt dit avontuur best wel angstig, want het schema van Cassianus gaat uit van twaalf Psalmen aan het begin van de nacht, en twaalf Psalmen aan het einde ervan. De lengte van het totaal is niet anders dan ik gewend ben, maar alles is meer samengepakt in twee lange ‘wakes.’ Door de dag heen wordt men ook geacht te bidden, maar niet door middel van Psalmgetijden. In mijn geval is daar natuurlijk de Sacramentsaanbidding, en verder het Jezusgebed.
Enfin, het lijkt te gaan werken. God beware mij.
Ik wil langs deze weg graag iedereen die in Warfhuizen heeft opgepast op de kluis gedurende mijn afwezigheid hartelijk bedanken.