Het lijkt erop dat deze klassieker helaas ook dit jaar weer heel toepasselijk wordt:

Gekomen is uw lieve Mei, Maria!
Met kou en regen en storm erbij, Maria!
Als de meiwind aan komt waaien
vliegen de koeien en ook de vlaaien.
Ave, ave Maria!
Gekomen is uw lieve Mei, Maria!

‘K wou wat bloemen plukken gaan, Maria!
Die op uw altaar kunnen staan, Maria!
‘K ben nog niet weg gegaan of kijk!
‘K zit op de toren van Zuurdijk!
Ave, ave Maria!
Nu zit ik in de storm te prijk, Maria!

Het regenwater drijft ‘t gediert, Maria!
Al naar de kerk al op de wierd, Maria!
‘K zit met katten, koeien, hanen,
zeshonderd vlooien en zeven zwanen,
Ave, ave Maria.
Uw kerk was nooit zo mooi versierd, Maria!

Gekomen is uw lieve Mei, Maria,
Daar waait mijn kliko net voorbij, Maria!
Zoals je nu de hagel hoort,
hagelt het tot Sint-Maarten voort,
Ave, ave Maria
behoed ons liefelijke oord, Maria!

De heilige Bonifatius: een taaie rakker

zaterdag 14 november 2009

Zoals altijd kwamen er ook deze week weer de nodige mensen aan het hek om intenties op te geven. Eén van hen was een jonge vent die ik sinds kort wat vaker zie. ‘Broeder,’ vroeg hij mij, ‘wat zit er toch achter dat ovalen raampje?’ Hij wees op het venstertje in het Heilig Kruisaltaar. ‘Een stuk van het gebeente van de heilige Bonifatius,’ antwoordde ik hem. Ik zag aan zijn gezicht dat hij even diep moest nadenken.

‘Bonifatius, is dat niet die kerel die de Friezen hebben opgegeten?’

Zoals ik al eerder zei: sommige dingen die om te janken zijn zijn toch ook wel weer om te lachen…

yada-yada-yada, falderalderie, troelala

zaterdag 3 oktober 2009

Ik heb hier de laatste maanden maar weinig geschreven.

Gedeeltelijk komt dat simpelweg omdat ik mijn tijd aan andere dingen heb besteed. Ik heb meer dan anders gelezen (o.a. Jung, Cassianus, Evagrius, Bunge, Ytsma,) en brieven geschreven (op papier, met een pen.) Verder zijn mijn middagen tegenwoordig anderhalf uur korter vanwege de Sacramentsaanbidding (wat een zaligheid, trouwens, vergeleken met aanbidding om 6.30!) en is er ook het gewone gedoe met het bijhouden van kerkhoven, het vermoorden van bereklauwen, het dweilen van vloeren, het omruilen van zakdoeken, het verven van altaren, het stijven van dwalen, het strijken van verkreukelde zwartrokken, enzovoort, enzovoort. Dan heb ik het nog niet over het koorgebed gehad (waarover in het begin van November meer.)

Toch is dat niet alles. De belangrijkste reden dat ik mij hier de afgelopen maanden maar nauwelijks heb gemeld is dat ik, eh, een beetje sprakeloos was.

De reden dat ik weinig schreef was dat ik, eeh, gewoon niet zoveel te zeggen had.

Nu weet ik wel dat al die bytes en bits niks kosten. Het is geen printerinkt of zo. Maar als ik onzin schrijf gaan driehonderd mensen per dag die rotzooi lezen in de hoop iets zinnigs op te doen of minstens een glimlach. En aan het eind van zo’n stukje komen ze dan tot de ontdekking dat ze hun tijd hebben verdaan. Tijd waarin ze ook hadden kunnen koperpoetsen, nagelbijten, krantlezen, rozenkransbidden of gootsteenontstoppen.

Als leuteren net zo duur was als printen zou de wereld beter klinken, denk ik.

Nou ja, vandaar dus.

De tyrannie verdrijven…

vrijdag 31 juli 2009

Jaren hebben wij katholieken in stilte geleden, hebben afgezien en die vieze gesuikerde protestantse smurrie gepruimd, ja, om eraan te ontkomen hebben we zelfs ketchup bij onze frieten gegeten (goddank is er het Sacrament van de biecht!) maar NU IS HET GENOEG!

Ik ben in mijn uiterste wanhoop dan maar in de hogere alchemie gedoken en tot mijn vreugde kan ik u melden: het is gelukt! (vals Heksengelach)

Tot heil van het fatsoen en redding van elke normale persoon die het ongeluk heeft zich te ver benoorden de Vlaamse grens te bevinden om echte mayonaise te kunnen bemachtigen zal ik dus hier het geheim onthullen.

RECEPT VOOR ECHTE (LEES:KATHOLIEKE) MAYONAISE

Benodigdheden:

  • een kwart liter arachideolie of maïsolie (geen olijf-of zonnebloemolie)
  • Een eierdooier
  • Citroensap of azijn (citroensap is katholieker en dus beter, azijn rijmt niet voor niets op Calvijn!)
  • Peper en zout
  • Mosterd (Zogenaamde Franse, geen Zaanse)
  • GEEN SUIKER

Scheid het ei en doe de dooier in een kom. Giet daar een beetje citroensap bij en een beetje van de olie. Ook kun je nu al een afgestreken eetlepel mosterd toevoegen. Klop het geheel met een garde. Het begint al gelijk op mayonaise te lijken (als er in plaats daarvan een arm met groene schubben uit de kom komt die je probeert te wurgen heb je ergens een Hollands (lees: protestants) ingrediënt gebruikt: in dat geval wijwater toevoegen, in brand steken, met de schop uitslaan en overnieuw beginnen.) Giet onder het kloppen steeds een beetje olie bij. Breng de mayonaise op smaak met peper en zout en eventueel meer citroensap.

Dweilorkest

vrijdag 19 juni 2009

Van alle landen in het ondermaanse is Nederland misschien wel het allerondermaanst. Daarom heet het natuurlijk ook Nederland. Logisch.

Ook de mensen in Nederland zijn ondermaanser dan andere ondermaanse mensen. Dat heeft tot gevolg dat ze niet bepaald bekend staan om hun religieuze genie.

Dat is ooit anders geweest. In de zogenaamde middeleeuwen kropen hier hele generaties grote mystici uit de klei. Hadewijch en Dodo, Ruusbroec en van Kempen bestormden vanuit de Nederlanden de hemel. Van de hemel is hier immers genoeg, omdat al het andere plat is.

Enfin, zo werkt het niet meer. Hoeveel hemel er in Nederland ook is, veel Nederlanders ziet het niet meer, en willen het klaarblijkelijk ook niet zien. Zij stáán niet alleen met beide benen op de grond, maar klampen zich er ook aan vast, alsof heel dat ruime blauw boven hun hoofden beangstigend is, omgekeerd, diepte in plaats van hoogte.

Misschien is het ook wel daarom dat zij geschokt reageren als zij in hun eigen platte modderland een plaats ontdekken waar hemel en aarde elkaar raken en zich met elkaar vermengen. Een heilige plaats noemen wij mensen dat. Elke simpele parochiekerk is in essentie zo’n plaats.

In de afgelopen decennia heeft men nogal eens geprobeerd dergelijke plaatsen van elk mysterie te zuiveren, huiselijk te maken, de hemel terug naar boven te jagen. Zodoende zijn heilige plaatsen in ons land zeldzaam geworden, of tenminste vaak niet meer als zodanig herkenbaar.

In Warfhuizen hebben wij altijd ons best gedaan van de kluiskapel een echt heiligdom te maken, de ruimte te geven aan het heilige. Dat dat gelukt is (zelfs nog een beetje meer dan oorspronkelijk de bedoeling was,) merken we aan het bezoek van allerlei mensen die juist wel op zoek zijn naar een plek waar de grenzen tussen hier en hierna wat minder scherp zijn te trekken.

Als deze mensen mij aanspreken prijzen ze mij vaak gelukkig. ‘Om op zo’n plaats te mogen wonen!’ En ze hebben gelijk: de meetsnoeren zijn mij in een lieflijk oord gevallen.

Aan de andere kant ervaar ik deze plaats natuurlijk niet op dezelfde manier als zij. Ik ben hier dagelijks, ik ben gewend aan deze sfeer. Ongeveer zoals de Drent niet meer opkijkt van een bos meer of minder, en de Limburger zich niet meer verwondert over de schoonheid van zijn heuvels, zo moet ik soms echt even een ogenblikje stilstaan om mij werkelijk bewust te worden van de bevoorrechte atmosfeer van deze plaats.

De grap is, dat ik er nog het meest door wordt opgetild wanneer ik bezig ben met hele gewone, huishoudelijke dingen.

Zoals dweilen, bijvoorbeeld.

Als ik met mijn emmers en zwabbers de trapjes naar het heremietenkoor opklauter, de wolken damp-met-groene-zeep uit de emmers opstijgen en zich vermengen met de oude wierooklucht, dan ontstaat er soms een heel bijzondere stemming. Juist de eenvoudige dingen met aandacht verrichten en niet vooruitkijken naar het einde ervan kan soms meer doen dan duizend weesgegroetjes.

Als dan de zwarte stenen vloer steeds natter wordt tekent zich in de diepte een andere kerk af, dezelfde als boven, maar donkerder en helderder tegelijk.  Als een vochtige bries draait, zwiert en zwaait mijn mop over de tegels en door die andere kerk, alsof je met je zwabber in een andere dimensie staat te porren. De gipsen heiligen zien er met welgevallen op toe dat het ernst blijft met de eenvoud, en dat al het ernstige eenvoudig wordt. Zalig de armen van geest, want zij zullen God zien. Geprezen zijt Gij, Vader van hemel en aarde voor al die dingen die de wijzen en verstandigen niet zien, maar die heel gewoon zijn voor kinderen, zotten en simpelen. Een stil muziekje bij een mooi werkje. Een dweilorkest.

De mooie foto’s zijn van Marjo Antonissen

Allegoritis Accutus Flagrans

woensdag 1 april 2009

1. Hoe het begon

Ergens aan het einde van de nacht droomde ik levendig.

Zonder aanleiding was ik plotseling in een schaars verlichte zaal met steil aflopende tribunes, zo steil dat de ruimte aan een trechter deed denken, of aan een amfitheater - maar dan steiler - of aan een overdekte krater van een vulkaan (maar dan met overal gestuukte guirlandes en halfzuilen.)

Op de ovale bodem van de trechter stond een rechthoekige boksring. De tribunes zaten stampensvol volk, dampend van onrust en verwachting.

Het publiek was divers, een bont mengsel naar sekse, leeftijd, mate van beschaving en zelfs, nou ja, mate van menselijkheid. Ik zag kleine mannetjes met bulten als van kamelen, vrouwen als bonenstaken met voelsprieten die uit hun billen groeiden, ja zelfs een zwarte, nat glimmende hagedis met een spoiler op de rug.

Toch waren er ook genoeg heel gewone aardbewoners zoals registeraccountants, heilssoldaten en kauwgomkauwende bakvissen.

Zoals gezegd beheerste gespannen verwachting de tent. De aanwezigen praatten allemaal druk door elkaar, zodat het geroezemoes oorverdovend was.

Het werd echter van het ene op het andere moment stil toen de scheidsrechter en de beide partijen de ring betraden.

De kampioenen waren twee vrouwen.

Aan de ene kant (voor mij links) stond een magere schooljuffrouw in een vormeloze grijsgestreepte jurk. Ze droeg een wit kanten mutsje en een eiervormig brilletje. Aan de andere kant blikte een volslanke schone in een blauwe peplos met een waaierende bos krullend rood haar vrolijk het publiek in.

De scheidsrechter zag eruit alsof hij uit een zeventiende-eeuws Hollands schuttersstuk was ontsnapt. Alleen droeg hij geen kanten plooikraag, maar een kleurig vlinderdasje.

Hij schraapte zijn keel, keek een beetje wazig en afwezig en ook een beetje triestig en teleurgesteld in het rond en zei op droge toon:

‘Hier vanght aen den strydt tusschen mejoffer Raatsie en mejoffer Imago’

Hij schudde afkeurend zijn hoofd.

‘De werelt is een rauw toneel, men deelt kletsen uyt en verkrygt er oock veel,’ voegde hij er nog aan toe.

Ik tikte mijn onderbewustzijn op de arm en vroeg het of de scheidsrechter soms Cats of Vondel moest voorstellen. Natuurlijk zei het - naar zijn aard - niets terug. ‘Je hebt wel mooi zijn strikje verkeerd,’ zei ik nog, maar mijn onderbewuste haalde slechts de schouders op.

Daarop trok Vondel (of Cats) aan de bel en zei - met  een slechts zeer beschaafde mate van stemverheffing - ‘Den eersten ronde!’ Het publiek begon hartstochtelijk te juichen en te klappen.

2. De eerste ronde

Ik had nu iets erg ordinairs verwacht – er stonden immers twee vrouwen in een boksring – maar in plaats daarvan nam de schooljuffrouw slechts haar brilletje van haar neus en begon op een van de poten ervan te zuigen. De roodharige schoonheid aan de andere kant zette haar handen in de zij en sloeg, zodoende gelijkend op een amfora, de blik geïrriteerd ten hemel.

Na een ogenblik nam de grijze onderwijzeres haar bril uit de mond en sprak:

a^2 + b^2 = c^2\,

Het publiek begon zacht te murmelen. In mijn eigen directe kring zag ik mensen (en anderen) elkaar vertwijfeld aankijken en de schouders ophalen. Ik hoorde een begin van Boegeroep, maar het kreeg niet de kans om op sterkte te komen. Beneden in de ring begon de roodharige schone – Mejoffer Imago, naar ik vernam – namelijk uitbundig te giechelen.

Ze nam uit haar buideltasje een potlood en tekende een volmaakt rechthoekige driehoek in de lucht, die daar doorzichtig als gegraveerd in de lucht een ogenblikje stil bleef hangen en daarna langzaam rond begon te draaien. Hij maakte een klingelend muzikaal geluidje.


Mejoffer Imago giechelde nogmaals en tikte met haar potlood tegen de zwevende driehoek. Die draaide steeds sneller rond en begon zich als een wortelstelsel of een rivierdelta te verdelen in lichtende lijnen.

Voor de ogen van het uitzinnige publiek vormden zich uit de lijnen straten, pleinen en tempels. Ikzelf herkende het paleis van Knossos, het Parthenon, de bibliotheek van Celsus en de basiliek van Maxentius, maar er waren ook vreemder en uitzinniger gebouwen bij, in stijlen die ik nog nooit had gezien. Iedereen juichte.

‘Kijk!’ schreeuwde mijn buurman (een blauwe Drentse herdershond wiens oren waren vervangen door uitklapbare richtingaanwijzers uit de jaren vijftig,) ‘het Alcazar van Bzlob-Beljuuk!’ ‘Werkelijk?’ vroeg ik hem. ‘Zie je dat niet dan?’ vroeg hij hoofdschuddend.

‘Kan het even wat minder?’ vroeg ik mijn onderbewuste.

Ondertussen was Mejoffer Raatsie in alle staten. Stampvoetend van verontwaardiging schreeuwde zij het uit:

 (a+b)^2 = 2ab + c^2\,

riep zij, maar niemand sloeg acht op haar.

a^2 + 2ab + b^2 = 2ab + c^2\,

riep zij nog harder, maar het hielp allemaal niets.

Mejoffer Imago zwaaide ondertussen triomfantelijk met haar hoofd, zodat heur haar als een rode wolk het volk een waas voor ogen vormde. Zij boog gracieus naar alle windstreken, waar zij van alle tribunes hartstochtelijk werd toegejuicht.

Scheidsrechter Cats (of Vondel) trok aan de bel en verhing de scorebordjes. Het punt ging naar Mejoffer Imago.

3. Pauze

Schijnbaar was het nu tijd voor versnaperingen en de onderlinge uitwisseling van indrukken..

Bij mijn directe omstanders was Mejoffer Imago duidelijk de favoriet. ‘Wat een godin!’ riep de blauwe hond met de richtingaanwijzers uit. ‘Ongeëvenaard!’ luidde het oordeel van een magere Sidonia in een pandjesjas. Haar voelsprieten piepten nieuwsgierig en opgewonden tussen de pandjes door.

Alleen de zwarte natte hagedis met de spoiler was duidelijk een andere mening toegedaan. ‘Dit eindigt nog heel anders dan u denkt,’ zei hij met schrille stem.

Allen zetten zich neer terwijl paarse obers met versnaperingen rondgingen. Vreemd genoeg kon men alleen kiezen tussen mangosap van de Höttikrötten en wodka uit ’s-Hertogenbosch.

Toen ik een glas sap van een dienblad wilde pakken kuchte er iemand van achteren in mijn rechteroor. Ik draaide mij om en het bleek de panlatterige vrouw in de pandjesjas te zijn. Ze rook sterk naar amber. ‘Dat reptiel heeft gelijk, weet u. Het loopt niet af zoals het begonnen is. En pas op met dat sap. Het is koppig spul.’

Ik besloot om dan maar af te zien van de aangeboden verfrissingen en mij te concentreren op mijn broodje hazelnootwortels.

4. De tweede ronde

Vondel (of Cats) beklom het trapje naar de ring en schraapte zijn keel. Onmiddellijk werd het stil op de tribunes.

‘Den tweeden ronde,’ zei hij, zonder verdere plichtplegingen.

‘De tweede ronde!’ joelde het publiek als met één stem.

Ondertussen waren ook de beide dames weer op het strijdtoneel verschenen. Imago had zich omgekleed en droeg nu een korenbloemenblauwe cothardie waarin ze bewoog als een elfenkoningin. Raatsie droeg nog steeds haar grijze schooljuffrouwendracht en zag er strenger en kleurlozer uit dan ooit.

De scheids plukte aan zijn fleurige vlinderdas, wiste zich met een Drentse boerenzakdoek (oogverblindend rood met witte bloemen) het zweet van het voorhoofd, trok aan de bel en maakte zich uit de voeten.

Raatsie keek ernstig de zaal rond voor ze haar priemende blik op het Mejoffer Imago richtte, die daar totaal niet van onder de indruk leek te zijn. Ze tilde integendeel haar rokken een stukje op en liet ze met een (zeer) sierlijke beweging uitdagend om haar lichaam zwiepen. Ze straalde de ongenaakbare trots uit van een flamencodanseres, maar met meer vrolijkheid, wat het op de één of andere manier alleen maar erger maakte.

Raatsie kreeg van woede een vuurrood hoofd, dat merkwaardig detoneerde bij de rest van haar vormeloze verschijning (als je van ‘verschijning’ tenminste kon spreken.)  Ze opende haar mond. De zaal hield de adem in.

‘De heiligmakende genade is een bovennatuurlijke eigenschap, in onze ziel blijvend, die ons op een werkelijke, formele, hoewel bijkomstige wijze, doet deelnemen aan de natuur en het leven van God.’

Van overal rond de boksring gaapten toeschouwers schaapachtig naar ’t vrouwtje Raatsie. Zij glimlachte met een zelfvoldaanheid die mij ietwat misplaatst leek, gezien het misprijzende gemompel dat ik rond mij hoorde opkomen. Even later klonk – aanzwellend en spookachtig – het gevreesde woord. Boehhhh…BOEHHH!…BOEHHHHHHHH!

Inderdaad drong nu ook tot Mejoffer Raatsie door dat haar openingszet niet de bijval oogstte die zij had verwacht. Haar hoofd kreeg nu een kleur rood die ongeveer lichtgevend was. In een straal van tien meter eromheen werd alles erdoor in een ongezonde waas gedompeld. Zelfs het prachtige rode haar van haar tegenstandster kreeg er een bepaald misselijkmakende tint van. Peentjes in tomatensaus of zoiets.

Niet dat Mejoffer Imago daar van onder de indruk was. Zij proestte het uit van pret, pakte met haar rechterhand haar rokken op en begon zwierig om haar as te draaien. Haar tollende beweging blies als een (zeer esthetische) ventilator de rode waas van Raatsies woede weg. Tegelijk toverden haar heupen en sierlijk zwaaiende armen de verrukkelijkste visioenen tevoorschijn in de hoofden van het publiek.

Ikzelf zag:

Een donkere tuin, ommuurd, met in het midden slechts één, onbeduidend plantje. Het was een jong plantje, een scheut nog, maar toch zag het eruit alsof het al veel, té veel had meegemaakt. Het zag eruit alsof het al verloren was voor het ooit was opgekomen.

Toen zag ik een wolk aan komen drijven die precies boven de tuin bleef hangen. Eerst hing die wolk daar zo maar wat. Het moment was vol van verwachtingsvolle spanning.

Toen begon het plotseling uit die wolk te regenen, zo heftig zelfs dat de ruimte tussen de muren van de tuin zich met water begon te vullen. ‘Die plant verzuipt!’ hoorde ik mijzelf denken. Inderdaad leek de tuin nu meer op een zwembad met gemetselde randen. Het arme stekje was geheel onder het wateroppervlak verdwenen.

Toen het water de bovenrand van de ommuring had bereikt hield het op met regenen. Er klonk gekraak, en ik zag een brede scheur ontstaan in de voorste muur. Er sijpelde water uit, steeds meer, tot uiteindelijk de muur met een oorverdovend geraas instortte. Het water stroomde weg en onthulde wat er met de tuin was gebeurd.

Het arme plantje leek inderdaad morsdood in de modder te liggen. Op dat moment schoof de wolk aan de kant en werd het hele tafereel verlicht door een vriendelijk licht. Eerst leek er niet veel te gebeuren, maar op een gegeven moment begon het toch op te vallen dat op de plaats van de dode plant zich iets helder groens begon op te richten.

Niet veel later stond er een klein maar heel levendig groen dingetje met zijn blaadjes naar de zon te reiken. De zon reikte terug en verlichtte het scheutje zo dat begon te glinsteren en zelf een beetje op een zonnetje begon te lijken.

Even later vervaagde het tafereel en vond ik mijzelf terug op de tribune, waar alle toeschouwers juichten.

‘Zag u ook die bloem in die tuin?’ vroeg ik de blauwe Drentse hond. Hij keek mij opgetogen aan.

‘Ik zag een broeliaanse breedbig die door een zork werd geproezplatterd. Maar toen trok de zork weg en werd de breedbig beschenen door een baaierd en kreeg de dikste achterkant van Bzlob-Beljuuk! Het was een zeer uitmuntende uitleggende parabel van het pjeunende verlet.’

‘O,’ zei ik.

Beneden had Mejoffer Raatzie zich nog niet bij haar nederlaag neergelegd.

‘De Genade is derhalve een werkelijkheid van de bovennatuurlijke orde, maar geen zelfstandigheid, omdat geen enkele geschapen zelfstandigheid bovennatuurlijk kan zijn. Zij is een manier van zijn, een toestand van de ziel, waardoor deze omgevormd wordt en verheven boven alle natuurlijke wezens, ook de volmaaktste,’ schreeuwde zij, maar ik had niet het idee dat iemand werkelijk naar haar luisterde.

Scheidsrechter Cats (of Vondel) verhing de scorebordjes.

Het was 2-0 voor Mejoffer Imago.

5. De derde ronde

Het was de bedoeling dat de derde ronde min of meer direct na de tweede zou beginnen. Er waren voor de strijdende partijen stoelen neergezet waarop zij een kort ogenblikje op adem konden komen.

Mejoffer Raatsie had haar mutsje afgezet en zat als bezeten aan haar onderwijzeressenknotje te plukken zodat de grijze haren er aan alle kanten uitpiekten. Ondertussen zoog zij verbeten op de rechterpoot van haar bril.

Imago zat alleen maar te glunderen. Ze droeg nu ineens een houppelande van blauw brokaat.

Het duurde inderdaad maar een kort moment voor de stoelen weer werden weggehaald. De dames stelden zich opnieuw tegenover elkaar op.

Vondel (of Cats) kuchte. ‘Den derden ronde,’ zei hij droog, trok aan de bel en verliet de ring.

Raatsie, duidelijk zenuwachtig nu, schraapte haar keel, aarzelde, keek angstig om zich heen, vermande zich, haalde diep adem.

‘De aarde is eveneens spherisch van vorm, aangezien zij aan alle kanten op haar middelpunt drukt. Toch wordt zij niet onmiddellijk als een  volmaakte bol herkend vanwege de grote hoogte van haar bergen en de diepte van haar valleien. Zij veranderen echter aan de algemene bolvormigheid van de aarde nauwelijks iets.’

Nog terwijl Raatsie aan het spreken was trok Imago achteloos de één na de andere van de parelknopen van haar houppelande los en gooide die in de lucht. Ze begonnen om haar heen te wervelen als planeten om de zon, te groeien, licht uit te stralen en schijngestalten aan te nemen. Raatsie balde haar vuisten maar ging onverstoorbaar verder.

‘Want voor een reiziger die van elke willekeurige plaats naar het noorden reist klimt die pool van dagelijkse rondgang, terwijl de tegenovergestelde pool juist eenzelfde hoeveelheid daalt.’

Niemand lette op haar, want allen staarden naar Imago die – als middelpunt van een compleet planetarium – danste met de sterren.

‘Meer en meer sterren in het Noorden zal men niet meer zien ondergaan, terwijl in het zuiden bepaalde sterren niet meer zal zien opkomen.’ Dreunde Raatsie verder.

Inderdaad zag men dat aan de ene kant bepaalde sterren zich als verlegen kinderen verstopten in Imago’s haar, terwijl er aan de andere kant juist nieuwe uit tevoorschijn kwamen.

‘Zodoende kan Italië Canopus niet zien, die toch zichtbaar is in Egypte, en Italië op haar beurt aanschouwt de laatste ster van de rivier, die ongezien is in onze koudere streken.’

Uit de plooien Imago’s rokken stak een vervaarlijke sphinx haar dubbelgekroonde kop en vrat een hele reeks sterren op. Aan de andere kant ontsnapte een wolvin die er evenzovele weer uitpoepte. Romulus en Remus knikkerden ermee.

‘Zulke sterren, daarentegen, bewegen zich hoger in de hemelen voor een pelgrim die zich zuidwaarts wendt, terwijl de sterren die hoog in de lucht staan zich neerwaarts bewegen.’

Imago begon de andere kant op te draaien en zo deed ook het hele tafereel waarin zij zich had gehuld. Alles begon precies de andere kant uit te cirkelen, vreten, uitwerpen, glinsteren, poepen en ontploffen.

Raatsie was razend. Ze liet het onderwerp van de strijd voor wat het was en begon in het wilde weg te foeteren.

‘De renaissance was van mij, niet van jou!’ schreeuwde ze verontwaardigd. Imago haalde haar schouders op.

‘De verlichting dan!’ riep Raatsie. ‘Gedachten zonder inhoud zijn leeg, aanschouwingen zonder begrippen zijn blind.’

‘Bespaar me die droge sok uit Koningsberg!’ smaalde Imago.

‘Ha,’ grijnsde Raatsie, ‘Nu heb ik je. Wat dacht je van je oude vriend Balthasar Bekker?’

‘Die met zijn lelijke neus?’ vroeg Imago. ‘Wat heb ik ooit van hem te vrezen gehad?’

Maar Raatsie was zeker van haar zaak. ‘Op de verlichting heb je niets terug, geef het maar toe!’

Imago begon in haar buideltasje te rommelen. ‘Ogenblikje,’ zei ze.

‘Je hebt niks, geef het maar op!’ riep Raatsie.

‘Nou,’ mompelde Imago, ‘zelf dacht ik eigenlijk aan…’ Ze keerde haar tasje ondersteboven en begon het heftig heen en weer te schudden.

Er vlogen hele zwermen van tragisch snevende zwijmelhemden, glazig rondschijnende toverfeeën en afgodisch aanbeden kunstenaars uit.

Ze vlogen op Raatsie af en sloegen haar twee blauwe ogen en alle tanden uit de mond.

‘De romantiek!’ lachte Imago triomfantelijk.

‘Mwumpf,’ zei Raatsie.

6. Besluit
Het publiek barstte uit in luid applaus voor de laatste overwinning van ’t vrouwtje Imago.

Ie-ma-go, Ie-ma-go, Ie-ma-go, klonk het galmend en triomfantelijk. Imago stak haar armen in de lucht als een operadiva die wordt bejubeld na een bijzonder moeilijke en hartstochtelijke aria. Aan haar voeten lag haar tasje. Er kwamen nog steeds allerhande fantastelijkheden uit. Ik zag alfen en kabouters, dryaden en zeemeerkippen, leprechauns en banshees.

Naast mij slaakte de zwarte hagedis met de spoilers een diepe zucht. ‘En nu gaat het mis,’ kreunde hij. ‘Hoezo?’ vroeg ik hem. ‘Ze heeft toch eerlijk gewonnen?’

‘Raatsie kan niets meer uitbrengen,’ zei de hagedis, ‘en als dat gebeurt begint Imago altijd te overdrijven.’ ‘Dat zal toch wel meevallen?’ vroeg ik hem, maar hij wees naar het podium. Kijk, daar heb je het al, let op het tasje.’

Het tasje bracht de wonderlijkste dingen voort. Ik kon eigenlijk niet anders dan het bewonderen. Wat een creativiteit! Wat een energie!

Maar toen ik wat langer keek begon het toch wel op te vallen dat de wonderlijke creaturen die tevoorschijn kwamen steeds duisterder werden. Waar eerst dryaden waren geboren ontstonden nu harpijen. Vrolijke heksen met puntmutsen en bezemstelen veranderden in gifmengende tovenaressen. Heel het sputum van het wonderdoende tasje bestond plotseling uit kindertjes verslindende vampiers en wraakroepende bloedspetterende geesten.

Ik zag het, en ik zag dat Imago het zelf ook zag. Ze schonk geen aandacht meer aan de menigte die haar toejuichte, maar staarde blind en met een krijtwit gezicht naar de gruwel aan haar voeten. Ze was volslagen bevroren in afschuw.

Pas na verscheidene momenten schudde ze haar verstijving van zich af en wendde zich met een ruk naar Raatsie, die aan de andere kant van de ring nog steeds bloed en tanden stond te spugen. ‘Doe iets!’ riep Imago. Het spijt me! Help!’

‘Mwumpf’ zei Raatsie. Ze leek een ogenblikje na te denken. Toen sprong ze op en dook van het podium af, de ring uit.

‘Waar ga je heen?’ riep Imago haar vertwijfeld na. ‘Help dan toch, stomme koe!’

Ondertussen vochten een enorm gevleugeld hakenkruis en een clusterbom in de opening van haar tasje om wie het eerste naar buiten mocht.

Maar daar stond plotseling Raatsie, met een grote rode brandblusser. ‘Wat ga je daar nou mee beginnen?’ huilde Imago. Toen drukte Raatsie op de rode knop.

Een enorme steekvlam spoot uit de blusser en verpulverde het tasje.

Stinkende rookwolken onttrokken het strijdtoneel een ogenblik aan het zicht. Toen ze optrokken onthulden ze Raatsie en Imago die beide zo zwart als roet waren en elkaar wenend omhelsden.

Scheidsrechter Cats (of Vondel) trok aan de bel. Hij kieperde het scorebord om en zei plechtig en galmend:

‘Waer vorm ende inhoudt niet en samen gaen,
Sullen chaos ende pestilentie ontstaen.
Sonder Imago’s heerlyck geluyt
Krygt Raatsie haer wysheyt den strot niet uyt
En sonder Raatsies wys verstant
Staet heel den werelt ras in brant.’

‘Heel Gnijfkluiterig,’ zei de blauwe hond naast mij.

‘Maar hoe kan het nu dat die brandblusser vuur spuugde in plaats van water?’ vroeg ik nog.

Het reptiel met de spoilers lachte.

‘Beste broeder Hugo, dit is maar een droom.’

En dat was ook weer zo.

Faits divers

vrijdag 27 februari 2009

Niet dat er nou helemaal niks gebeurt…

In tegendeel eigenlijk.

  • Zo sloeg ik mijzelf vorige week een blauw oog toen mijn klokkentouw besloot te knappen op het moment dat ik eraan hing. Iedereen dacht dat ik op de vuist was geweest met kerkrovers of zoiets. Gelukkig trok het snel weer weg.
  • Wel zal het even duren voordat in Warfhuizen het Angelus weer klept. Dit was namelijk het zoveelste incident waarbij de gedachtenis aan de menswording van de Heer mij op (lichte) kwetsuren kwam te staan. Om te voorkomen dat ik de volgende keer een arm breek hebben we besloten de klok te laten verelektrieken. Dat hadden we achteraf misschien beter gelijk kunnen laten doen, maar ik hou nou eenmaal van klokken met touwen eraan. Trouwens, als je alles van tevoren weet kan je voor een dubbeltje de wereld rond (of achterof kins een koe in de … kiekn, zoals ze hier liever zeggen.)
  • Op een serieuzer vlak zijn natuurlijk de vasten begonnen. Dat liep dit jaar nu eens niet uit op allerlei storende verwikkelingen, zodat ik in alle rust Aswoensdag heb kunnen beleven, in heel zijn liturgische rijkdom. De vasten zijn prachtig. Dit jaar lees ik eens geen Climacus, maar een paar boeken van en over verschillende woestijnvaders. Ten eerste heb ik een mooie uitgave van de Apophtegmata Patrum weten te verwerven, en verder staat de Praktikos van Evagrios Pontikos op het programma (vertaald door vader Gabriël en verschenen in deze bloedmooie serie waar ik een abonnement op heb.) Ik ben benieuwd of ik het schema dat ik heb uitgedokterd kan volbrengen, maar liever rustig en goed dan haastig en vluchtig, denk erom!
  • Verder ben ik de bedevaartvaantjes van 2009 drukklaar aan het maken. Ik ben wat gewaagder te werk gegaan dan vorig jaar, dus ik hoop dat ze toch in de smaak vallen. Ik zal blij zijn als ze er zijn, want er blijken nogal fanatieke bedevaartvaantjesverzamelaars (scrabble!) te bestaan, die al sinds September vorig jaar haast niet kunnen wachten, en dat ook regelmatig schriftelijk of op het antwoordapparaat laten merken. Ik hoop maar dat het na al dat wachten niet tegenvalt. Enfin, ik heb er eerlijk mijn best op gedaan, meer kan ik ook niet doen.
  • Op mijn vorige stukje (naar aanleiding van mijn bezoek aan de Waterhouse-tentoonstelling) kreeg ik van een teleurgestelde feministe te horen dat het vrouwonvriendelijk was. Ik zal dus volgende week mijn reeksje over de schilderijen van Waterhouse maar eens gaan voortzetten met De favorieten van keizer Honorius of De wroeging van keizer Nero na de moord op zijn moeder.
  • Ik vrees echter dat de laatste onbetrouwbare vrouw hier nog niet is gepasseerd: serpenten, heksen en harpijen waren namelijk een absolute liefhebberij van Waterhouse, ik kan er ook niks aan doen…

Buscampagne

donderdag 5 februari 2009

Verspilde klanken

vrijdag 9 januari 2009

Ik vond mijn laatste stukje bij nader inzien niet zo stijlvol, dus heb ik het maar weggekieperd. Ik had het eigenlijk vooral geschreven omdat ik het woord ‘aarsmade’ zo graag eens wilde gebruiken.

Ik ben een beetje raar als het om taal gaat, ik weet het.

Ik vind ‘aarsmade’ gewoon een van de meest muzikale woorden uit het Nederlands.  Helaas brengt het gebruik ervan automatisch allerlei ordinaire en ook onsmakelijke associaties met zich mee, zodat de term in feite onbruikbaar is geworden, wat door mijn laatste actie maar weer eens bewezen is. Eigenlijk is het een veel te mooi woord om te verspillen aan zo’n vies beest als een, nou ja, een aarsmade.

Het ware beter geweest als met deze welluidende klanken een edel dier of een bloem werd aangeduid. Helaas is dat voor eeuwig onmogelijk gemaakt door de arme idioot die dit glanzende juweel uit het Nederlandse idioom heeft misbruikt om er een wriemelend parasitair ondier mee op te sieren.

Nooit zal er nu geschreven worden: ‘Een kudde ranke aarsmaden danste trots over de steile rotsen boven de alpenweide,’ of ‘Hij verraste haar met een prachtige bos zoet geurende aarsmaden.’

Jammer.

(U zult het mij wel niet euvel duiden dat ik een afbeelding bij dit stukje maar achterwege laat.)

Enkele vrienden van mij hadden elkaar uitgedaagd om op het web te zoeken naar een foto van een barokkerk die zelfs mij té erg zou zijn. En de winnaar is: … Belec!