Het lijkt erop dat deze klassieker helaas ook dit jaar weer heel toepasselijk wordt:

Gekomen is uw lieve Mei, Maria!
Met kou en regen en storm erbij, Maria!
Als de meiwind aan komt waaien
vliegen de koeien en ook de vlaaien.
Ave, ave Maria!
Gekomen is uw lieve Mei, Maria!

‘K wou wat bloemen plukken gaan, Maria!
Die op uw altaar kunnen staan, Maria!
‘K ben nog niet weg gegaan of kijk!
‘K zit op de toren van Zuurdijk!
Ave, ave Maria!
Nu zit ik in de storm te prijk, Maria!

Het regenwater drijft ‘t gediert, Maria!
Al naar de kerk al op de wierd, Maria!
‘K zit met katten, koeien, hanen,
zeshonderd vlooien en zeven zwanen,
Ave, ave Maria.
Uw kerk was nooit zo mooi versierd, Maria!

Gekomen is uw lieve Mei, Maria,
Daar waait mijn kliko net voorbij, Maria!
Zoals je nu de hagel hoort,
hagelt het tot Sint-Maarten voort,
Ave, ave Maria
behoed ons liefelijke oord, Maria!

Even een kort verslagje van het Triduum Sacrum tot nu toe. Dit jaar ben ik voor het eerst in een heel lange tijd met Pasen thuis, in plaats van in Brabant. Dat betekent donkere Metten in de eigen kapel, wat absoluut heerlijk is. Die van Goede Vrijdag werden bijgewoond door een aantal dames uit Amsterdam, die er zich door geen enkel dreigement mijnerzijds (eentonig - maar één monnik die je niet eens ziet zitten - eindeloos en nog eindelozer) van lieten weerhouden om midden in de nacht naar het einde van de wereld te rijden. Ze vonden het, geloof ik, nog een succes ook. Chapeau, dames!

Nu is deze Liturgie - in al haar kaalheid - ook wel van een soort ongenaakbare schoonheid. Je doet er dingen in die je normaal niet in je hoofd zou halen (met als toppunt wel het opzettelijk en ostentatief op de grond smijten van je koorboek als afsluiting van het officie.)

Ook maakt de kapel alles gedaanteverwisselingen die ze hoort te ondergaan in deze tijd dit jaar voor het eerst allemaal door. Even een foto van de Goede Vrijdag:

Een probleem was wel het vinden van een geschikt rustaltaar in een kapel zo klein als deze. Uiteindelijk heb ik dan maar besloten de Heer mijn eigen bedstee in de sacristie af te staan.

Het tabernakel blijft leeg en half open achter, wat een extra rommelig en chaotisch beeld oplevert omdat het een draaitabernakel betreft. Het skelet van de godslamp ademt verval, zo zonder glas…

Met het huidige priestertekort is het ondoenlijk om voor één kluizenaar ’s Zondags Mis te laten lezen. Zodoende kerk ik in de Groninger kathedraal. Dat is geen straf, want de gemeenschap van de Groninger kathedraal is waarschijnlijk de meest bloeiende parochie in Nederland. Al die dingen die je in de gemiddelde parochiekerk mist zijn er simpelweg aanwezig, en van al die dingen waaraan je je in de gemiddelde parochiekerk doodergert hebben ze in Groningen nog nooit gehoord.

Helemaal geweldig dus.

Maar dan het volgende. Omdat ik beide aanstellingen heb (voor oudgedienden: de lagere wijdingen,) vroeg de plebaan mij ongeveer een jaar geleden om in het vervolg mee Communie uit te reiken. Je zou denken dat je een dergelijke arbeid veilig aan kluizenaars toe zou moeten kunnen vertrouwen: veel pastoraal vernuft is er immers niet voor vereist.

Nu is het echter zo dat er ook mensen in de rij staan met hun armen gekruist voor de borst. Het gaat dan om kinderen die nog niet de eerste Communie hebben gedaan of om volwassenen die bezig zijn katholiek te worden (en dus ook nog geen eerste Communie hebben gedaan.) Het is de bedoeling dat je die een kruisje op het voorhoofd geeft en zegt: ‘God zegene u.’

Zo stond er op een zekere Zondag een jongedame bij mij in de rij. Zij was een jaar of zeven, schat ik zo. Het hoofdje trots geheven, blakend van zelfbewustzijn, lange golvende rode lokken. Ze hield haar handen parmantig gevouwen voor de borst, zodat het duidelijk was dat ze een kruisje moest hebben. Zo gezegd zo gedaan, niks aan de hand. Ik was alleen zo stom om mij, vertederd als ik was, iets onvergeeflijks uit de mond te laten rollen. Ik tekende haar het kruisje op het voorhoofd en zei: (ik durf het van schaamte nauwelijks op te schrijven…)

- ‘God zegene jou, kleine meid!’

Haar hoofd werd eerst blauwpaars en toen krijtwit. Ik voelde een onbestemde dreiging in de lucht hangen, en plotseling viel het mij op dat ze nogal scherpe, lange nagels had. Ook bracht haar nogal fin-de-siècle-achtige jurkje mij ineens eerder de ‘Bride of Dracula’ dan de ‘Sound of Music’ voor de geest.  Ze sperde haar mond wijd open van verontwaardiging (nee, geen puntige snijtanden, gelukkig) en krijste met een stemgeluid als een fileermes:

- IK BEN GEEN KLEINE MEID

Dit galmde (in mijn beleving dan) nog minuten na in de neogotische gewelven boven onze hoofden: ‘MEID………EI……….EI……….ei………..ei.……’

Enfin, men vermijdt bloedstollende belevenissen door levenservaring, en men verkrijgt levenservaring door bloedstollende belevenissen, zal ik maar zeggen…

Twee keer kijken…

dinsdag 23 februari 2010

Nederlanders staan er om bekend dat ze overal een oordeel over klaar hebben, ook de Nederlandse katholieken. Dat is jammer.

Een bekend boek over de grondhouding van de kluizenaar heet ‘Sich Gott aussetzen und standhalten.’ Vrij vertaald betekent dat ‘Zich tonen aan God en volhouden.’ Het is geschreven door de Duitse zuster Maria Anna Leenen, een zeer beschaafde en verfijnde kluizenares. Omdat ik persoonlijk meer een lompe Nederlandse boeren-gooi-en-smijt-kluizenaar ben heb ik het zelf meestal over met lege handen in je blootje voor God staan en zorgen dat je niks verzint om je mee te bedekken. Daarmee bedoel ik geen naakte oerwoudrituelen. Daarmee bedoel ik dat je je geestelijk overgeeft aan de Heer met al het goed en kwaad waarvan je je bewust bent, zonder jezelf te verdedigen of goed te praten.

Kluizenaar zijn vergt daardoor wel eens de nodige moed, en een zekere tolerantie voor gênante toestanden. Die moed is alleen op te brengen wanneer er in onze relatie met de goede God voldoende eerbied en vertrouwen is.

Eerbied: Ik heb de wil om mijn ziel naakt aan God te tonen omdat ik daar heil van verwacht, omdat ik God als Bron van alle vreugde en heelheid erken. Ik weet dat ik mijn schaamte niet voor niets overwin. Vertrouwen: Ik weet mij veilig bij God.

Andersom eerbiedigt God mijn vrijheid en beloont mijn naaktheid - mijn eerlijkheid naar Hem - door die te bedekken met vaderlijke liefde, vergeving en genezing.

Wat hierboven staat geldt weliswaar bij uitstek voor kluizenaars, monniken en slotnonnen, maar, met een andere intensiteit, ook voor katholieke slagers en slagerinnen, accountants, secretaressen en tandartsen. Want zonder een zekere kinderlijke openheid naar God stort elk gebed ter aarde.

Heeft dit alles nog een weerspiegeling in de omgang met de medemens? Zegt Christus immers niet: ‘Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad?’ (Joh.15:12)

Ik denk het wel. In het licht van het voorgaande zou ik dan ook de conclusie willen trekken dat de omgang van katholieken onderling zou moeten uitblinken in eerbied en vertrouwen.

Eerbied: Een ander woord voor eerbied is respect, van het Latijnse respicere, wat omkijken betekent, of acht slaan op, of, vrij vertaald, twee keer kijken. Dat doen we bijvoorbeeld door elkaar als unieke mensen te beschouwen, en elkaar niet rücksichtslos bij stromingen en ‘ismen’ in te delen.

Vertrouwen: Bij ons zou iedereen zich veilig genoeg moeten voelen om met zijn eigen talenten iets bij te dragen aan de majestueuze kathedraal die Katholieke Kerk heet, zonder bij de eerste fout van de steiger te worden gekieperd.

Openheid: Over ons zou men moeten zeggen: ‘Die katholieken, Ziet, hoe zij elkander beminnen

Iemand die van de oude Mis houdt is daarom nog geen Lefèbvriaan, en iemand die aarzelt over bijvoorbeeld de seksuele moraal is daarom nog geen aartslinkse acht-mei-ketter.

Het is een onbeleefde gewoonte niet naar elkaar te kijken wanneer je een toost uitbrengt. Het is een zonde om elkaar niet te zien wanneer je samen het Lichaam van Christus deelt…

Zoals al eerder opgemerkt is Warfhuizen geen overdreven vroom dorp, maar wordt er wel werk gemaakt van kerstmis. Verschillende dorpsgenoten vonden het jammer dat er geen kerststal was. Jaar na jaar kregen we dat van verschillende kanten te horen.

Kerststallen behoren echter niet tot de standaarduitrusting van kluiskapellen, en er was dan ook geen geld voor opzij gelegd. Zodoende heeft men een extra offerblok in het portaal gehangen, en is men aan het sparen geslagen.

Vervolgens had men twee keer enorme mazzel. Ten eerste begonnen de bedevaartgangers die uit verre streken naar Onze Lieve Vrouw van Warfhuizen kwamen mee te sparen voor de kerststal. Zo weet ik toevallig dat er eigenlijk een grote bos bloemen naar Limburg zou moeten. Dat was mazzel 1. Ten tweede werden de beelden (en die kosten het meeste van zo’n stal) geschonken door een anonieme weldoenster die daarvoor van alle Warfhuister kerstgangers een dikke kus verdient. Daardoor kon het gespaarde geld aan Pim Verwijk worden gegeven om een stal van te timmeren. Hij was dolblij dat hij nu het mooiste materiaal kon kopen en is er als een bezetene mee aan het werk geslagen. Het resultaat is, dat durven wij wel te stellen, de mooiste stal van de ommelanden (en de stad erbij!) Onze Pim is geen timmerman maar een kunstenaar!

De stal is natuurlijk nog leeg, maar ik ben zo trots op iedereen dat ik toch maar vast een paar foto’s plaats!

Retraite in Ticino 2009

maandag 2 november 2009

Toen ik, ergens twee weken geleden, op het vliegtuig naar Lugano stapte, had ik een lastige reis verwacht. Ten eerste toonde de foto in mijn paspoort een fris kaalgeschoren Benedictijns tiepje (voor de insiders: Coupe Vaals,) terwijl ik er in persoon ondertussen uitzie als een zwarte jurk waar een woeste bos haar uitsteekt (een soort kruising tussen Gargamel en het koekiemonster, maar dan niet blauw.)

Nu moet je weten dat ik me elk jaar bij de luchthavenbeveiliging al sowieso ongeveer moest uitkleden, waarschijnlijk omdat men ervan uitgaat dat ook een terroristische islamiet een habijt aan kan trekken. Nu ik er meer dan ooit uitzie als een saoudisch woestijnspook, en bovendien niet meer lijk op mijn foto, had ik een stortvloed van genant gedoe aan zien komen.

Niets van dat alles. Misschien zag ik er zó onbetrouwbaar uit dat ze dachten: ‘Dat kan niet waar zijn.’

Mijn tweede zorg betrof het gewicht van mijn bagage. Normaliter pak ik ultra-light als ik naar het vadertje moet, omdat zijn kluis op een plek ligt waar je haast niet kunt komen. Ik citeer uit het verslag van mijn eerste reis naar het vadertje:

Vanaf het parkeerdek kwamen we in de steile straatjes van een typisch Italiaans dorp, geplaveid met natuursteen, fonteintjes op de hoeken, oude straatlantaarns. Na drie van die gangen had ik (twee koffers, één met nogal wat boeken) aardig lamme armen.

We waren het hele dorp doorgelopen toen het verder ging door pikdonkere weilanden, nog steeds steil omhoog. Het zweet liep met stralen mijn sokken in, mijn hart klopte in mijn hoofd. Ik was een spontane mariaverschijning zeer nabij (ik zag de sterretjes al) toen de pater stilhield. “We zijn er,” dacht ik dankbaar, “God zij dank!” Hij knipte zijn zaklamp aan, scheen op een paar ezels die ons loom aangaapten. “Kijk eens wat een prachtige dieren!” bromde hij, en zetter er de pas weer in.

Twee weilanden verder begon een indrukwekkend kastanjebos en verdween het pad onder gladde bolsters en kastanjes. Zaklamp tussen de tanden en klauteren maar. En bidden dat ik niet in het donker nasst het pad zou stappen, de afgrond in. In bochten en kronkels ploeterde ik achter de pater aan de berg op, glibberend en glijdend door de bolsterbraggel. Gelukkig had hij een tas van me overgenomen, ik weet niet of ik anders boven zou zijn gekomen. In de bochten zag je door de bomen in de diepte de lichtjes van Lugano glinsteren in het meer.

Vanwege het liturgisch overleg met de vader dat voor deze keer gepland stond was mijn tas zwaarder dan ooit, met grote mappen met schemata en commentaren. De tocht naar boven was dan ook verre van aangenaam, maar na een hoop geploeter was ik dan toch boven in plaats van beneden, wij danken God.

Het vadertje was, zoals altijd, blij om me te zien. Dat doet een mens deugd.

De eerste vijf dagen regende het pijpestelen, was het mistig en twee graden boven nul. Bovendien kreeg ik vader Gabriël amper te zien, omdat er net een zwartrokkenplaag was uitgebroken. De een na de andere geestelijke kwam hijgend de berg opgekropen met allerhande zorgen en ellende, om een luisterend oor te vinden, een beetje vertroosting en misschien wat goede raad. Kluizenaars schijnen het aan te trekken, ik hoor het van iedereen. Zelfs hier in Warfhuizen doet zich het zelfde fenomeen voor (alleen heeft het vadertje bisschoppen en abten, en ik vooral kapelaans en een enkele pastoor: verschil moet er zijn.) Aan de ene kant is het dankbaar dat deze beste mensen ergens terecht kunnen, aan de andere kant kan het verschijnsel heel ontwrichtend werken als er teveel tegelijk komen (wat nogal eens gebeurt,) zoals nu gebeurde in de kluis van vader Gabriël.

Enfin, ik moest mezelf dus de eerste dagen een beetje redden, en omdat ik ook niet naar buiten kon heb ik enorm veel gelezen. (Evagrius, zoals meestal wanneer ik in Ticino ben.)

De tweede vijf dagen hebben vader Gabriël en ik ons uitgebreid gebogen over het getijdengebed in Warfhuizen. Al jaren ben ik daaraan op details aan het schaven, omdat zich voortdurend problemen voordeden. Ik begon zo langzamerhand bang te worden dat het schaven nooit meer op zou houden. We hadden het er telefonisch al over gehad, en ik heb er hier ook al een paar woorden over geschreven, maar nu konden we er gedetailleerd en grondig naar kijken. Het Benedictijnse officie dat ik tot nu toe gebruikte is voor gemeenschappen bedoeld, niet voor kluizenaars. In een gemeenschap kunnen de taken die verricht moeten worden over meer monniken worden verdeeld, en ontstaat zodoende een heel andere dynamiek dan wanneer één persoon alles zelf moet doen.

De heilige Johannes Cassianus geeft een model voor het getijdengebed dat hij zelf leerde kennen bij de Egyptische woestijnkluizenaars. Het is primitiever en minder uitgewerkt dan het schema van Benedictus (het is ook nog weer 100 jaar ouder, uit de vijfde eeuw,) maar het vadertje gelooft dat het voor mij een de oplossing is. In Oktober heb ik met een ruwe versie ervan al proefgedraaid, en nu hebben we de puntjes op de i gezet. Vanaf ergens in deze eerste week van November (nadat alles is opgeruimd en er nog weer de nodige werkzaamheden zijn verricht) moet het nieuwe ritme aan de loop zijn.

Deze vorm van koorgebed wijkt enorm af van alles wat ik tot nu toe heb gedaan of zelfs maar gezien. Toen ik als knulletje van achttien in het seminarie voor het eerst getijden leerde bidden uit het Romeinse brevier was dat een variant op Benedictus. Alles wat ik in kloosters had gezien tot nu toe was Benedictus of een variant daarop. Metten, Lauden, Priem Terts, Sext, Noon, Vespers, Completen, het was altijd gesneden koek. Er kon wel eens iets van weggelaten zijn, of iets aan toegevoegd, maar de ruggegraat ervan was toch altijd hetzelfde. Dat maakt dit avontuur best wel angstig, want het schema van Cassianus gaat uit van twaalf Psalmen aan het begin van de nacht, en twaalf Psalmen aan het einde ervan. De lengte van het totaal is niet anders dan ik gewend ben, maar alles is meer samengepakt in twee lange ‘wakes.’ Door de dag heen wordt men ook geacht te bidden, maar niet door middel van Psalmgetijden. In mijn geval is daar natuurlijk de Sacramentsaanbidding, en verder het Jezusgebed.

Enfin, het lijkt te gaan werken. God beware mij.

Ik wil langs deze weg graag iedereen die in Warfhuizen heeft opgepast op de kluis gedurende mijn afwezigheid hartelijk bedanken.



yada-yada-yada, falderalderie, troelala

zaterdag 3 oktober 2009

Ik heb hier de laatste maanden maar weinig geschreven.

Gedeeltelijk komt dat simpelweg omdat ik mijn tijd aan andere dingen heb besteed. Ik heb meer dan anders gelezen (o.a. Jung, Cassianus, Evagrius, Bunge, Ytsma,) en brieven geschreven (op papier, met een pen.) Verder zijn mijn middagen tegenwoordig anderhalf uur korter vanwege de Sacramentsaanbidding (wat een zaligheid, trouwens, vergeleken met aanbidding om 6.30!) en is er ook het gewone gedoe met het bijhouden van kerkhoven, het vermoorden van bereklauwen, het dweilen van vloeren, het omruilen van zakdoeken, het verven van altaren, het stijven van dwalen, het strijken van verkreukelde zwartrokken, enzovoort, enzovoort. Dan heb ik het nog niet over het koorgebed gehad (waarover in het begin van November meer.)

Toch is dat niet alles. De belangrijkste reden dat ik mij hier de afgelopen maanden maar nauwelijks heb gemeld is dat ik, eh, een beetje sprakeloos was.

De reden dat ik weinig schreef was dat ik, eeh, gewoon niet zoveel te zeggen had.

Nu weet ik wel dat al die bytes en bits niks kosten. Het is geen printerinkt of zo. Maar als ik onzin schrijf gaan driehonderd mensen per dag die rotzooi lezen in de hoop iets zinnigs op te doen of minstens een glimlach. En aan het eind van zo’n stukje komen ze dan tot de ontdekking dat ze hun tijd hebben verdaan. Tijd waarin ze ook hadden kunnen koperpoetsen, nagelbijten, krantlezen, rozenkransbidden of gootsteenontstoppen.

Als leuteren net zo duur was als printen zou de wereld beter klinken, denk ik.

Nou ja, vandaar dus.

Dromen en draken…

zondag 30 augustus 2009

Met stijgende verbazing lees ik het gekrakeel rond het luchtkasteel van Laura Dekker. Meiske Dekker is een bakvis van dertien jaar die, zoals past bij haar leeftijd, haar dagen doorbrengt met het rondzweven tussen de gepoederd roze wolken van haar meisjesdromen. Prima!

In haar geval heeft die droomwereld de vorm aangenomen van een reis rond de wereld in een zeilboot. In haar eentje… En niet als ze later groot is, maar nu. Nu kan ze er namelijk een record mee breken: de jongste zeiler ooit om de wereld te ronden!

Op die leeftijd hebben we allemaal rare dromen, en zo hoort het ook. Ik denk aan de mijne nog met genoegen terug.

Dat genoegen zou ik nu nooit hebben gesmaakt als ik destijds de kans zou hebben gekregen mijn puberale wazigheden in de werkelijkheid ten uitvoer te brengen. Kinderdromen hebben immers de neiging om in de dagelijkse realiteit in volwassen draken te veranderen.

Gelukkig had ik een geweldige vader en moeder, die mij van tijd tot tijd liefdevol maar effectief uit de wolken harkten en met beide benen op de grond zetten. (en God weet hoeveel werk ze met mij hebben gehad…)

Dergelijke ouders had ik Laura ook gegund…

En het stevige pak op de broek dat erbij hoort.

Ik ben er uiteindelijk wel bij gevaren…

P.S: Als Laura de kinderbescherming zo gek krijgt om haar te laten gaan (en dat zou me niets verbazen,) wordt haar record dan volgend jaar gebroken door iemand van 11? en dan van 10? En hoeveel daarvan zullen er verzuipen? Ik vraag maar…

Volgens de regel mag ik twee keer per jaar drie dagen afwezig zijn voor een bedevaart. Al sinds de tijd van de heilige Gerlachus is dat in Nederland voor kluisbroeders traditie. Het rare feit doet zich echter voor dat mij het bedevaarten vaak onmogelijk wordt gemaakt doordat Warfhuizen zelf een bedevaartplaats is geworden. Maria wacht in Maastricht nogal eens vergeefs op broeder Hugo omdat Maria in Warfhuizen teveel pelgrims trekt die graag een rozenhoedje en uitstelling hebben. Niet iets waar ik me druk over maak, wel een van die dingen die je af en toe achter je oren laten krabben omdat ze je laten beseffen hoe bizar het leven kan lopen.

Zo kon ik ook afgelopen Mei niet weg. Achteraf was dat waarschijnlijk de goddelijke Voorzienigheid, omdat ik zodoende nog een bedevaart tegoed had toen bleek dat het Credimus bootcamp van Warfhuizen verplaatst zou moeten worden naar Maarheeze in Zuid-Oost Brabant. Zo kon ik twee vliegen in een klap slaan, even naar sint Gerlach in Houthem, de Sterre der Zee in Maastricht en een paar daagjes logeren bij de jongeren in Maarheeze.

Het Credimus Bootcamp is een intensief kamp voor jongeren met uitbundige liturgie, een hoop aanbidding en lezingen die een stapje verder gaan dan het aanbod van het gemiddelde jongerenplatform. Daar treedt het dan ook niet mee in concurrentie, het vormt er eigenlijk een aanvulling op.

Naar de activiteiten van de verschillende jongerenplatforms komen altijd ook weer nieuwe jongeren die de ‘basics’ nog niet gehad hebben. Ook komen daar jongeren die wel gelovig zijn, maar niet zitten te wachten op lezingen over een minutieuze exegese van het boek Job of de details van de details van heiligverklaringsprocessen (en dan zwijg ik nog over uren aanbidding, Missen in twee vormen en een flink stuk van het getijdengebed in twee talen.) Zodoende kunnen dit soort dingen door het gemiddelde jongerenplatform niet worden aangeboden. Daarvoor is er dus het meer ‘hardcore katholieke’ Bootcamp, georganiseerd door de jongeren van het internetforum ‘Credimus.’

Vorig jaar vond het plaats in Warfhuizen, dit jaar in Maarheeze, een dorp met een prachtige neoromaanse kerk waaraan een groot parochiecentrum verbonden is. Erachter ligt een besloten grasveld waar prima gekampeerd kan worden.

Zo kwam ik zondag 12 Juli na een reis van 7 (!) uur in Maarheeze aan (de trein van Utrecht naar Eindhoven werd omgeleid via o.a. Veenendaal de Klomp.) Daar hadden ze er al enige dagen en lezingen opzitten, en was de sfeer ondertussen aardig op gang gekomen.

Ik had helaas de lezing van Tjeerd Visser gemist, maar kreeg nog wel de kans kennis te maken met deze sympathieke en energieke kapelaan uit Delft. De maandag stond er een H. Mis volgens de buitengewone vorm op het programma. Indrukwekkend verstild, zoals altijd. (Er stond trouwens maar één zo’n Mis op het programma. Het Bootcamp is geen ‘Tradi’ kamp, zoals onwetende mekkeraars weleens willen beweren.)

Ik ben de afgelopen week blij verrast door zowel de geestelijke diepgang van een aantal van de jonge deelnemers als de kwaliteit van de lezingen. Daar sprongen vooral de lezing van diaken Peter Vermaat van het bisdom Groningen en de lezing van Harry Broers en Dolf Dormans uit.

De lezing van Vermaat ging vooral over de subjectiviteit van de geloofsbeleving en de invloed daarop van het ‘moderne levensgevoel.’ De diaken speelde aan de lopende band met allerlei paradoxen waar we ons niet meer bewust van zijn, maar die wel een rol spelen in hoe we tegen de werkelijkheid, de schepping en onszelf aankijken. Daarbij kwamen allerlei filosofen, heiligen en theologen voorbij, waarbij het opviel dat niet alleen de geijkte namen voorbij kwamen, maar ook voor de leek minder bekende. Iets om nog eens in te duiken.

De lezing van pastoor Harry Broers van Munstergeleen ging over het heiligverklaringsproces van de heilige pater Karel Houben, ook uit Munstergeleen. We werden binnengeleid in de wereld die Vaticaan heet, in de (soms schier eindeloze) procesgang bij een heiligverklaring, en vooral de procedure bij het vaststellen van een wonderbaarlijke genezing. Daarbij was het bijzonder dat de genezene zelf, de heer Dolf Dormans, meegekomen was en ook uitgebreid aan het woord kwam. Het eenvoudige, maar ook zeer diepgaande en vertrouwvolle geloof van deze man maakte indruk op alle aanwezigen. Ik werd er haast een beetje jaloers op. De pastoor maakte mij aan het einde van zijn lezing zeer blij door mij een reliek van de heilige Karel te beloven voor de kluiskapel in Warfhuizen. De volgende dag (woensdag) zou ik naar Limburg reizen voor mijn bedevaart, dus kon ik gelijk naar Munstergeleen om het op te halen.

Inderdaad ben ik de volgende dag met de beste seminarist Patrick op reis gegaan naar mijn favoriete heiligdommen. Ik bedoel: Lourdes en Fatima zijn natuurlijk leuk en zo, maar stellen vanzelfsprekend niets voor vergeleken met de Sterre der Zee in Maastricht en het graf van Gerlachus in Houthem… Ook het kluisje waar mijn laatste voorgangers in deze exacte stijl van kluizenaarsleven verbleven hebben we weer bezocht, op de Schaelsberg bij Walem (Valkenburg.)

We begonnen op de meest verafgelegen plaats, namelijk Houthem, waar de belangrijkste Nederlandse kluizenaar begraven ligt: de heilige Gerlachus. Veel van wat deze man heeft beleefd en beslist heeft nog dagelijks invloed op mijn leven, soms tot in kleine details. Tot mijn grote schrik hadden ze zijn oude schrijn weggeparkeerd en zijn gebeente in een soort jaren-zestig-tabernakel gelegd.

Het geval is van donker brons met vierkante bergkristallen stenen, dat eigenlijk best stijlvol is, maar in die kerk (barokker, barokst, barokster) echt niet past. Het voordeel was wel dat je er nu vlakbij kunt komen, het schrijn aan kunt raken en er met je neus bovenop kunt gaan zitten bidden. Dat vind ik erg goed bedacht. Zo is het makkelijk buurten met deze beste heilige.

Na Houthem ging het door naar de kluis op de Schaelsberg. Die kluis is nu een museumpje, maar toch hangt er nog een zekere gewijde sfeer. Ontroerend vind ik altijd de stoel waarin kluizenaar Henricus Weerts is gestorven. Hij was een zeer indrukwekkende kluizenaar, zo eentje waar ik me een salonheremiet van ga voelen. Ik heb hem hartelijk om zijn voorspraak gevraagd.

Het was inderdaad als thuiskomen bij de Sterre der Zee, zoals altijd. Achttien jaar geleden werden mij daar de ogen geopend voor de Rooms-katholieke Kerk. Hoeveel heb ik ondertussen daar al meegemaakt, goed en kwaad. Hoezeer ben ik ondertussen met haar verweven. Enfin, over dat soort zaken schrijve men niet te licht allerlei onzin op, dus houd ik het erbij dat deze plaats voor mij zeer belangrijk is.

Ten slotte dan voor het eerst naar Munstergeleen. De pastoor ontving ons inderdaad zeer hartelijk. Wat een fijne mens is dat (sorry voor het Brabants.) We hebben gezellig zitten buurten in zijn nogal sfeervolle pastorie en inderdaad kreeg ik een prachtige reliek van pater Karel Houben (van het lichaam: ‘ex corpore’) voor de kluiskapel in Warfhuizen. We weten nu wie we, naast onze lieve vrouw, centraal zullen stellen bij de volgende broederschapsbedevaart! Op de koop toe verblijdde hij mij ook nog met een mooi boek over de pater en een klein borstbeeld van de heilige voor op de boekenplank.

Tot zover even deze turbosamenvatting. Over Pater Karel en het verkregen reliek later nog meer…

Rozenkrans onder de aanbidding 3

woensdag 1 juli 2009

Zoals gezegd hebben verschillende lezers meegedacht over het ‘probleem’ van de rozenkrans onder de aanbidding. Zo schreef iemand het volgende:

  • Het Woord wordt vlees, door het baren van Maria.
  • Door Maria heen openbaart God zich, Maria baart Jezus, Maria toont Jezus.
  • Maria toont ons hoe eenvoudig het is om het Woord, Jezus, te ontvangen en te tonen: Je hoeft slechts ‘ja’ te zeggen, ‘Mij geschiede naar Uw Woord.’ (…)
  • Het Ja-woord van Maria toont ons hoe ook wij het Woord vlees kunnen laten worden: de Liefde moet vrucht dragen. Ook wij mogen Ja zeggen. Het Woord wil antwoord, ons Ja-woord.
  • Aanbidding is ons Ja-woord naar het voorbeeld van Maria.
  • De cirkel is rond: Maria toont ons Jezus bij Zijn geboorte, Jezus toont ons Maria bij Zijn dood: “Moeder, zie daar uw zoon” (= Johannes = de mensheid = jij en ik), en: “Zoon (= Johannes = de mensheid = jij en ik), zie daar uw moeder”. Jezus geeft ons Maria als onze moeder, als onze weg naar Hem.
  • Als wij het moeilijk hebben met ons geloof: vraag het aan Maria: toon ons hoe je ‘ja’ zegt: ‘Mij geschiede naar Uw Woord.’
  • Maria, de monstrans van Jezus: En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot.

Ik vind dat alles mooi geformuleerd. Deze persoon heeft duidelijk goed over deze hele materie nagedacht.

Het ‘probleem’ van het rozenhoedje onder de aanbidding is alleen niet zozeer theologisch van aard als wel praktisch. Wie de moeder (op een gezonde manier) eert, eert ook de Zoon. Wie de moeder eert komt uit bij de Zoon. De moeder verwijst altijd naar de zoon. De Zoon is niet jaloers op de moeder, noch ook de moeder op de Zoon. Er bestaat niet zoiets als een ‘heilige concurrentie.’

De moeilijkheid ligt dan ook niet bij Jezus of Maria, maar bij onszelf, en ons beperkte vermogen om onze concentratie en onze verbeeldingskracht te beheersen.

Maria als monstrans vind ik een mooi voorbeeld. Een monstrans is een houder om het Sacrament te tonen (Monstrans komt van het Latijnse monstrare wat tonen betekent.) In feite is het niet meer dan een ding om de Hostie rechtop te houden, zodat men ernaar kan kijken. In feite zou een dun stangetje met een Hostie-houder (een zogenaamde lunula) voldoende zijn. In de praktijk is men echter, om het Sacrament te eren en ook om er van grotere afstand de aandacht op te vestigen, de monstrans steeds meer gaan versieren en optuigen. Idealiter trekt deze versiering de aandacht naar binnen, naar de Hostie. Meestal heeft deze versiering dan ook de vorm van een stralenkrans rond het Sacrament. Als voorbeeld geef ik hier onze eigen monstrans in Warfhuizen, die ik zelf prima vind ‘werken:’ uitbundig genoeg om de aandacht naar het Sacrament te trekken, maar ook eenvoudig genoeg om de aandacht bij het Sacrament te laten:

Heel anders wordt het wanneer de versierdrift het overneemt, of wedijver met de buurparochie. Sommige barokke monstransen hebben duidelijk last van dit euvel. Het meest gruwelijke voorbeeld vind ik zelf altijd de zogenaamde ‘Lepanto Monstrans’ uit de Maria de Victoria-kerk in Ingolstadt in Beieren:

Zoals je ziet is deze monstrans beeldig versierd met de aan flarden geschoten schepen van de Turken, die in 1571 werden verslagen door een christelijke vloot in de zeeslag bij Lepanto. Deze overwinning was een keerpunt in de expansie van het Ottomaanse rijk, en dus de verspreiding van de Islam. Het succes van de christelijke vloot werd algemeen toegeschreven aan het rozenkransgebed, en werd zodoende een semi-religieus motief. Hoe dan ook: je kunt je voorstellen dat het tijdens een fijn uurtje aanbidding moeilijk wordt je aandacht bij het Sacrament te houden als je wordt afgeleid door een goud-en-zilveren veldslag eromheen (in dit geval letterlijk.) Omdat dit voorbeeld misschien wat extreem is geef ik nog een ander voorbeeld:

Hier geen hak-en-pletwerk maar lievige engeltjes en zelfs briljanten bloemetjes achter het glas van de lunula, zodat de Heer letterlijk achter de geraniums zit. Allemaal heel christelijk, maar het leidt nog steeds af van waar het eigenlijk om gaat.

‘Wat heeft dat alles met Maria te maken? Zij is toch de bescheidenheid zelve?’ zeg je nu misschien. Daar heb je dan gelijk in. Maar onze geest is helaas maar tot een beperkte hoeveelheid aandacht in staat. Als we dus voor de monstrans knielen en we willen ons bij de Heer houden, hoe gaat dat dan in de praktijk wanneer we door de mondgebeden die we gebruiken voortdurend naar Maria getrokken worden? En wat als onze verbeeldingskracht dan vervolgens Maria gaat ‘optuigen,’ zoals de zilversmid in Ingolstadt het deed met zijn ‘Lepanto-monstrans?’

Dat er wel degelijk verwarring kan optreden zou ik willen illustreren met het volgende voorbeeld, waar ik persoonlijk echt de kriebels van krijg:

Hier heb je Maria letterlijk als monstrans. (Natuurlijk is het een voorbeeld uit Amerika.) In het middelste medaillon past namelijk een (erg grote) Hostie:

Het probleem begint hier natuurlijk al bij buitenstaanders die misschien denken dat in dit ‘Heerlijk vat van godsvrucht’ Maria’s lichaam wordt bewaard, of iets dergelijks.

Maar zelfs voor katholieken met een zeer uitgebreide kennis van de eucharistische werkelijkheid: zou jij in staat zijn om voortdurend in je hoofd je aanbidding voor het Allerheiligste te scheiden van de levensgrote beeltenis eromheen? Ik niet, in ieder geval. Ik zou zoiets zelfs al niet willen met een beeld van Christus, laat staan op deze manier.

Terug naar het rozenhoedje onder de aanbidding:

Eigenlijk blijkt het wel goed te werken, dus we houden het zo. Ik heb me eigenlijk om niks druk gemaakt. Zelf ervaar ik het alsof de heilige maagd, de aanbidster bij uitstek, ons voorgaat in de aanbidding. Aan haar hand, over het pad van de geheimen, zullen we echt niet verdwalen.

Maar alle andere devoties die niet rechtsstreeks op Christus betrekking hebben, of het nu om Maria of om de zweetvoeten van de heilige Antonius gaat: niet onder de aanbidding.

Geen taferelen rond mijn lunula. Njet!