Williamson en het nuchtere commentaar van Mgr. Kasteel
woensdag 4 februari 2009
Mensen zeuren mij op dit moment nogal aan mijn hoofd over de hele kwestie Williamson. Ik kan praten als Brugman, maar we schijnen hier weer eens te maken te hebben met een kwestie waarbij de ‘emoties’ de logica overschreeuwen.
Ik blijf maar aan de gang: ‘Ja, het is idioot en verdorven om de Holocaust te ontkennen, nee, de paus heeft deze bisschoppen niet ‘gerehabiliteerd,’ nee, ze kunnen dus ook absoluut niet spreken namens de Kerk,’ etc. etc.
Mensen die ik normaal bewonder om hun gezonde verstand schreeuwen nu moord en brand, iedereen is van de kook, en schijnbaar niemand heeft de moeite genomen om nou eens het decreet waar het allemaal om draait grondig te lezen.

In zo’n geval beroept men zich het best op de kalme nuchterheid van Mgr. Kasteel
(Om het geluidsfragment te starten klikt men op de link hierboven en vervolgens op het zwarte pijltje links in het midden.)
Sint-Gerlachusdag
dinsdag 6 januari 2009

Ik heb een hekel aan verplaatste feestdagen, zoals het feest van Epifanie dat we afgelopen zondag al vierden in plaats van vandaag. Nu is het zes Januari, en toch geen Epifanie. Dat is raar. Daar zou wat aan gedaan moeten worden. Het woordje ‘heilig’ betekent dat je er niet aan gaat knutselen. Dat zou dus ook op moeten gaan voor ‘heilige dagen.’
Hoe dan ook, vaak komt de verschuiving van Epifanie mij praktisch wel goed uit, omdat het op vijf Januari de dag van de heilige Gerlachus is, de grootste der Nederlandse kluizenaars. Zodoende beschouw ik hem als mijn patroon, meer nog dan Antonius (die ik trouwens ook bijzonder vereer, daar niet van.) Jammer genoeg is het vreselijk moeilijk een beeld of reliek van Gerlachus te krijgen, dus is er in de kerk niet veel van hem te bespeuren. Daarom vier ik zijn feest dan maar met alle uitbundigheid, zelfs met een soort officieus octaaf. Tot 11 Januari bid ik dagelijks zijn litanie, en lees ik uit zijn leven.
Hij was een woeste ridder, een mannetjes-man, zouden ze tegenwoordig zeggen. We hebben het over de twaalfde eeuw, en je moet je bij zo’n ridder niet veel galants of hoofs voorstellen. Een groffe vechtjas en zuiplap komt meer in de richting van de werkelijkheid. Ook Gerlachus hoorde bij dit slag. Maar hij had ook zijn zachte kanten, en de belangrijkste daarvan was dat hij zielsveel hield van zijn vrouw.
Hij was net druk bezig met een toernooi (middeleeuws equivalent van het tegenwoordige kooigevecht, maar dan met paarden) toen hij het bericht kreeg dat zijn vrouw plotseling gestorven was. Dat zette zijn wereld op de kop. Hij ging piekeren over de broosheid van het leven, over wat echt is en wat niet, hij bekeerde zich en trok zich als kluisbroeder terug in een holle boom.

Het boete-aspect van het kluizenaarsbestaan was voor Gerlachus erg belangrijk, gezien zijn verleden (we mogen aannemen dat hij in ieder geval de nodige gebroken botten en waarschijnlijk zelfs doden op zijn geweten had.) Zodoende mengde hij zijn brood met as en vastte grote delen van het jaar.
Gerlachus is een van die kluisheiligen die ons laten zien hoe veelvormig het kluizenaarsbestaan in de loop van de eeuwen is geweest. Hij bleef niet voortdurend in zijn boom, maar maakte dagelijks een bedevaart naar Maastricht, om het graf van de heilige Servatius te vereren. ’s Zaterdags ging hij naar Aken, waar het kleed van de heilige maagd werd bewaard.
Velen kwamen naar Houthem om de kluizenaar te raadplegen. Hij stond bekend om zijn eenvoudige gezond verstand, eerder dan om zijn theologische diepgang. In die zin is hij te vergelijken met sommige Russische poestniks. Evengoed telde hij graven en hertogen onder zijn geestelijke kinderen, en zelfs de heilige Hildegard van Bingen (zelf een meer dan hooggeleerde griet) had hij duidelijk wat te zeggen. Zij schonk hem het bloemenkroontje van haar professie.
Regelmatig had hij gedonder met jaloerse geestelijken - nihil novum sub sole - zowel wereldheren als koorheren van het stift Heinsbach. Zij beweerden dat hij zichzelf verrijkte en dat hij een berg goud onder zijn boom verborgen hield. Zij lieten de boom omkappen, waaronder niets anders gevonden werd dan de steen waarop hij zijn hoofd te rusten legde. Uit schaamte liet men daarop uit het hout van de boom een kluis en kapelletje bouwen.
Gerlachus stierf in 1165 of 1166, en ligt begraven in Houthem. De Norbertinessen lieten later een fantastische barokkerk over zijn graf bouwen, met een geweldig ontploft-boerenbarok-praalgraf. Hij is in veel streken de patroon van het rundvee. Hij is mij (zodoende?) dagelijks tot grote steun, en ik dank hem er hartelijk voor. Heilige Gerlachus, bid voor ons!
De eerste kerstweeën
zondag 14 december 2008

De Advent is een pregnante tijd - dat ligt voor de hand. Zo langzamerhand beginnen de voorbereidingen voor kerstmis merkbaar te worden. De boekjes voor de dorpszangdienst moeten worden gemaakt en zaterdag is de kerstboom in de kerk gezet. Morgen volgt dan de versiering.
Die kerstboom is trouwens veel groter en mooier dan andere jaren, met dank aan de familie Stiekema uit Kloosterburen. Alleen zat ik vanmorgen wel even te piekeren hoe ik nu in vredesnaam de piek erin moest krijgen. Gelukkig bracht een trap op de balustrade van de preekstoel uitkomst. Met één hand heb ik me vastgeklampt aan de trap, met de andere kon ik, wapperend en hengelend, de schaar net aan de top van de boom krijgen. Vervolgens heb ik op dezelfde manier de piek erop geprikt. Een heel circus, waarvan mijn bewaarengel ongetwijfeld ook erg genoten heeft.
Traditiegetrouw wordt ik op ‘kerstboomdag’ niet geholpen door de gebruikelijke vrijwilligers, maar door mijn moeder. We verheugen ons daar allebei elk jaar op. Eerst moet de boom worden opgetuigd, verder gaan we een guirlande van coniferengroen maken voor het clausuurhek, en dan moet de troep nog worden opgeruimd. Vooral op het ontwarren van de lampjes verheug ik mij elk jaar.
Heel dit gebeuren is wel wat aan de vroege kant, maar té vlak voor de kerst is ook geen succes, zoals we vorig jaar gemerkt hebben. Dan wordt het wel héél hectisch. Enfin, met het weghalen van het paars en het kleden van Onze Lieve Vrouw wacht ik wel tot het allerlaatste moment. Ook op het heremietenkoor wordt het pas kerst als het ook echt kerst is.
Vanaf woensdag is het o-antifonentijd (het laatste stukje van de Advent, met prachtige eigen liturgische muziek.) Die kan ik dan tenminste, als het goed is, zonder al teveel herrie en logistieke acrobatiek beleven.
Iedereen een zalige voortzetting van de advent!
(Het plaatje is van het zwangere genadebeeld van Onze Lieve Vrouwe van Quinau in Trutzhain. Leek me wel toepasselijk.)
Tir nan Og
woensdag 26 november 2008
De laatste jaren is het beeld dat we hebben van het hiernamaals nogal veranderd. Vroeger stelden de gelovigen zich een idealisering voor van wat ze kenden: groene heuvels, een nieuw Jeruzalem in een schitterend en twinkelend kleed van gotische pinakels en wimbergen.
Tegenwoordig is het hiernamaals nogal kaal. Er komt veel wit licht bij kijken, en allerlei emoties die uit het niets lijken te komen. Men spreekt van andere dimensies en het uitvloeien van het eigen ik in het ‘al.’ Als men probeert dat al te verbeelden komen er steevast nogal onnatuurlijke paarse en turquoise acryltinten aan te pas.
Ik kan met beide visies eigenlijk niet veel. Hoewel ik het verlangen naar een groene droom van een eeuwig voorjaar met een heldere hemel in heiige bloemengeuren nog wel kan begrijpen kan ik me niet voorstellen dat ik ooit in een keuken in het hemels Jeruzalem aardappels zal staan te schillen. Daarbij zou ik, geloof ik, op den duur gaan verlangen naar een mooie winterdag met een zonnetje en vijf graden vorst. En zulks zie je nooit in een Vlaams primitieve hemel.
Aan de andere kant kan ik nog minder met de abstracties waar men tegenwoordig mee strooit. Aan de ene kant gaat men zich bij de ‘modernen’ te buiten aan een verwijfde levensbeschouwelijke zoetigheid, en vermijdt men het om ook maar een snufje peper in de soep te roeren. En toch neemt men dan duidelijk wel genoegen met een ijskoude hemel waar nog geen mens dood begraven zou willen liggen, in kleuren die zo tegennatuurlijk zijn dat men er een eeuwigdurende hoofdpijn van zou krijgen.
De Bijbel spreekt niet over het hiernamaals in geuren en kleuren, maar blijft eigenlijk heel terughoudend. Niet op dezelfde manier als de mintgroene abstracties van de ‘modernen’ maar eerder zoals een ouder dingen aan zijn kinderen uitlegt waarvoor ze eigenlijk nog te jong zijn. ‘De schoot van Abraham,’ het ‘nieuwe Jeruzalem,’ het ‘huis van mijn Vader,’ het zijn allemaal beelden die met kracht een gevoel van thuiskomen en ‘erbijhoren’ overbrengen, maar ze zijn overduidelijk niet bedoeld om als concrete voorstelling te dienen.
Zijn beelden in deze überhaupt nodig? Ik denk het meestal wel. Ik denk dat er een geestelijke rijpheid bestaat die het hebben van enige voorstelling op dit gebied overbodig maakt. Ik denk ook dat bijna geen mens die rijpheid bereikt (al zijn er zat die het pretenderen, maar hun gedrag zegt meestal iets anders.) Ik denk wel dat je er, zoals bij elk ‘godsbeeld’ voor moet waken deze voorstellingen te laten verstarren tot onveranderlijke ‘gesneden beelden’ die verslaven in plaats van bevrijden. Maar zolang jouw ‘Jeruzalem’ in overeenstemming is met wat Jezus erover gezegd heeft en niet steeds hetzelfde blijft maar met je meegroeit, denk ik dat je het talent van je verbeelding bij de juiste bank hebt uitgezet.
Ikzelf denk bij de hemel altijd aan Ailsa Craig, wat nogal dwaas is. Ik neem eigenlijk aan dat het er bijna altijd rotweer is, want het is een eiland in de Firth of Clyde, aan de westkust van Schotland. Er groeit alleen gras, verder niks.
Maar het is van een afstandje zo mooi dat het je pijn doet aan je ogen. Zodoende kan het voor mij persoonlijk dienen als zinnebeeld van dat Andere waarvoor elke verbeelding tekort schiet.
En er is geen spatje mintgroen bij, wat een hele opluchting is.
Birgitta
woensdag 19 november 2008
Het afgelopen jaar heb ik een gedeelte van het ontwerpwerk gedaan voor de nieuwe site van de Birgittinessen in Uden. Dat vond ik een eer, en ik ben blij te kunnen melden dat het resultaat nu online is op www.abdijuden.nl Ik heb altijd iets gehad met de spiritualiteit van de heilige Birgitta, een van die middeleeuwse heiligen die goud wisten te spinnen uit de overweging van het lijden van de Heer. Bij mij in de kluiskerk zit in een van de reliekschrijnen een fragmentje van de tafel waaraan Birgitta haar visioenen opschreef. Het is een van mijn dierbaarste relieken. Ik bid de Birgittijnse rozenkrans graag, en ook het gebed ‘Mijn God, voor wie toch niets onmogelijk is, Gij die alles kan, schenk mij de kracht het goede te doen en daarin te volharden.’ Een dergelijke beknopte kracht is in mijn ogen een teken van grote geestelijke rijpheid.
Vaak proberen wij als wij bidden de goede God alles te vertellen en iedereen bij Hem, aan te bevelen. Op zich is dat natuurlijk lovenswaardig, maar we vergeten natuurlijk altijd van alles, en bovendien weet Hij alles al. Bidden draait niet om informatieoverdracht, maar om aandacht. Vergelijk het met de aandacht die geliefden elkaar schenken. Hun zoete woordjes bevatten geen echte informatie, geen enkele huishoudelijke mededeling. Het is de aandacht die ze elkaar schenken die het uitwisselen van dergelijke onzin zo kostbaar maakt. Bidden lijkt daarop.
Men zegt wel eens dat bidden eenrichtingsverkeer is, dat men wel tegen God kan spreken, maar dat Hij nooit iets terug zegt. Eigenlijk is het natuurlijk precies andersom: alles wat wij vertellen weet Hij al, maar stiekem komt zijn woordeloze Genade ons tegemoet, en is Hij het juist van wie de handeling uitgaat.
Maar Hij moet wel worden uitgenodigd. Hij neemt alleen de ruimte die jij Hem wil geven. Dat is bidden.
Monseigneur van den Hende
dinsdag 4 november 2008

Voor mannen die nadenken over hun roeping zou ik even de aandacht willen vestigen op dit filmpje van het bisdom Breda. Monseigneur van den Hende, de bisschop van Breda, spreekt daarin zo wat gedachten uit over roeping, in het bijzonder over de roeping tot het priesterschap.
Deze man is in mijn ogen een van de meest hoogstaande mensen die ik heb mogen leren kennen in de Rooms-Katholieke Kerk. Niet omdat hij charisma heeft, ook niet omdat hij een goede prater is, maar wel omdat hij echte aandacht en tijd heeft voor wie met hem in gesprek komt. Hier is een man die niet alleen weet te praten, maar ook te luisteren. Zodoende heeft hij, als hij dan spreekt, meestal iets te zeggen waar je wat aan hebt.
Ik zou er nog meer over kunnen zeggen, maar dat doe ik niet. Kijk nou maar naar dat filmpje.
Eremo Santa Croce 2008: St. Theresia (15 Oktober)
donderdag 23 oktober 2008
Mijn eerste volle dag bij de vadertjes was vooral heerlijk rustig. Het weer was lekker en ik heb een stevige wandeling gemaakt over de Alpenweiden in de buurt. Het uizicht op Lugano is spectaculair, en met mijn nieuwe Bijbel onder de arm was ik gewapend voor de strijd. Eigenlijk naar aanleiding van de lezing van Matthieu Wagenmaker op het Bootcamp in Augustus had ik het plan opgevat om Prediker nog eens rustig tegen mij te laten preken, waar het dan nu een mooi moment voor was.
Wat is dat toch een mooi boek, inhoudelijk, maar ook door zijn schoonheid. Ik zou er bijna zin van krijgen mijn Hebreeuws te gaan restaureren. Alleen vind ik dat zo’n lelijke taal. Soms denk ik wel eens dat de Heer het Joodse volk heeft uitverkozen omdat Hij met ontferming neerzag op dat erbarmelijke gerochel en gehakkel van ze, en ze er op de een of andere manier voor wilde compenseren. Het is net of ze stuk voor stuk twee pakjes Gauloises per dag roken. Ik dwaal af.
Prediker is een boek dat ik goed ken, ook omdat het een van de lievelingsbijbelboeken van mijn moeder is. Ze houdt van Prediker en heeft een hekel aan Sint Paulus. Dat vindt ze een nare man. Dat zei ze vroeger zelfs hardop onder het Bijbellezen na het eten. Dan schreef Sint Paulus weer eens iets dat haar niet aanstond, bijvoorbeeld dat vrouwen hun mond moeten houden in de kerk, en dan keek ze op en zei: ‘wat is die Paulus ook een rottig mannetje.’ Dan zeiden wij: ‘maar ma, zelf zit je ook altijd te zuchten als er een vrouwelijke dominee is.’ ‘Heeft er niks mee te maken! Ik moet die Paulus niet!’ en daarmee was dan alles gezegd. Inderdaad, mijn moeder is fenomenaal. Ze heeft vorige week een nieuwe hond gekocht… Ik dwaal weer af.

Prediker heeft het natuurlijk vooral over verhoudingen. De traag maar onherroepelijk verstijkende tijd die als een stoomwals voortrolt over een dampend hete strook asfalt vol bliksemsnel bewegende moleculen die allemaal van zichzelf vinden dat ze razend belangrijk zijn. Het onrustige mierenbultachtige gekrioel in verhouding tot het langzaam verglijden van de dingen (het zingen van de sterren, zouden sommigen zeggen. Doet me denken aan de muziek van Holst. Ik dwaal weer af.)
Dit hele gebeuren, en in het bijzonder het relatieve daarvan, komt je bijzonder beeldend voor ogen als je op een Alp zit met een hectische Italiaanse stad aan je voeten.
Alles heeft zijn uur, alle dingen onder de hemel hebben hun tijd.
Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om wat geplant is te oogsten.
Een tijd om te doden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen.
Een tijd om te huilen en een tijd om te lachen, een tijd om te rouwen en een tijd om te dansen.
Een tijd om stenen weg te gooien en een tijd om stenen te verzamelen, een tijd om te omhelzen en een tijd om van omhelzen af te zien.
Een tijd om te zoeken en een tijd om te verliezen, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te doen.
Een tijd om stuk te scheuren en een tijd om te herstellen, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken.
Een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd voor oorlog en een tijd voor vrede.
Wat heeft iemand dan aan al zijn werken en zwoegen?
Ik overzag de bezigheden die God de mensen heeft opgelegd om er zich mee af te tobben.
Alles wat Hij doet is goed op zijn tijd; ook heeft Hij de mens besef van duur ingegeven, maar toch blijft Gods werk voor hem van het begin tot het eind ondoorgrondelijk.
Daarom lijkt het mij voor de mens nog het beste vrolijk te zijn en het er goed van te nemen.
Als hij kan eten en drinken en genieten van wat hij met al zijn zwoegen bereikt heeft, is dat immers een gave van God.
Ik kwam tot het inzicht dat alles wat God doet voor altijd blijft: er valt niets aan toe te voegen en niets gaat eraf. God maakt dat de mensen ontzag voor Hem hebben.
Wat is, was tevoren al; wat zijn zal, is vroeger al geweest. God haalt wat voorbij is steeds weer terug.Prediker 3:1-15
Dagboek Eremo Santa Croce 2008: Nog even over de heenreis
donderdag 23 oktober 2008

Omdat ik mijn Bijbel vergeten was heb ik in Amsterdam (waar ik van de 13e op de 14e bij mijn broer Jesse heb gelogeerd) een nieuwe gekocht. Nergens was nog een Willibrordvertaling 1975 te krijgen, dus heb ik dan maar een NBV aangeschaft. Een mooie editie trouwens, dundruk, goud op snee met deuterocanonieke boeken (apart achter de rest van het Oude Testament, dat dan weer wel…) Daar heb ik dus dagelijks uit gelezen tijdens mijn verblijf in Ticino. Nu had ik een hoop slechts gehoord over de NBV, en van mensen die het kunnen weten, maar vergeleken met de Willibrord 95 is het een verademing (natuurlijk is bijna alles een verademing vergeleken met de Willibrord 95, maar enfin.) Het is wel even wennen aan al het gejij en gejou, en persoonlijk vind ik het ook een verarming dat de eerbiedsmajuskels zijn verdwenen, maar verder viel het me alleszins mee.
Tijdens het reizen door de randstad viel het me weer eens op hoe geïsoleerd de mensen overkomen met MP3-oordopjes in en hun telefoons die wel vastgegroeid lijken te zijn aan hun hoofden. De beschaving gaat er niet op vooruit. Dat vond Jesaja ook:
Zie neer vanuit de hemel, kijk vanuit uw heilige, luisterrijke woning, waar zijn uw strijdlust en uw machtige daden? U bent niet meer met mij begaan, uw ontferming gaat aan mij voorbij. U bent toch onze Vader? Abraham heeft ons niet gekend, en Israël zou ons niet herkennen, maar U, Heer, bent onze Vader, van oudsher heet U onze Beschermer. Waarom, Heer, liet U ons afdwalen van uw wegen? Waarom hebt U ons onbuigzaam gemaakt, zodat wij geen ontzag meer voor U hadden? Keer toch terug omwille van uw dienaren, van de stammen die U toebehoren. Sinds kort hebben onze vijanden uw heilig volk in hun macht gekregen en uw heiligdom vertrapt. Het is alsof U nooit over ons hebt geheerst, alsof uw Naam nooit over ons is uitgeroepen. (Jes.63:15-19)
Dat was geen vrolijke boel, maar gelukkig was het niet alleen maar ellende wat de klok sloeg. Amsterdam is een prachtige stad, vooral in de zon, en enkele ouderwets laconieke en uitbundige Amsterdammers maakten mijn dag toch wel weer vrolijk met hun mallotige gedrag. Bovendien daagde aan de horizon mijn verblijf bij het vadertje op de berg. Ik zie op naar de bergen, in mijn geval is daar altijd hulp te verwachten! (Zeer vrij naar Psalm 120.)
Ten 4 oft ten 5 uren naer advenant dat sy smorghens opstaen als voorsydt is…
zondag 12 oktober 2008

Met het oog op de professie wordt van heremieten doorgaans verlangd een persoonlijke leefregel te schrijven. Omdat we nu eenmaal niet allemaal Columbanussen en Benedictussen zijn is zo’n regel meestal gebaseerd op de traditie waarin de betreffende kluizenaar zich gesteld weet. Voor mij is dat dus de Nederlandse traditie, waarvan gelukkig de nodige regels zijn overgeleverd.
Zodoende ben ik al langere tijd bezig met het opzoeken en proberen te doorgronden van oude kluizenaarsregels uit de Nederlanden. Het is verbazingwekkend wat een diversiteit aan regels en constituties bij elkaar geschreven is in de loop van de jaren. Sommige zijn gortdroog en gaan alleen over materiële zaken. Andere beginnen met een beroep op de oude kluizenaars in de Egyptische woestijn. Ze hebben wel allemaal gemeen dat het redelijk nuchtere teksten zijn, zonder hoogdravende formuleringen, uitgebreide Bijbelcitaten of opzwepende stichtelijkheden. Ideaal eigenlijk. De echte regel is immers altijd het Evangelie. De andere zijn er voor als het op huishoudelijk vlak verkeerd gaat. Voor de ordentelijkheid, zogezegd.
Toch is het een spiritueel verrijkende bezigheid om je onder te dompelen in de mentaliteit van je voorgangers, en voor de liefhebber ook een onderdompeling in de tijd dat spellen nog een creatieve bezigheid was. Overbodig te stellen dat ik een liefhebber ben.
Om jullie mee te laten genieten geef ik hier de transcriptie van een van de (wat de taal betreft) fraaiste voorbeelden van zo’n tekst:
Maniere van regulier leven in onse eremitagie van Reynroode
Ten eersten
1. Onse beminde broeders van onse derden regel in dit godtshuys sullen aendachtelyck lesen ende heerlesen, iae van buyten sien te leeren de pracktelycke onderwysinghen int lanck uytgedruckt in de afbeldinghe van onsen derden reghel in den 1. artickel fol. 200 ende in den 11. artickel fol.208.
2. Sy sullen van Paeschen tot den feestdagh van alle Godts lieve heylighen apstaen ten 4 uren smorghens ende van Alderheylighen tot Paesschen ten 5 uren, een quartier urs van te voren gheweckt synde, vlytelyck naer ’t oratorie gaende om aldaer den opdracht van hunne wercken ende directie der selve voor den geheelen dagh te doen naer de pracktycke hiervoren aenghewesen.
3. De engelsche groetenisse ten 4 oft ten 5 uren naer advenant dat sy smorghens opstaen als voorsydt is, gheklipt synde, sullen sy een half ure mediteeren op de maniere die ieder van te voren sal berydt hebben ofte voorgelesen sal worden.
4. Naer de meditatie sullen sy choorgewys devotelyck lesende mettenen ende lauden van ’t officie van onse lieve vrouwe volgens het ghebruyck onser orden met de priemen, sluytende met de litanien van den soeten name Jesus.
5. Daer naer sal sigh eenjeder op syne kamer vertrecken, de selve opschickende suyver ende net onderhouden, ghelyck het betaemt aen eene heylighe plaetse ende daernaer sal ieder sich met oprechten iever begheven tot het hantwerck dat aen ieder door de ghehoorsaemheyt sal bevolen of opgleyt syn.
6. Tquartier voor den elf uren sal ieder sich vertrecken naer syne celle ende ten elf uren teecken gegheven synde, naer het oratorie gaen om de tertien, sexten ende nonen met de ander te lesen, sluytende met de litanie van den H. Joseph. Op feestdaghen sullen de voorseyde getyden oft een van die voor de hooghmisse gesongen woorden ende naer de selve, de litanie van den H. Joseph gelesen.
7. Naer de getyden sal men naer den refter luyden alwaer een ieder met danckbaerheyt sal nutten t’gene hem voor gestelt sal woorden, voor ende naer den eten lesende een punctien uuyt eenen geestelycken boek.
8. Naer den eten sullen sy eene uure t’samen moghen spreken van gestichtighe oft ten minsten van indifferente saecken, behalven in den vasten ende in den Advent, als wanneer sy dien tydt sich in hunne celle oft andersints sullen besigh houden.
9. Ten een uren teecken gegheven synde, sal een ieder sich tot syn hantwerck begheven.
10. Tquartier naer den vyf uren sal ider sich naer syn celle vertrecken ende ten half ure ses, teecken gegheven synde, naer het oratorie gaen om de vesperen ende completen te leesen met de litanie van alle heylighen sluytende met het singhen van den Salve Regina oft Regina Coeli geduerende den tyd van Paesschen.
11. Daer naer teecken gegheven synde, sullen sy naer den refter gaen op de maniere als voorseyt is, in der middagh vastendagh synde en sal de recreatie maer een half ure dueren ofte en sullen gheene nemen volghens de oude practycke van t’godtshuys. Op den tydt die daer overschieten sal vertreckende sich naer hunnen cellen ende aldaer iet godts lesende.
12. Ten 8. uren s’vonds teecken gegheven synde, sal ieder spoeden naer t’oratorie ende eene halfure meditatie gehouden hebbende, sullen sy, voor de preces oft avontgebedt lesen de litanie van onse lieve vrouwe, daernaer doende het ondersoeck hunder consciëntie tot het teecken van den president, wiens benedictie ontfanghen hebbende, sal ieder sich in stilte vertrecken naer syne celle ende aldaer sich besigh houden met iet godt te lesen totten neghen uren toe, als wanneer teecken gegheven synde, sal een ieder syn licht uytdoen ende sich tot de ruste begheven sonder dat iemandt langher sal moghen waecken sonder expressen oorlof van den president.
13. Sy moeten sich den geheelen dagh door met ghewennen veel te spreken, iae soo veel als het ghevoeghelyck geschieden kan niet spreken sonder reden oft eenighen noodt, hunne wercken in stilswygentheyt doende opdat die Godt ende syne Lieve Moeder te beter behaeghen moghen ende sy die in den geest doen moghen.
14. Sonder grooten noodt en sullen sy niet spreken voor de priemen nochte oock ts’avonds naer het ghebedt.
15. Ghemerckt dat den gheest van onse H. orden principaelyck bestaet in dagh endenacht te mediteren in de wet des heeren ende te waecken in ghebeden, sullen onse broeders de eensaemheyt besonderlyck beminnen ende die sorghvuldelyck beoeffenen soo vele als de gehoorsaemheyt ende gelegentheyt sal toelaeten.
16. Om de eenigheyt te beter te bewaeren en sullen onse broeders niet uytgaen sonder wettighe reden by den president geapprobeert ende niet sonder expressen oorlof van den selven nochte oock op eenighe plaetsen gaen, nochte eenighe affairen ondernemen dan naer de schickinghe van den selven.
17. Sy sullen onder malcanderen converseren als broeders, malcanderen eerende ende respecterende in alle liefde ende minsaemheyt als voorder uytgedruckt is in de practyckelyke afbeeldinghe van den derden regel die sy geduerigh moeten aendachtelyck lesen om hunnen handel ende wandel binnen ende buyten naer advenant aen te stellen.
18. op feestdaghen sullen sy de getyden singhen naer het gebruyck van t’godshuys, sigh oock daer naer voeghen int bichten ende communiceren.
19. Sy en sullen int minste niet eyghens hebben maer alles ghemyn soo dat door den president aen ieder sal uytgeryckt worden dat hem sal behoeven inghesien den ouderdom ende noodsaeckelyckhydt van ieder.
20. Ghemerckt dat naer den inhoudt van onsen H. Reghel naer het goedtduncken ende schickinghe van eenen alles datter te doen ismoet ghedaen worden, soo moeter altydt iemant van ulieden van den seer eerw. p. provinciael tot president oft oversten gestelt woorden aen de welcke den last van de andere opgheleyt zy met administratie int tydelyck ende int gheestelyck.
21. Dien den welcken den last sal ontfanghen hebben, sullen de andere broeders ootmoedelyck eeren ende aen hem gehoorsaemen in alles volgens den regel ende statueten van den derden regel.
22. Den president sal alles saterdaghen smorghens naer de priemen capittel houden int welcke de andere broeders aen hem hunne schult sullen oodtmoedelyck bekennen over die fauten die sy die voorgaende weke sullen bedreven hebben ende de verbeteringhe die hy naer discretie sal doen, gheerne ontfanghen ende waernemen ende de penitentie die hy middelende de liefde sal oplegghen, volbrenghen.
23. Den president sal alle jaeren aen den Eerw. p. provinciael in de visite oft andersints naer syne schickinghe rechtsinnighe rekeninge gheven van den ontfanck ende uytgeef van gheheel het jaer.
Desen weck is heyligh, wandelt in den selven
loco sigillo
Is gheteeckent
F. Sebastianus a Sancto Paulo provinciael van Onse L. Vrouwebroeders der nederlandsche provincie
Professie van onse broeders in het Godtshuys van Reynroode
Icke broeder N.N. doen myne professie ende beloove ghehoorsaemheyt ende suyverheyt als ook in aermoede te leeven volghens de statuten van dit godtshuys, aen godt almachtigh ende aen d’Alderheylighste Maget Maria des Berghs Carmeli ende aen den eerweerdighsten pater N. generael van d’orden der Carmelieten ende aen syne naecomelinghen naer den regel van de derde orden der selver alderheylighste Maghet Maria des berghs Carmeli totter doodt toe.
Was geteeckent
F. Sebastianus a Sancto Paulo provinciael van Onse L. vrouwebroeders der nederlandsche probincie.
Boxmeer, Nederlands Carmelitaans instituut, dossier Reinrode
Natuurlijk zijn dit soort teksten niet integraal over te nemen in deze tijd, maar de essentie ervan is toch heel bruikbaar. Wel moeten er passages aan worden toegevoegd over, ik noem maar wat, het gebruik van internet en bepaalde zakelijke 21e eeuwse prozaïsche toestanden. Ook is bijvoorbeeld deze regel geschreven voor een instituut dat niet onder het diocees, maar onder de Karmelieten viel, wat dus in de regel voor Warfhuizen anders zal moeten. Dat sullen wy dan oock ootmoedelyck, middelende de liefde, aendachtelyck doen.
Bootcamp: de eerste dag - Sint Monica
maandag 1 september 2008
We hadden een programma samengesteld dat zo evenwichtig mogelijk in elkaar zat, al waren er wel enige wijzigingen op het laatste moment noodzakelijk. Priesters uit verschillende hoeken van de Kerk waren uitgenodigd om te spreken. Daarbij varieerden de achtergronden van de Petrusbroederschap tot de gemeenschap Emmanuel en van een seminarieprofessor tot een eenvoudige Brabantse dorpspastoor.
De eerste beurt was aan Matthieu Wagenmaker, rector van het heiligdom van Onze Lieve Vrouwe ter Nood in Heiloo. Wat is dat toch een begenadigde spreker!

Hij sprak over het katholiek zijn als jongere in deze tijd, waarbij hij de deelnemers de milde gelijkmoedigheid van prediker ten voorbeeld stelde. Met een voelbare liefde voor de Heilige Schrift las hij ons de laatste twee hoofdstukken voor. Hij waarschuwde voor de gebruikelijke valkuilen van fracties en partijtjes, het of/of denken dat bij uitstek niet katholiek is. Het ‘katholische und” zeggen ze in mijn vriendenkring vaak: de ruimte van een Kerk waar charismaten, Franciscanen, Focolarini, Augustijnen, Carmelieten en zelfs Nederlanders elk met een totaal ander levensgevoel toch samen katholiek kunnen zijn. Er kwam nog veel meer voorbij, er werd rijkelijk geput uit oud en nieuw, Schrift en traditie.
Een lesje over gewoon katholiek zijn dus, gegeven met mildheid, humor en ware begeestering.
’s middags zou het de beurt zijn aan vader Meletios Webber van de Russisch-orthodoxe Kerk in Amsterdam. Hij zou komen spreken over het Jezusgebed, maar werd vlak voor het Bootcamp door een groot orthodox klooster gekaapt en tot abt gebombardeerd. De twee paters van de Petrusbroederschap die de zorg hebben voor de Agneskerk in Amsterdam boden spontaan aan hem te vervangen. Zij gaven een praktische inleiding over de buitengewone vorm van de Latijnse ritus, met wat summiere theoretische achtergrond erbij (die zeer Thomistisch-technisch was, maar enfin, dat hoort een beetje bij hun achtergrond.) Dit alles is de volgende dag, toen de Mis gecelebreerd werd in de buitengewone (Tridentijnse) vorm, van onschatbare waarde geweest voor het begrip van de deelnemers voor de ritus. Ondertussen valt het op dat de paters in niets lijken op de strenge zwarte kraaien waarvoor ze zo vaak worden versleten: ze stonden open voor moeilijke vragen en stelden zich bijzonder toegankelijk op. Vooral pater Knudsen heeft een zeer bescheiden uitstraling die het bijzonder makkelijk maakte voor de deelnemers om ook de gevoelige vragen zonder schroom te durven stellen.

