Over de Warfhuister koorkap
zondag 30 mei 2010
Ik krijg nogal wat vragen over de koorkap die pastoor Wagenaar droeg tijdens de laatste broederschapsbedevaart. Hij valt algemeen in de smaak, zoveel is wel duidelijk. Ik heb de foto uit het voorgaande bericht even hier naartoe overgeheveld:

De vraag die ik steeds weer krijg is: ‘Is deze koorkap speciaal gemaakt voor de kluiskapel? Vanwege de naam ‘Besloten Tuin?’
Het antwoord is: ‘Nee.’ De koorkap is gemaakt voor het capucinessenklooster van Lugano, en is aan de kluis geschonken door vader Gabriël Bunge.
De koorkap is waarschijnlijk gemaakt in de negentiende eeuw, maar de snit en vooral het gebruikte bloemenbrokaat zijn eigenlijk typisch achttiende eeuws.
Dit type koorkappen kun je op Sacramentsdag (aanstaande donderdag in normale katholieke landen) door de straten zien wapperen in alle gebieden die ooit tot het koninkrijk Beieren of het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije hebben behoord. Ruwweg het ‘Kerken-met-uien-gebied,’ zeg maar.
In de achttiende eeuw liet men de barok steeds meer woekeren, alsof gebouwen en voorwerpen niet meer waren gebouwd, gesmeed of geweven, maar uit de grond gegroeid. De stijl die zo ontstond noemt men ‘rococo.’ In de sacrale bouwkunst werd deze stijl vooral toegepast in midden- en oost-Europa (Elders werd de rococo voor kerken te frivool bevonden.)
![]()
Hierboven het interieur van de ‘Wieskirche,’ een van de meer extreme voorbeelden van deze kunststijl.
Kenmerken van de rococo zijn dat de versieringen niet langer symmetrisch zijn, dat er veel wordt gespeeld met zogenaamde ‘rocailles,’ dat er op een ingenieuze manier met verborgen ramen en spiegels wordt gewerkt om dramatische lichteffecten te creëren, en dat de holle en bolle vormen en bogen uit de baroktijd fragieler, luchtiger en sierlijker worden.
In deze periode ontwikkelde men ook een grote waardering voor de kunst uit het verre oosten, zoals bijvoorbeeld China. Men bouwde Chinese paviljoens in de tuinen van de paleizen, importeerde (en produceerde voor het eerst ook zelf) porselein en maakte kerkelijke gewaden (zoals koorkappen) van Chinese zijdeweefsels.
Onze Warfhuister Luganese koorkap is een negentiende-eeuwse navolging van een dergelijke koorkap. Die rococo koorkappen zijn namelijk nooit meer uit de mode geraakt. Je kan ze nog zo bestellen in praktisch elk paramentenatelier dat dicht genoeg bij de Donau ligt.
Retraite in Ticino 2009
maandag 2 november 2009

Toen ik, ergens twee weken geleden, op het vliegtuig naar Lugano stapte, had ik een lastige reis verwacht. Ten eerste toonde de foto in mijn paspoort een fris kaalgeschoren Benedictijns tiepje (voor de insiders: Coupe Vaals,) terwijl ik er in persoon ondertussen uitzie als een zwarte jurk waar een woeste bos haar uitsteekt (een soort kruising tussen Gargamel en het koekiemonster, maar dan niet blauw.)
Nu moet je weten dat ik me elk jaar bij de luchthavenbeveiliging al sowieso ongeveer moest uitkleden, waarschijnlijk omdat men ervan uitgaat dat ook een terroristische islamiet een habijt aan kan trekken. Nu ik er meer dan ooit uitzie als een saoudisch woestijnspook, en bovendien niet meer lijk op mijn foto, had ik een stortvloed van genant gedoe aan zien komen.
Niets van dat alles. Misschien zag ik er zó onbetrouwbaar uit dat ze dachten: ‘Dat kan niet waar zijn.’
Mijn tweede zorg betrof het gewicht van mijn bagage. Normaliter pak ik ultra-light als ik naar het vadertje moet, omdat zijn kluis op een plek ligt waar je haast niet kunt komen. Ik citeer uit het verslag van mijn eerste reis naar het vadertje:
Vanaf het parkeerdek kwamen we in de steile straatjes van een typisch Italiaans dorp, geplaveid met natuursteen, fonteintjes op de hoeken, oude straatlantaarns. Na drie van die gangen had ik (twee koffers, één met nogal wat boeken) aardig lamme armen.
We waren het hele dorp doorgelopen toen het verder ging door pikdonkere weilanden, nog steeds steil omhoog. Het zweet liep met stralen mijn sokken in, mijn hart klopte in mijn hoofd. Ik was een spontane mariaverschijning zeer nabij (ik zag de sterretjes al) toen de pater stilhield. “We zijn er,” dacht ik dankbaar, “God zij dank!” Hij knipte zijn zaklamp aan, scheen op een paar ezels die ons loom aangaapten. “Kijk eens wat een prachtige dieren!” bromde hij, en zetter er de pas weer in.
Twee weilanden verder begon een indrukwekkend kastanjebos en verdween het pad onder gladde bolsters en kastanjes. Zaklamp tussen de tanden en klauteren maar. En bidden dat ik niet in het donker nasst het pad zou stappen, de afgrond in. In bochten en kronkels ploeterde ik achter de pater aan de berg op, glibberend en glijdend door de bolsterbraggel. Gelukkig had hij een tas van me overgenomen, ik weet niet of ik anders boven zou zijn gekomen. In de bochten zag je door de bomen in de diepte de lichtjes van Lugano glinsteren in het meer.
Vanwege het liturgisch overleg met de vader dat voor deze keer gepland stond was mijn tas zwaarder dan ooit, met grote mappen met schemata en commentaren. De tocht naar boven was dan ook verre van aangenaam, maar na een hoop geploeter was ik dan toch boven in plaats van beneden, wij danken God.
Het vadertje was, zoals altijd, blij om me te zien. Dat doet een mens deugd.
De eerste vijf dagen regende het pijpestelen, was het mistig en twee graden boven nul. Bovendien kreeg ik vader Gabriël amper te zien, omdat er net een zwartrokkenplaag was uitgebroken. De een na de andere geestelijke kwam hijgend de berg opgekropen met allerhande zorgen en ellende, om een luisterend oor te vinden, een beetje vertroosting en misschien wat goede raad. Kluizenaars schijnen het aan te trekken, ik hoor het van iedereen. Zelfs hier in Warfhuizen doet zich het zelfde fenomeen voor (alleen heeft het vadertje bisschoppen en abten, en ik vooral kapelaans en een enkele pastoor: verschil moet er zijn.) Aan de ene kant is het dankbaar dat deze beste mensen ergens terecht kunnen, aan de andere kant kan het verschijnsel heel ontwrichtend werken als er teveel tegelijk komen (wat nogal eens gebeurt,) zoals nu gebeurde in de kluis van vader Gabriël.
Enfin, ik moest mezelf dus de eerste dagen een beetje redden, en omdat ik ook niet naar buiten kon heb ik enorm veel gelezen. (Evagrius, zoals meestal wanneer ik in Ticino ben.)
De tweede vijf dagen hebben vader Gabriël en ik ons uitgebreid gebogen over het getijdengebed in Warfhuizen. Al jaren ben ik daaraan op details aan het schaven, omdat zich voortdurend problemen voordeden. Ik begon zo langzamerhand bang te worden dat het schaven nooit meer op zou houden. We hadden het er telefonisch al over gehad, en ik heb er hier ook al een paar woorden over geschreven, maar nu konden we er gedetailleerd en grondig naar kijken. Het Benedictijnse officie dat ik tot nu toe gebruikte is voor gemeenschappen bedoeld, niet voor kluizenaars. In een gemeenschap kunnen de taken die verricht moeten worden over meer monniken worden verdeeld, en ontstaat zodoende een heel andere dynamiek dan wanneer één persoon alles zelf moet doen.
De heilige Johannes Cassianus geeft een model voor het getijdengebed dat hij zelf leerde kennen bij de Egyptische woestijnkluizenaars. Het is primitiever en minder uitgewerkt dan het schema van Benedictus (het is ook nog weer 100 jaar ouder, uit de vijfde eeuw,) maar het vadertje gelooft dat het voor mij een de oplossing is. In Oktober heb ik met een ruwe versie ervan al proefgedraaid, en nu hebben we de puntjes op de i gezet. Vanaf ergens in deze eerste week van November (nadat alles is opgeruimd en er nog weer de nodige werkzaamheden zijn verricht) moet het nieuwe ritme aan de loop zijn.
Deze vorm van koorgebed wijkt enorm af van alles wat ik tot nu toe heb gedaan of zelfs maar gezien. Toen ik als knulletje van achttien in het seminarie voor het eerst getijden leerde bidden uit het Romeinse brevier was dat een variant op Benedictus. Alles wat ik in kloosters had gezien tot nu toe was Benedictus of een variant daarop. Metten, Lauden, Priem Terts, Sext, Noon, Vespers, Completen, het was altijd gesneden koek. Er kon wel eens iets van weggelaten zijn, of iets aan toegevoegd, maar de ruggegraat ervan was toch altijd hetzelfde. Dat maakt dit avontuur best wel angstig, want het schema van Cassianus gaat uit van twaalf Psalmen aan het begin van de nacht, en twaalf Psalmen aan het einde ervan. De lengte van het totaal is niet anders dan ik gewend ben, maar alles is meer samengepakt in twee lange ‘wakes.’ Door de dag heen wordt men ook geacht te bidden, maar niet door middel van Psalmgetijden. In mijn geval is daar natuurlijk de Sacramentsaanbidding, en verder het Jezusgebed.
Enfin, het lijkt te gaan werken. God beware mij.
Ik wil langs deze weg graag iedereen die in Warfhuizen heeft opgepast op de kluis gedurende mijn afwezigheid hartelijk bedanken.
Eremo Santa Croce 2008: Slot - de terugreis
woensdag 5 november 2008
Als ik nu (22.00) terugkijk op mijn dag, lijkt het alsof ik uit een andere wereld ben gekomen. Het fijne is dat ik die andere wereld als het ware heb kunnen meenemen. Vooral de gedachte aan de h. Mis vanochtend ontroert mij. De vader (Gabriël) had alles een uur naar voren geschoven om mij op tijd op het vliegveld te krijgen, dus ik heb het hier over 6.00 deze ochtend. Vanzelfsprekend was het nog pikdonker toen ik de steile helling tussen de gastenkluis (op de foto) en de kapel beklom. Ik kan op geen enkele manier het gevoel beschrijven dat mij bevangt als ik daar vanuit de koude, donkere wereld dat kleine hokje met zijn opgeplakte ikonen en opgepoetste olielampjes binnenkom. Denk niet dat het romantisch is! Het is juist zo werkelijk dat het onwerkelijk wordt! Je zit daar op elkaar geklemd tussen al dat heiligs dat niet gedragen wordt door enige indrukwekkende kunst of architektuur, maar alleen door zichzelf, (nou ja, bemiddeld door de doodnuchtere maar liefdevolle zorg die besteed wordt aan de spulletjes en de Liturgie, en dat alles bezield door eenvoudig maar doorlopend gebed.)
Na de Mis kreeg ik van de vader de reiszegen met sterk geurende gewijde olie (als ik ooit in dezelfde geur van heiligheid sterf als waarmee ik vandaag op het vliegtuig zat, dan komt het wel goed met mij. De hele reis zag ik medereizigers vertwijfeld om zich heensnuffelen.) Ook dat was een manier om zelfs in de commerciële ontploffing die luchthaven heet (de nachtmerrie van elke monnik) toch in zekere zin de geest van de kluis mee te dragen. Nu nog ruik ik een sterke hint van amber als ik de rug van mijn hand naar mijn neus breng. Moge het (geestelijk dan) beklijven!
Ik was natuurlijk veel te vroeg op de luchthaven van Lugano, niet bruisender dan de bushalte in Wehe-den Hoorn. Gelukkig had ik ontspannende lectuur bij me, bij uitstek geschikt voor een vliegveld met muzak (Ladinischtalige rock en Italiaanstalige rap) op de vroege morgen: De Praktikos van Evagrius van Pontus in het Duits. (AAAAAAAAAAARRRRGGHHHHH.)
Bij het binnenvliegen van Nederland viel weer eens op wat een idioot klein landje het eigenlijk is. We vlogen binnen over Hulst, toen over Rotterdam (net zo lelijk van boven als van beneden) en Den Haag. Daarna een stukje de Noordzee op (je kon Scheveningen prachtig zien liggen,) en over Ijmuiden weer naar binnen. Dat alles in ongeveer tien minuten.
De trein was een internationale van de Deutsche Bahn. Net een rijdende kas, zo licht en met veel meer zicht op de buitenwereld dan de bekende NS-bakken. Heerlijk. Tenslotte had ik tussen Amersfoort en Assen een prachtig gesprek met mevrouw Kok (het kan ook de Kok zijn geweest, dat weet ik niet helemaal zeker meer.) Zij kwam oorspronkelijk uit Den Haag, maar had met haar man ongeveer haar halve leven een winkel gehad in Heiligerlee. Ze was rijkelijk gezegend met zes kinderen die door een of ander wonder niet alleen maatschappelijk goed terecht waren gekomen, maar ook nog eens alle zes een gezond gezin hadden. Dat hoor ik niet vaak, maar wel graag. Geweldig mens, trouwens ook.
Ik kan nog een deftig slot verzinnen aan het hele verhaal, maar dat doe ik lekker niet. Ik was blij om bij vader Gabriël te zijn, en ik ben blij en dankbaar dat ik weer terug mag zijn. Tot zover Eremo Santa Croce 2008.
Eremo Santa Croce 2008 - Sint Hilarion - 21 Oktober - deel 2
zondag 2 november 2008

’s Avonds heb ik nog een lang gesprek met vader Gabriël gehad. Het is wonderlijk hoe het tussen ons klikt. Hij hanteert een zekere strengheid zoals die bekend is van de stijl van geestelijke leiding die het oosterse monnikendom eigen is, maar nooit zonder liefde. Er wordt veel gelachen bij vader Gabriël. Gelachen om eigen blunders, de fratsen van de Kerk (ja, ze heeft soms fratsen,) maar ook uit pure dankbaarheid om dingen die de goede God soms op een ongelooflijke manier toch nog goed laat komen.
We hebben gesproken over organisatorische problemen, in het algemeen en specifiek voor Warfhuizen, over regelarij. Over de concrete aanpak van het geestelijk leven in goede en kwade dagen. Over de relatie met de omgeving die je als kluisbroeder nou eenmaal ook altijd toch nog hebt. Hij kwam met voorbeelden van andere jonge kluizenaars die hij begeleidt, maande bij sommige dingen tot geduld, bij andere tot spoed. Zo gaan die dingen. Veel mensen vragen mij om een beschrijving van hoe vader Gabriël nou eigenlijk als persoon is, wat zijn stijl is, zijn manier van spreken. Omdat dit soort gesprekken erg persoonlijk zijn, en niet voor publcatie bedoeld, druk ik hier een stukje uit een van zijn boeken af. Ik heb het zelf vertaald, want Nederlands is zo ongeveer de enige Europese taal waarin nog niets van vader Gabriël is gepubliceerd (behalve Baskisch.) Ik hoop dat daar snel verandering in komt, want ik denk dat zijn boeken een uniek inzicht geven in sommige problemen waar wij in het Westen, en vooral in Nederland, maar niet reëel naar durven te kijken.
Uit ‘Irdene Gefässe,’ een boek over de praktijk van het gebed, het eerste lemma van het derde hoofdstuk over de manieren om te bidden:
1. ‘Gebeden en dringende smekingen onder tranen’ (Heb. 5:7)
Niemand verwondert zich als een mens tranen vergiet omdat hij getroffen is door groot leed. Ook vreugdetranen zullen de meesten wel vertrouwd zijn. Maar tranen in gebed? Voor de vaders hoorden tranen en gebed inderdaad onafscheidelijk bij elkaar en golden bij hen allerminst als een teken van ongepaste sentimentaliteit. Dat geldt ook voor de Bijbelse mens.
Hoor, o Heer, mijn gebed,
versta hoe ik smeek om uw bijstand;
o blijf voor mijn schreien niet doof.[1]
Tranen begeleiden dus vóór alles de dringende smeking. Onder tranen bidt een vertwijfelde vader om de genezing van zijn zoon,[2] en onder tranen smeekt de zondares Christus woordeloos om vergeving.[3] Zelfs Christus heeft in de dagen van zijn vlees gebeden en dringende smeekbeden met luid geschrei en tranen gebracht voor Hem die Hem kon redden van de dood.[4]
*
Tranen horen bij de praktische manier van het gebed, want zij maken deel uit van de moeiten van de praktikè, dat wil zeggen het eerste stadium van het geestelijke leven.
‘Die onder tranen zaaien, zij oogsten met gejuich:’
Diegenen die met moeite en tranen de praktikè volbrengen, ‘zaaien onder tranen.’ Zij daarentegen die moeiteloos inzicht ontvangen, ‘oogsten met gejuich…’[5]
Waarom dit vasthouden aan de noodzakelijkheid van tranen, dat de moderne mens zo vreemd aandoet? Is de christen niet veel meer bestemd om blij te zijn? Zeker, maar de vaders schatten de toestand van de mens misschien toch realistischer in dan wij.
Abba Longinos bezat een grote vermorzeling in zijn gebed en psalmodie. Op een dag vroeg nu zijn leerling aan hem: ‘Abba, is het de geestelijke regel, dat de monnik bij zijn gebed altijd weent?’ en de oudvader antwoordde hem: ‘Ja, mijn kind, dat is de regel die God nu van ons verlangt. Want in den beginne heeft God de mens niet geschapen om te huilen, maar om zich te verheugen en om te juichen en Hem rein en zondeloos te verheerlijken als een engel. Sinds hij echter in zonde viel, heeft hij de tranen nodig. En allen die gevallen zijn hebben die net zo nodig. Want waar er geen zonden zijn, daar zijn ook geen tranen nodig.’[6]
*
In dit eerste stadium van het geestelijke leven gaat het dus vooral om wat de Schrift en de vaders boete noemen, ommekeer en verandering van denken (metanoia.) Maar zelfs alleen de gedachte aan zo’n ommekeer roept onvermoede innerlijke weerstanden op. Evagrios spreekt hier van een zekere innerlijke rauwheid of geestelijke gevoelloosheid[7] en afgestomptheid waartegen alleen de tranen van de (geestelijke) droefheid helpen.
Bid eerst om het ontvangen van tranen om de rouwheid die in je ziel woont door vermorzeling week te maken opdat je als je ‘de Heer, ondanks jezelf, je wetteloosheid bekent’[8] van Hem vergeving ontvangt.[9]
Iedere mens kent wel deze rauwheid in de gestalte van die beklemmende zielstoestand die de vaders akedia noemen, taedium cordis (Johannes Cassianus,) hartsmatheid, verveelde tegenzin, innerlijke leegte… De tranen zijn daartegen een machtig geneesmiddel.
Drukkend is de treurigheid
En onverdraaglijk de verveelde tegenzin,
Maar tranen tot God
Zijn machtiger dan beide.[10]
Maar omgekeerd verdrijft de geest van de akedia de tranen en de geest van de treurigheid hakt het gebed in de pan.[11] Wat nu te doen, als men zich zo in de uitzichtloze situatie van innerlijke droogte, verveelde tegenzin en treurigheid bevindt? Evagrios raadt in zo’n geval aan:
De ziel onder tranen in twee helften te delen, waarvan de ene troost en de andere getroost wordt, zodat wij voor onszelf goede hoop zaaien en onszelf de betoverende woorden van David voorzingen: Wat buigt ge u neer, mijn ziel, wat zijt ge ontrust in mij? Stel gij op God uw hoop: eenmaal loof ik Hem weer, Heil van mijn aangezicht - mijn God.’[12]
*
Hoe welgevallig dus ook de Heer een onder tranen opgedragen gebed is,[13] tranen mogen geen doel op zichzelf worden! Ieder ascetisch handelen van de mens, voor zover het zijn eigen handelen is, draagt inderdaad de fatale tendens in zich, zich te verzelfstandigen. Het middel wordt dan zonder dat men er erg in heeft tot doel.
Ook al vergiet je tijdens je gebed stromen van tranen, verhef je toch beslist niet in jezelf, alsof je beter bent dan de menigte. Want je gebed heeft alleen maar een [goddelijke] hulp ontvangen, om je in staat te stellen bereidwillig je zonden te erkennen en om de Heer door je tranen welwillend te stemmen.
Maak dus het afweermiddel tegen de hartstochten niet zelf tot hartstocht, om de Gever van de genade niet nog meer te vertoornen![14]
Wie het doel van de tranen uit het oog verliest, dus de zeer bittere ommekeer,[15] loopt het gevaar zijn verstand te verliezen en in dwaling te geraken.[16] Omgekeerd is het dan weer zo dat niemand zich moet inbeelden als “gevorderde” geen tranen meer nodig te hebben.
Als het je toeschijnt dat je de tranen omwille van je zonden bij je gebed niet meer nodig hebt, besef dan hoe ver je je van God verwijderd hebt, terwijl je toch voortdurend bij Hem zou moeten zijn,en je zult des te hetere tranen vergieten.[17]
Deze waarschuwing, de vrucht van de nuchtere inschatting van de menselijke werkelijkheid, geldt overigens voor de praktikè als geheel. Zo waarschuwt Evagrios bijvoorbeeld zijn gnosticus, de contemplatief, als hem die de kennis is waardig gekeurd:
De heilige Paulus ‘kastijdde zijn lichaam en knechtte het.’[18] Jij, verwaarloos dus je leven lang je levenswijze niet en geef de hartstochtloosheid niet prijs aan de bespotting door haar met een vet lijf te vernederen.[19]
Zelfs als de mens het doel van het praktische leven, de toestand van innerlijke vrede van de ziel, bereikt heeft, verdwijnen de tranen dus niet! Zij zijn in dit stadium echter de uitdrukking van de nederigheid en als zodanig een garantie van de echtheid van deze toestand van rust tegenover zijn veelvormige demonische vervalsingen.[20] De vaders hechten daarom waarde aan de tranen, simpelweg als een teken van de nabijheid van de mens tot God, zoals Evagrios al aangaf:
Een oudvader heeft gezegd: ‘Een mens die in zijn kellion zit en Psalmen bemediteert, lijkt op een mens die buiten staat en naar de Koning verlangt. Ieder die ‘onophoudelijk bidt’ lijkt op iemand die met de Koning spreekt. Wie daarentegen onder tranen bidt, lijkt op hem die de voeten van de Koning omklemt en Hem om erbarmen smeekt, zoals die hoer, die door haar tranen in korte tijd al haar zonden afwaste.[21]
Zeker heeft God de mens niet geschapen om te wenen, maar om blij te zijn, zoals een vader zei. Maar in Adam zijn allen gevallen, en daarom hebben allen de tranen nodig, zoals ook allen boete en bekering nodig hebben. Dat te erkennen is een teken van oprechte nederigheid. Net zo zullen we later horen over de zogenaamde metanieën, die in een gebaar hetzelfde uitdrukken als de tranen.
Hoe dichter een mens God nabij is, hoe meer hij zichzelf als zondaar ervaart,’ heeft een vader gezegd, want alleen Gods Heiligheid maakt onze zondigheid werkelijk zichtbaar. Tranen staan daarom niet alleen aan het begin van de geestelijke weg van de bekering, maar begeleiden die ook tot aan het doel, waar ze dan veranderen in geestelijke tranen en een zekere hartsblijdschap, die de vaders als een teken van onmiddellijke inwerking van de Heilige Geest waarderen en daarmee als een teken van de nabijheid tot God.[22]
[1] Ps.38:13
[2] Marc.9:24
[3] Luc.7:38
[4] Heb.5:7
[5] Evagrios, In Ps. 125,5 g. evagrios herhaalt dit ervaringsfeit vaker, zie in Ps. 26,6 e; 134,7 e; Praktikos 90
[6] Nau, 561
[7] Mal. Cog. 11 (PG 79,1212 D)
[8] Zie: Ps.31:5
[9] Evagrios, De Oratione 5
[10] Evagrios, Ad Virginem 39 (Greßmann)
[11] Evagrios, Ad Monachos 56 (Greßmann)
[12] Evagrios, Praktikos 27, Citaat: Ps. 41:6.12; 42:5
[13] Evagrios, De Oratione 6
[14] Idem. 7
[15] Evagrios, In Ps. 79,6 g
[16] Evagrios, De Oratione 8
[17] Idem: 78
[18] 1Cor.9:27
[19] Evagrios, Gnostikos 37 (Guillaumont)
[20] Evagrios, Praktikos 57
[21] Nau 572. Verwijzing naar Luc.7:38.47
[22] Diadochos van Photikè, c.LXXIII; Bladzijde 115 en verder
Eremo Santa Croce 2008 - St. Paulus van het Kruis - (Zondag 19 Oktober)
dinsdag 28 oktober 2008

8.45 Gisteren was het stervenskoud, ook omdat het zo vochtig was. Nu lijkt het echter mooi weer te gaan worden. Het vadertje Petrus kent ondertussen de Tsjotki-knoop. Hij heeft het sneller onder de knie gekregen dan ik destijds, dat kan ik je wel vertellen. In een strak blauwe hemel kruipt de zon precies op dit moment boven de toppen van de kastanjes uit en verdrijft de kou (er wordt nog niet gestookt, dus ’s avonds en ’s morgens zit ik behoorlijk te vernikkelen hier.) De natte bladeren, geel en rood van het herfsten, glinsteren als barnsteen: het is een schone ochtend. Het vadertje Gabriël heeft me een nieuw brood gegeven, net vers gebakken. Hij kan geweldig bakken, en het brood hier is heel bijzonder gekruid. Ik heb ook een nieuw blokje kaas. Ze eten hier alleen kaas uit Ticino zelf, en daar zitten een paar bijzondere soorten bij. Het stukje dat ik nu heb is nogal karaktervol en komt, elke keer als ik het tupperware bakje openmaak, met stinkkracht 12 de cel veroveren. Smaakt evengoed prima, trouwens.
De zondagsmis wijkt niet veel af van het gebruikelijke, behalve natuurlijk dat Credo en Gloria gezongen worden. Ook is er na de Mis verering van het H. Kruisreliek.
’s Middags was het Spatiamentum, dat wil zeggen een lange wandeling met de vadertjes in de omgeving. Vader Gabriël kent, ondanks dat hij zegt van niet, toch wel veel dorpelingen. Ze zwaaien allemaal enthousiast naar hem, en schenken hem grote bulten brandhout, waarvan hij niet weet hoe hij ze bij de kluis moet krijgen. Hij vraagt mij hoe ik het boek van Porphyrios vind. Ik vertel hem dat het mij een beetje tegenstaat. Hij zegt niks, behlave zo’n typisch mmm… geluid en kijkt naar me met mild ongeduld. Niet echt teleurstelling, eerder zoiets van: dat had ik zien aankomen, maar ik had verwacht dat je je daar eerder overheen gezet zou hebben.
Ik was nog niet thuis, of ja hoor, daar ‘opende’ zich dat boek ineens als een deur waaraan je staat te rukken en die dan plotseling losschiet zodat je achterover valt met de deurklink in je handen. Dan voel je je wel een beetje een sukkel, ja.
Ik zal een paar stukjes vertalen, zodat je een idee krijgt.
‘Als je de goddelijke Genade verliest, onderneem dan helemaal niets. Ga door met je leven en met je strijd in alle eenvoud, zachtzinnig, tot de liefde en het vuur voor Christus en het verlangen naar Hem terugkeren. Dan zal alles in orde komen. Dan zal de genade je vervullen en zal je blij zijn. Een geheim wapen om dat te bereiken zijn de kerkdiensten. Vervul die met toewijding, en de Genade Gods zal stiekem bij je komen.’
Dit klinkt natuurlijk onbenullig vanzelfsprekend, maar wordt in de praktijk verschrikkelijk vaak vergeten. Als de akedia, of geestelijke verveling toeslaat, treden twee neigingen op, die alletwee contraproductief zijn.
Eerst ontstaat de neiging om alles haastig en gedachteloos te doen, vooral de kerkdiensten, waartegen een soort zeurende weerzin ontstaat. De sleutel is om al je gewone werkzaamheden met opzet langzaam, precies en met toewijding te vervullen. Precizie en toewijding kun je nauwelijks afdwingen, daarom is langzaam hier het toverwoord. Heb je de gejaagdheid eenmaal overwonnen, dan verdwijnen de slordigheid en de afwezigheid op den duur vanzelf, en ontstaat er ruimte.
De tweede verkeerde neiging komt op op het moment dat je je beseft dat je lauw aan het worden bent. Dan bespringt je al snel een paniekreactie die je ertoe aanzet om alle bommen en patronen uit de kast te halen om deze verdorven luiheid te lijf te gaan. Nog een uur eerder opstaan, streng vasten, elke dag drie rozenhoedjes en drie boetecanons extra bidden, nachtwaken onder geschrei en zelfbeschuldiging: het lijkt allemaal heel heilig, maar het is niet langer vol te houden dan hoogstens drie dagen. Daarna komt de oude kwaal met nog meer venijn (door de uitputting) terug. De remedie is dezelfde als tegen de eerste neiging: geen bijzondere maatregelen, maar juist de heel gewone dingen met liefde verrichten.

Deze gedachtengang is trouwens niet typisch oosters, in feite leert Theresia van Lisieux ons precies hetzelfde.
Dit verhaal geldt ook niet alleen voor monniken. Vervang kerkdiensten door gebed, en het gaat precies zo op voor lekengelovigen. Veel zogenaamde monnikenziekten komen in de wereld net zo goed voor, tegenwoordig door de onrustige maatschappij en de grote hoeveelheid prikkels zelfs nog meer dan vroeger. Morgen meer over Porphyrios van Kavsokalyvia.


