Rozenkrans onder de aanbidding 2
woensdag 1 juli 2009

Enige tijd geleden schreef ik naar aanleiding van het bidden van de rozenkrans onder de aanbidding van het Allerheiligste dit stukje. Ik heb toen al aangekondigd dat ik van plan was erop terug te komen. Verschillende mensen zijn door mijn opmerkingen van toen aan het denken gezet. Hun opmerkingen wil ik hier graag met jullie delen, naast enkele gedachten die bij mijzelf zijn opgekomen.
Allereerst ben ik naar aanleiding van mijn gevoelsmatige weerstand tegen het rozenhoedje onder de aanbidding te rade gegaan bij het ‘Directorium over volksvroomheid en Liturgie’ van de congregatie voor de goddelijke eredienst en de regeling van de Sacramenten.
Dat document hoort bepaald niet bij mijn favoriete kerkelijke documenten. Ik vind het een erg grijzig en ambivalent geheel. Ik denk dat dat komt omdat het bedoeld is voor de hele wereldkerk terwijl het gaat over een onderwerp dat bij uitstek geografisch bepaald is. De schrijvers zaten volgens mij met hun gedachten nogal eens in afgelegen zuidelijke streken, waar soms de linker grote teen van pater Pio grotere verering geniet dan God de Vader. Zodoende hangt het boekje (begrijpelijk) nogal eens aan de rem wat volksdevotie betreft, soms meer dan in Noord-Europa in mijn ogen nodig of zelfs wenselijk zou zijn. Als ze in Zuid-Italië teveel peper in hun soep gooien wil dat immers nog niet automatisch zeggen dat er in Groningen niet een snufje bij zou mogen. Ook andersom zijn er trouwens voorbeelden te vinden.
Ik had dan ook verwacht dat het document streng zou zijn ten opzichte van Mariale devoties onder de Sacramentsaanbidding. Gedeeltelijk is dat ook zo: (…) Zo zullen zij langzamerhand begrijpen dat er tijdens de aanbidding van het Allerheiligste Sacrament geen andere devotionele praktijken ter ere van de heilige Maagd Maria en de heiligen plaats mogen vinden (nr.165 onderaan.) Maar direct daarna volgt dan: Op grond van de nauwe band die Maria en Christus verenigt, zou echter het bidden van de rozenkrans kunnen helpen aan het gebed een diepe christologische richting te geven, omdat men daarbij de mysteries van menswording en verlossing overdenkt.
Dat klinkt logisch, maar in de dagelijkse werkelijkheid hebben we wel de complicatie dat in de praktijk de rozenkrans standaard gevolgd wordt door de Lauretaanse Litanie, en dat wordt alweer veel ingewikkelder. Vervangen door de litanie van het Allerheiligst Sacrament en de Lauretaanse Litanie uitstellen tot na de instelling? Maar dan bidden we al ‘Gezegend zij God…’
Enfin, we moeten ons er maar mee redden. Wordt vervolgd.
Dweilorkest
vrijdag 19 juni 2009

Van alle landen in het ondermaanse is Nederland misschien wel het allerondermaanst. Daarom heet het natuurlijk ook Nederland. Logisch.
Ook de mensen in Nederland zijn ondermaanser dan andere ondermaanse mensen. Dat heeft tot gevolg dat ze niet bepaald bekend staan om hun religieuze genie.
Dat is ooit anders geweest. In de zogenaamde middeleeuwen kropen hier hele generaties grote mystici uit de klei. Hadewijch en Dodo, Ruusbroec en van Kempen bestormden vanuit de Nederlanden de hemel. Van de hemel is hier immers genoeg, omdat al het andere plat is.
Enfin, zo werkt het niet meer. Hoeveel hemel er in Nederland ook is, veel Nederlanders ziet het niet meer, en willen het klaarblijkelijk ook niet zien. Zij stáán niet alleen met beide benen op de grond, maar klampen zich er ook aan vast, alsof heel dat ruime blauw boven hun hoofden beangstigend is, omgekeerd, diepte in plaats van hoogte.
Misschien is het ook wel daarom dat zij geschokt reageren als zij in hun eigen platte modderland een plaats ontdekken waar hemel en aarde elkaar raken en zich met elkaar vermengen. Een heilige plaats noemen wij mensen dat. Elke simpele parochiekerk is in essentie zo’n plaats.
In de afgelopen decennia heeft men nogal eens geprobeerd dergelijke plaatsen van elk mysterie te zuiveren, huiselijk te maken, de hemel terug naar boven te jagen. Zodoende zijn heilige plaatsen in ons land zeldzaam geworden, of tenminste vaak niet meer als zodanig herkenbaar.
In Warfhuizen hebben wij altijd ons best gedaan van de kluiskapel een echt heiligdom te maken, de ruimte te geven aan het heilige. Dat dat gelukt is (zelfs nog een beetje meer dan oorspronkelijk de bedoeling was,) merken we aan het bezoek van allerlei mensen die juist wel op zoek zijn naar een plek waar de grenzen tussen hier en hierna wat minder scherp zijn te trekken.
Als deze mensen mij aanspreken prijzen ze mij vaak gelukkig. ‘Om op zo’n plaats te mogen wonen!’ En ze hebben gelijk: de meetsnoeren zijn mij in een lieflijk oord gevallen.
Aan de andere kant ervaar ik deze plaats natuurlijk niet op dezelfde manier als zij. Ik ben hier dagelijks, ik ben gewend aan deze sfeer. Ongeveer zoals de Drent niet meer opkijkt van een bos meer of minder, en de Limburger zich niet meer verwondert over de schoonheid van zijn heuvels, zo moet ik soms echt even een ogenblikje stilstaan om mij werkelijk bewust te worden van de bevoorrechte atmosfeer van deze plaats.
De grap is, dat ik er nog het meest door wordt opgetild wanneer ik bezig ben met hele gewone, huishoudelijke dingen.
Zoals dweilen, bijvoorbeeld.
Als ik met mijn emmers en zwabbers de trapjes naar het heremietenkoor opklauter, de wolken damp-met-groene-zeep uit de emmers opstijgen en zich vermengen met de oude wierooklucht, dan ontstaat er soms een heel bijzondere stemming. Juist de eenvoudige dingen met aandacht verrichten en niet vooruitkijken naar het einde ervan kan soms meer doen dan duizend weesgegroetjes.
Als dan de zwarte stenen vloer steeds natter wordt tekent zich in de diepte een andere kerk af, dezelfde als boven, maar donkerder en helderder tegelijk. Als een vochtige bries draait, zwiert en zwaait mijn mop over de tegels en door die andere kerk, alsof je met je zwabber in een andere dimensie staat te porren. De gipsen heiligen zien er met welgevallen op toe dat het ernst blijft met de eenvoud, en dat al het ernstige eenvoudig wordt. Zalig de armen van geest, want zij zullen God zien. Geprezen zijt Gij, Vader van hemel en aarde voor al die dingen die de wijzen en verstandigen niet zien, maar die heel gewoon zijn voor kinderen, zotten en simpelen. Een stil muziekje bij een mooi werkje. Een dweilorkest.

De mooie foto’s zijn van Marjo Antonissen
Alleluia voor Maria
zaterdag 23 mei 2009

Het bedevaartseizoen verloopt in Warfhuizen dit jaar rustiger dan gebruikelijk, wat enerzijds te maken heeft met het weer en anderzijds met organisatorische ongelukjes eerder dit jaar. Ik vind dat allemaal niet erg, ik ben in de eerste plaats kluisbroeder, geen opzichter van een bedevaartplaats.
Een nadeel is wel dat ik tot nu toe nog niet in de ‘Meimaandsfeer’ was gekomen, iets waar ik toch wel waarde aan hecht, net als aan de ‘kerstsfeer’ en het ‘Paasgevoel.’ Gelukkig is dat gisteren ruimschoots gerepareerd. Eens per jaar krijgt Onze Lieve Vrouwe van Warfhuizen namelijk een groep hoogbejaarde pelgrims van het verzorgingshuis ‘Maartenshof’ op bezoek die mij altijd met een gelukkig gevoel achterlaten.

Door het mooie weer konden ze vanaf Wehe-den Hoorn (dezelfde route als de processies) lekker in het zonnetje naar Warfhuizen worden gereden (in de rolstoel.) Zodoende kwamen ze al extra goedgemutst aan, en verdroegen ze het gehannes met de vele drempels op het bordes zonder een onvertogen woord. Binnen had ik alle kaarsen aangemaakt. Dat doe ik bijna nooit, maar voor deze groep altijd. Deze mensen verheugen zich altijd al tijden van tevoren op de tocht naar Warfhuizen. Het is voor hen één van de hoogtepunten van het jaar. Helemaal wakker en met glimmende ogen zitten ze altijd al voor de dienst van top tot teen te genieten. Daar doe ik dus graag een beetje extra moeite voor.

Elk jaar is er bij deze groep een mevrouw voor wie ik een bijzonder zwak heb. Ze is duidelijk altijd al erg godsdienstig geweest, want ze kent de gekste dingen uit haar hoofd, inclusief zo ongeveer alle slotoraties (afsluitende gebeden van litanieën etc.) Omdat ze wat aan het dementeren is vergeet ze wel eens wat ze wel en niet hoort te doen, en steevast pleegt ze ergens halverwege de dienst een liturgische coup.
Ik: Bid voor ons, heilige moeder van God,
Mevr. Postma: OPDAT WIJ DE BELOFTEN VAN CHRISTUS WAARDIG WORDEN!
Ik: Laat ons bidden. Heer, wij hebben door…
Mevr. Postma: HEER, WIJ HEBBEN DOOR DE BOODSCHAP VAN DE ENGEL DE MENSWORDING VAN CHRISTUS UW ZOON LEREN KENNEN. WIJ BIDDEN U, enz. enz.
Ik smelt altijd helemaal als ze dat doet, en gelukkig neemt ook verder niemand er aanstoot aan. Ze eindigt steevast met: ALLELUIA VOOR MARIA. Die had ik nog nooit gehoord, dus dat zal wel een eigen vondst zijn.

Het gaat bij deze mensen (vijfentachtig en ouder) om de laatste generatie katholieken die en bloc het geloof beleeft op een manier die sterk verwant is aan de mijne. Onder de lichtingen na hen is de onnadrukkelijke, maar ook zo kenmerkende vroomheid die hen tekent al niet meer vanzelfsprekend. Dat klinkt triest, maar ik word er niet verdrietig van, het is de normale gang van zaken. Wij dragen onze schatten in aarden kruiken.
Toch geniet ik er elk jaar bijzonder van om deze mensen even onder te dompelen in de sfeer en de inhoud die ze het meest dierbaar en eigen is, en die ze nog maar zo zelden buiten hun eigen gedachten en herinneringen kunnen beleven.
Aanbidding met achteruitkijkspiegel
maandag 4 mei 2009

De moeder van een van mijn boezemvrienden was, toen ze een pubermeisje was (we schrijven 1964,) de wandelende schrik van de pastoor van Asten. Zo had Tineke (laten we haar Tineke noemen,) op een goede dag eens besloten dat ze eigenlijk niet goed begreep waarom ze van haar moeder zo vaak moest biechten. Zij was niet op haar mondje gevallen (nog steeds niet, trouwens,) en deelde de kapelaan tijdens de eerstvolgende biecht mee dat het haar boven de pet ging waarom ze toch maar steeds weer die biechtstoel in moest. ‘Kom morgenavond eens praten op de pastorie, dan hebben we het er wel over,’ zei de kapelaan zachtmoedig.
De volgende avond zat Tineke bij de kapelaan aan de koffie, en volgde er een goed en aangenaam gesprek. Dat wil zeggen: totdat de deken ten tonele verscheen. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg de deken scherp. ‘Ze begrijpt niet waarom ze moet biechten,’ zei de kapelaan, ‘dus probeer ik het haar even uit te leggen.’
Het hoofd van de deken werd zo rood als vurige kolen, zijn ogen versmalden zich tot dunne spleetjes. ‘Je hoeft nooit meer te biechten en ook niet meer naar de Mis te komen,’ bulderde hij.
Stralend ging Tineke naar huis, waar ze haar moeder op blijde toon vertelde dat ze nooit meer hoefde te biechten en ook nooit meer naar de Mis hoefde. ‘Dat heeft de deken zelf gezegd,’ voegde ze er voldaan aan toe.
Moeder gaf haar een klinkende draai om de oren, zette haar handen in haar zij en sprak op scherpe toon: ‘De volgende zondag ga je drie keer!
Tineke zat in de kerk altijd op de achterste bank met haar vriendinnen, die bijna net zo ondeugend waren als zij. Zodoende zaten ze regelmatig te teutebellen, elkaat foto’s te laten zien en te lachen. Niet zelden kreeg de deken dat op den duur in de gaten. Dan stormde hij met kazuifel en bonnet van het altaar af en joeg de dames onder het roepen van donder en geweld en galg en rad de kerk uit, soms tot in het plantsoen aan de overkant aan toe.
Tineke kan smakelijk over deze voorvallen vertellen, waarbij ze altijd ruiterlijk toegeeft dat de deken wel een beetje gelijk had.
Wat ik aan de laatste anekdote altijd een beetje merkwaardig heb gevonden is het volgende: In de tijd waarover we spreken stond de priester tijdens de Mis naar het oosten gekeerd, dus met zijn gezicht eendrachtig in dezelfde richting als de gelovigen. Hoe kon de man dan in vredesnaam zien wat er achter hem, en nog wel op de achterste bank, gebeurde?
Later legde een oudere priester het mij eens uit.
‘De deurtjes van het tabernakel waren vaak zo glimmend gepoetst dat het net een spiegel was waarin je de hele kerk kon zien.’
Zo werd mij veel duidelijk, al vond ik het niet zo eerbiedig dat de deken onder de Heilige Mis voortdurend zat te letten op wat er achter zijn rug gebeurde. Ook vond ik het niet erg herderlijk van hem om Tineke op die manier weg te jagen.
‘Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld zult worden,’ zegt de Heer in het Evangelie.
Gisteren overkwam mij namelijk precies hetzelfde tijdens de aanbidding.
In de tombe van het Heilig Kruisaltaar zit een ovaal venster met een stuk scheenbeen van de Heilige Bonifatius erachter. Als je nu voor het subpedaneum (het vlonder) op een knielkrukje zit kan je in het glas van dat reliekschrijn de hele kerk overzien. Toen dus op een onbewaakt ogenblikje mijn blik wat zakte en van Ons Heer in de monstrans op het reliekschrijn terechtkwam, zag ik in de weerspiegeling daarvan dat er een ouder echtpaar was binnengekomen. Ze waren typisch van de moeilijke leeftijd, zeg maar tussen de zestig en de zeventig. Vooral de man gedroeg zich vreselijk oneerbiedig. Hij hing nonchalant tegen een herenbank aan met zijn handen in de zakken, grijnsde spottend en had bovendien zijn baseballpetje niet afgenomen. (Eigenlijk vind ik het al tegen de goede zeden om op die leeftijd überhaubt een baseballpetje te dragen, maar dat terzijde.)
Ik kon mij niet bedwingen en zei, rustig maar zeer helder, duidelijk en vriendelijk:
‘Van harte welkom in de liefdevolle Aanwezigheid van de Heer. Zou u zo goed willen zijn uw handen uit uw zakken te halen en uw pet af te nemen?’
Ik zat geknield op de grond met mijn rug naar ze toe, kap over het hoofd en al, dus het moet (zeker in die donkere, wierookdoortrokken kaarsenschijn) heel unheimisch voor ze zijn geweest dat ik in de gaten had wat er achter mij in de kerk gebeurde.
Ze schrokken zich dan ook ongans, sprongen op en vluchtten de kerk uit. (‘Huuuh,’ hoorde ik die vent nog roepen.)
Ik moet tot mijn schaamte bekennen dat dat mij niet weinig vermaak bezorgde.
Toen richtte ik mijn ogen weer op ons Heer en ik herinnerde mij hoe streng ik altijd had geoordeeld over deken van Hout uit Asten, omdat hij tijdens de Mis was afgeleid door wat er achter hem gebeurde, en omdat hij de mensen de kerk uitjoeg in plaats van dat hij de kerk voor hen tot een thuis maakte.
Ik besefte dat de zachtmoedigheid moet heersen over de gestrengheid, om zo de mensen zich gelukkig te laten voelen in de Kerk. Daarbij kwam nog dat ik als in een film al die momenten aan mij voorbij zag trekken dat ik zelf oneerbiedig ben geweest (vaker dan je zou denken.)
Ik voelde mij, met andere woorden, een hypocriete zak.
‘Genees mij Heer, tegen U heb ik misdaan,’ bad ik met een rood hoofd, terwijl ik sterk het gevoel kreeg dat de Heer mij liefdevol en met ontferming uitlachte.
Gethsémané
donderdag 9 april 2009

De Liturgie stuwt het jaar weer naar haar meest ingrijpende momenten toe. Vanavond begint het hoogheilig Triduum. Wij vieren vandaag de instelling van de Eucharistie, en daarna waken wij met de doodsbange Christus in de Hof van Gethsémané.
Gethsémané is mij altijd bijzonder dierbaar geweest. Misschien komt dat wel omdat ik nog nooit aan het kruis ben geslagen, maar al ontelbare keren bang ben geweest. Waar het lijden van Goede Vrijdag indruk maakt omdat het voor ons volslagen onvoorstelbaar is, roept de duisternis van de nacht in de Hof van Olijven juist een levendige herkenning op.
Zou Christus toen alleen bang zijn geweest voor het lijden dat Hem de volgende dag te wachten stond? Of zou het zweet Hem ook zijn uitgebroken omdat Hij wist hoeveel van het Bloed dat Hij voor ons zou vergieten door ons verspild zou worden?
Als dat laatste het geval is leven wij dus als het ware in zijn angstdroom, en maken wij daar deel van uit. Dat klinkt niet hoopvol, maar dat wordt anders als we bedenken dat Hij die nacht ondanks alles heeft doorgezet. ‘Vader, niet mijn wil geschiede, maar uw Wil.’
Hij vond ons duidelijk toch de moeite waard, hoeveel angst en onmacht wij Hem ook bereiden. Hij heeft zich als een ware Goede Herder in de doornen gestort waarin wij onszelf elke dag weer verstrikken.
Dat bemoedigt mij telkens als ik weer eens met een schok tot de ontdekking kom dat ik de fout ben ingegaan.
Hij waagt zich in het oerwoud van mijn onheilige angsten en begeerten, zelfs daar waar ik zelf nauwelijks durf te komen.
Hij komt mij halen.
Antonius Abt
donderdag 2 april 2009
Omdat de serie met woestijnvaderspreuken begint met een aantal gezegden van en over de heilige Antonius Abt schrijf ik maar eens even een paar woorden over zijn verering in Warfhuizen.
De heilige Antonius Abt (of Abba Antonius, zoals de vaderspreuken zeggen) leefde in de derde en vierde eeuw in de Egyptische woestijn. Hij is een van de grondleggers van de kluizenaarsgemeenschappen die daar tot bloei kwamen, en waaruit in feite heel het westerse kloosterwezen is voortgekomen.
We zijn over zijn leven redelijk gedetailleerd op de hoogte door de biografie die de heilige Athanasius van Alexandrië (een tijdgenoot) over hem schreef. Voor wie meer over hem wil weten verwijs ik graag naar die biografie, die hier integraal en geïllustreerd online staat op de uitmuntende site van Dolf Hartsuiker.
De boetedoeningen die hij zichzelf oplegde zijn legendarisch geworden. Zelfs de vadertjes die hem kenden (en die er zelf ook wat van konden) waren het erover eens dat hij daarin onnavolgbaar was. Hij vastte ongelooflijke perioden en sprak soms jaren achtereen geen mens.
Antonius is vooral bekend geworden door de bekoringen die hij in de woestijn moest verduren. Beroemde kunstenaars uit alle tijden hebben dit gebeuren verbeeld. Ik plaats hier een paar voorbeelden.

Deze eerste had ik eigenlijk nog nooit gezien. Ik denk dat het een Frans werk uit de negentiende eeuw moet zijn. De duivel lijkt me in dit geval een soort sansculot.

De tweede is de wereldberoemde bizarre dagdroom van Salvador Dalí

Jeroen Bosch maakte er natuurlijk weer een circus van. Een prachtig circus, trouwens, dat dan weer wel.

Hetzelfde kan ik niet zeggen van Félicien Rops, die werkelijk alles kon gebruiken om zijn antichristelijke ideeën uit te dragen. Je ziet hier duidelijk dat de duivel wordt neergezet als vrolijke frans, terwijl Antonius en vooral ook Christus zelf als duistere figuren worden afgebeeld. Félicien was een decadente schilder aan het einde van de negentiende eeuw met een soms zeer duistere verbeelding. Ik heb geaarzeld om zijn werk hier op te nemen, maar ik doe het toch omdat hij juist die hersenspinsels aanschouwelijk maakt die ook bij uitstek de ‘moderne’ mens bezighouden en kwellen.
Met Antonius heeft dat ondertussen weinig meer te maken. Wie de vaderspreuken en de biografie van Athanasius gaat vermoeden dat hij leefde in een sfeer die weliswaar zeer ascetisch was, maar ook blijmoedig en eenvoudig.
In Warfhuizen blijft zijn verering wat op de achtergrond. Hij is wat uiterlijke devotie betreft een beetje verdrongen door de heilige Gerlachus van Houthem (de patroon van de Nederlandse kluizenaars.)

Wel wordt zijn feest op 17 Januari natuurlijk uitbundig gevierd en prijkt zijn reliekschrijn nog altijd zeer prominent in het rechter zijretabel van de kluiskapel. Ook staat hij heel pront op de achterkant van één van de prentjes van O.L.V. van de Besloten Tuin.

Er zijn toch nog altijd mensen die bijzonder in hem geïnteresseerd zijn. Met enige regelmaat wordt er naar het schrijn gevraagd. Er zit overigens maar een zeer klein botfragmentje in, waarvan het - met zo’n oude heilige - natuurlijk maar de vraag is of het echt is.
Hoen dan ook: het is duizend jaren als zodanig vereerd, dus eerbiedwaardig is het zowieso. Het verwijst ons naar de voorspraak van een trouwe vriend en voorspraak: de goede Abba Antonius.
Allegoritis Accutus Flagrans
woensdag 1 april 2009

1. Hoe het begon
Ergens aan het einde van de nacht droomde ik levendig.
Zonder aanleiding was ik plotseling in een schaars verlichte zaal met steil aflopende tribunes, zo steil dat de ruimte aan een trechter deed denken, of aan een amfitheater - maar dan steiler - of aan een overdekte krater van een vulkaan (maar dan met overal gestuukte guirlandes en halfzuilen.)

Op de ovale bodem van de trechter stond een rechthoekige boksring. De tribunes zaten stampensvol volk, dampend van onrust en verwachting.
Het publiek was divers, een bont mengsel naar sekse, leeftijd, mate van beschaving en zelfs, nou ja, mate van menselijkheid. Ik zag kleine mannetjes met bulten als van kamelen, vrouwen als bonenstaken met voelsprieten die uit hun billen groeiden, ja zelfs een zwarte, nat glimmende hagedis met een spoiler op de rug.

Toch waren er ook genoeg heel gewone aardbewoners zoals registeraccountants, heilssoldaten en kauwgomkauwende bakvissen.
Zoals gezegd beheerste gespannen verwachting de tent. De aanwezigen praatten allemaal druk door elkaar, zodat het geroezemoes oorverdovend was.
Het werd echter van het ene op het andere moment stil toen de scheidsrechter en de beide partijen de ring betraden.
De kampioenen waren twee vrouwen.

Aan de ene kant (voor mij links) stond een magere schooljuffrouw in een vormeloze grijsgestreepte jurk. Ze droeg een wit kanten mutsje en een eiervormig brilletje. Aan de andere kant blikte een volslanke schone in een blauwe peplos met een waaierende bos krullend rood haar vrolijk het publiek in.

De scheidsrechter zag eruit alsof hij uit een zeventiende-eeuws Hollands schuttersstuk was ontsnapt. Alleen droeg hij geen kanten plooikraag, maar een kleurig vlinderdasje.

Hij schraapte zijn keel, keek een beetje wazig en afwezig en ook een beetje triestig en teleurgesteld in het rond en zei op droge toon:
‘Hier vanght aen den strydt tusschen mejoffer Raatsie en mejoffer Imago’
Hij schudde afkeurend zijn hoofd.
‘De werelt is een rauw toneel, men deelt kletsen uyt en verkrygt er oock veel,’ voegde hij er nog aan toe.
Ik tikte mijn onderbewustzijn op de arm en vroeg het of de scheidsrechter soms Cats of Vondel moest voorstellen. Natuurlijk zei het - naar zijn aard - niets terug. ‘Je hebt wel mooi zijn strikje verkeerd,’ zei ik nog, maar mijn onderbewuste haalde slechts de schouders op.
Daarop trok Vondel (of Cats) aan de bel en zei - met een slechts zeer beschaafde mate van stemverheffing - ‘Den eersten ronde!’ Het publiek begon hartstochtelijk te juichen en te klappen.
2. De eerste ronde
Ik had nu iets erg ordinairs verwacht – er stonden immers twee vrouwen in een boksring – maar in plaats daarvan nam de schooljuffrouw slechts haar brilletje van haar neus en begon op een van de poten ervan te zuigen. De roodharige schoonheid aan de andere kant zette haar handen in de zij en sloeg, zodoende gelijkend op een amfora, de blik geïrriteerd ten hemel.
Na een ogenblik nam de grijze onderwijzeres haar bril uit de mond en sprak:
Het publiek begon zacht te murmelen. In mijn eigen directe kring zag ik mensen (en anderen) elkaar vertwijfeld aankijken en de schouders ophalen. Ik hoorde een begin van Boegeroep, maar het kreeg niet de kans om op sterkte te komen. Beneden in de ring begon de roodharige schone – Mejoffer Imago, naar ik vernam – namelijk uitbundig te giechelen.
Ze nam uit haar buideltasje een potlood en tekende een volmaakt rechthoekige driehoek in de lucht, die daar doorzichtig als gegraveerd in de lucht een ogenblikje stil bleef hangen en daarna langzaam rond begon te draaien. Hij maakte een klingelend muzikaal geluidje.

Mejoffer Imago giechelde nogmaals en tikte met haar potlood tegen de zwevende driehoek. Die draaide steeds sneller rond en begon zich als een wortelstelsel of een rivierdelta te verdelen in lichtende lijnen.
Voor de ogen van het uitzinnige publiek vormden zich uit de lijnen straten, pleinen en tempels. Ikzelf herkende het paleis van Knossos, het Parthenon, de bibliotheek van Celsus en de basiliek van Maxentius, maar er waren ook vreemder en uitzinniger gebouwen bij, in stijlen die ik nog nooit had gezien. Iedereen juichte.

‘Kijk!’ schreeuwde mijn buurman (een blauwe Drentse herdershond wiens oren waren vervangen door uitklapbare richtingaanwijzers uit de jaren vijftig,) ‘het Alcazar van Bzlob-Beljuuk!’ ‘Werkelijk?’ vroeg ik hem. ‘Zie je dat niet dan?’ vroeg hij hoofdschuddend.
‘Kan het even wat minder?’ vroeg ik mijn onderbewuste.
Ondertussen was Mejoffer Raatsie in alle staten. Stampvoetend van verontwaardiging schreeuwde zij het uit:
riep zij, maar niemand sloeg acht op haar.
riep zij nog harder, maar het hielp allemaal niets.
Mejoffer Imago zwaaide ondertussen triomfantelijk met haar hoofd, zodat heur haar als een rode wolk het volk een waas voor ogen vormde. Zij boog gracieus naar alle windstreken, waar zij van alle tribunes hartstochtelijk werd toegejuicht.
Scheidsrechter Cats (of Vondel) trok aan de bel en verhing de scorebordjes. Het punt ging naar Mejoffer Imago.
3. Pauze
Schijnbaar was het nu tijd voor versnaperingen en de onderlinge uitwisseling van indrukken..
Bij mijn directe omstanders was Mejoffer Imago duidelijk de favoriet. ‘Wat een godin!’ riep de blauwe hond met de richtingaanwijzers uit. ‘Ongeëvenaard!’ luidde het oordeel van een magere Sidonia in een pandjesjas. Haar voelsprieten piepten nieuwsgierig en opgewonden tussen de pandjes door.
Alleen de zwarte natte hagedis met de spoiler was duidelijk een andere mening toegedaan. ‘Dit eindigt nog heel anders dan u denkt,’ zei hij met schrille stem.

Allen zetten zich neer terwijl paarse obers met versnaperingen rondgingen. Vreemd genoeg kon men alleen kiezen tussen mangosap van de Höttikrötten en wodka uit ’s-Hertogenbosch.
Toen ik een glas sap van een dienblad wilde pakken kuchte er iemand van achteren in mijn rechteroor. Ik draaide mij om en het bleek de panlatterige vrouw in de pandjesjas te zijn. Ze rook sterk naar amber. ‘Dat reptiel heeft gelijk, weet u. Het loopt niet af zoals het begonnen is. En pas op met dat sap. Het is koppig spul.’
Ik besloot om dan maar af te zien van de aangeboden verfrissingen en mij te concentreren op mijn broodje hazelnootwortels.
4. De tweede ronde
Vondel (of Cats) beklom het trapje naar de ring en schraapte zijn keel. Onmiddellijk werd het stil op de tribunes.
‘Den tweeden ronde,’ zei hij, zonder verdere plichtplegingen.
‘De tweede ronde!’ joelde het publiek als met één stem.
Ondertussen waren ook de beide dames weer op het strijdtoneel verschenen. Imago had zich omgekleed en droeg nu een korenbloemenblauwe cothardie waarin ze bewoog als een elfenkoningin. Raatsie droeg nog steeds haar grijze schooljuffrouwendracht en zag er strenger en kleurlozer uit dan ooit.

De scheids plukte aan zijn fleurige vlinderdas, wiste zich met een Drentse boerenzakdoek (oogverblindend rood met witte bloemen) het zweet van het voorhoofd, trok aan de bel en maakte zich uit de voeten.
Raatsie keek ernstig de zaal rond voor ze haar priemende blik op het Mejoffer Imago richtte, die daar totaal niet van onder de indruk leek te zijn. Ze tilde integendeel haar rokken een stukje op en liet ze met een (zeer) sierlijke beweging uitdagend om haar lichaam zwiepen. Ze straalde de ongenaakbare trots uit van een flamencodanseres, maar met meer vrolijkheid, wat het op de één of andere manier alleen maar erger maakte.
Raatsie kreeg van woede een vuurrood hoofd, dat merkwaardig detoneerde bij de rest van haar vormeloze verschijning (als je van ‘verschijning’ tenminste kon spreken.) Ze opende haar mond. De zaal hield de adem in.
‘De heiligmakende genade is een bovennatuurlijke eigenschap, in onze ziel blijvend, die ons op een werkelijke, formele, hoewel bijkomstige wijze, doet deelnemen aan de natuur en het leven van God.’
Van overal rond de boksring gaapten toeschouwers schaapachtig naar ’t vrouwtje Raatsie. Zij glimlachte met een zelfvoldaanheid die mij ietwat misplaatst leek, gezien het misprijzende gemompel dat ik rond mij hoorde opkomen. Even later klonk – aanzwellend en spookachtig – het gevreesde woord. Boehhhh…BOEHHH!…BOEHHHHHHHH!
Inderdaad drong nu ook tot Mejoffer Raatsie door dat haar openingszet niet de bijval oogstte die zij had verwacht. Haar hoofd kreeg nu een kleur rood die ongeveer lichtgevend was. In een straal van tien meter eromheen werd alles erdoor in een ongezonde waas gedompeld. Zelfs het prachtige rode haar van haar tegenstandster kreeg er een bepaald misselijkmakende tint van. Peentjes in tomatensaus of zoiets.
Niet dat Mejoffer Imago daar van onder de indruk was. Zij proestte het uit van pret, pakte met haar rechterhand haar rokken op en begon zwierig om haar as te draaien. Haar tollende beweging blies als een (zeer esthetische) ventilator de rode waas van Raatsies woede weg. Tegelijk toverden haar heupen en sierlijk zwaaiende armen de verrukkelijkste visioenen tevoorschijn in de hoofden van het publiek.
Ikzelf zag:

Een donkere tuin, ommuurd, met in het midden slechts één, onbeduidend plantje. Het was een jong plantje, een scheut nog, maar toch zag het eruit alsof het al veel, té veel had meegemaakt. Het zag eruit alsof het al verloren was voor het ooit was opgekomen.
Toen zag ik een wolk aan komen drijven die precies boven de tuin bleef hangen. Eerst hing die wolk daar zo maar wat. Het moment was vol van verwachtingsvolle spanning.
Toen begon het plotseling uit die wolk te regenen, zo heftig zelfs dat de ruimte tussen de muren van de tuin zich met water begon te vullen. ‘Die plant verzuipt!’ hoorde ik mijzelf denken. Inderdaad leek de tuin nu meer op een zwembad met gemetselde randen. Het arme stekje was geheel onder het wateroppervlak verdwenen.
Toen het water de bovenrand van de ommuring had bereikt hield het op met regenen. Er klonk gekraak, en ik zag een brede scheur ontstaan in de voorste muur. Er sijpelde water uit, steeds meer, tot uiteindelijk de muur met een oorverdovend geraas instortte. Het water stroomde weg en onthulde wat er met de tuin was gebeurd.
Het arme plantje leek inderdaad morsdood in de modder te liggen. Op dat moment schoof de wolk aan de kant en werd het hele tafereel verlicht door een vriendelijk licht. Eerst leek er niet veel te gebeuren, maar op een gegeven moment begon het toch op te vallen dat op de plaats van de dode plant zich iets helder groens begon op te richten.
Niet veel later stond er een klein maar heel levendig groen dingetje met zijn blaadjes naar de zon te reiken. De zon reikte terug en verlichtte het scheutje zo dat begon te glinsteren en zelf een beetje op een zonnetje begon te lijken.
Even later vervaagde het tafereel en vond ik mijzelf terug op de tribune, waar alle toeschouwers juichten.
‘Zag u ook die bloem in die tuin?’ vroeg ik de blauwe Drentse hond. Hij keek mij opgetogen aan.
‘Ik zag een broeliaanse breedbig die door een zork werd geproezplatterd. Maar toen trok de zork weg en werd de breedbig beschenen door een baaierd en kreeg de dikste achterkant van Bzlob-Beljuuk! Het was een zeer uitmuntende uitleggende parabel van het pjeunende verlet.’
‘O,’ zei ik.
Beneden had Mejoffer Raatzie zich nog niet bij haar nederlaag neergelegd.
‘De Genade is derhalve een werkelijkheid van de bovennatuurlijke orde, maar geen zelfstandigheid, omdat geen enkele geschapen zelfstandigheid bovennatuurlijk kan zijn. Zij is een manier van zijn, een toestand van de ziel, waardoor deze omgevormd wordt en verheven boven alle natuurlijke wezens, ook de volmaaktste,’ schreeuwde zij, maar ik had niet het idee dat iemand werkelijk naar haar luisterde.
Scheidsrechter Cats (of Vondel) verhing de scorebordjes.
Het was 2-0 voor Mejoffer Imago.
5. De derde ronde
Het was de bedoeling dat de derde ronde min of meer direct na de tweede zou beginnen. Er waren voor de strijdende partijen stoelen neergezet waarop zij een kort ogenblikje op adem konden komen.
Mejoffer Raatsie had haar mutsje afgezet en zat als bezeten aan haar onderwijzeressenknotje te plukken zodat de grijze haren er aan alle kanten uitpiekten. Ondertussen zoog zij verbeten op de rechterpoot van haar bril.
Imago zat alleen maar te glunderen. Ze droeg nu ineens een houppelande van blauw brokaat.

Het duurde inderdaad maar een kort moment voor de stoelen weer werden weggehaald. De dames stelden zich opnieuw tegenover elkaar op.
Vondel (of Cats) kuchte. ‘Den derden ronde,’ zei hij droog, trok aan de bel en verliet de ring.
Raatsie, duidelijk zenuwachtig nu, schraapte haar keel, aarzelde, keek angstig om zich heen, vermande zich, haalde diep adem.
‘De aarde is eveneens spherisch van vorm, aangezien zij aan alle kanten op haar middelpunt drukt. Toch wordt zij niet onmiddellijk als een volmaakte bol herkend vanwege de grote hoogte van haar bergen en de diepte van haar valleien. Zij veranderen echter aan de algemene bolvormigheid van de aarde nauwelijks iets.’
Nog terwijl Raatsie aan het spreken was trok Imago achteloos de één na de andere van de parelknopen van haar houppelande los en gooide die in de lucht. Ze begonnen om haar heen te wervelen als planeten om de zon, te groeien, licht uit te stralen en schijngestalten aan te nemen. Raatsie balde haar vuisten maar ging onverstoorbaar verder.
‘Want voor een reiziger die van elke willekeurige plaats naar het noorden reist klimt die pool van dagelijkse rondgang, terwijl de tegenovergestelde pool juist eenzelfde hoeveelheid daalt.’
Niemand lette op haar, want allen staarden naar Imago die – als middelpunt van een compleet planetarium – danste met de sterren.
‘Meer en meer sterren in het Noorden zal men niet meer zien ondergaan, terwijl in het zuiden bepaalde sterren niet meer zal zien opkomen.’ Dreunde Raatsie verder.
Inderdaad zag men dat aan de ene kant bepaalde sterren zich als verlegen kinderen verstopten in Imago’s haar, terwijl er aan de andere kant juist nieuwe uit tevoorschijn kwamen.
‘Zodoende kan Italië Canopus niet zien, die toch zichtbaar is in Egypte, en Italië op haar beurt aanschouwt de laatste ster van de rivier, die ongezien is in onze koudere streken.’
Uit de plooien Imago’s rokken stak een vervaarlijke sphinx haar dubbelgekroonde kop en vrat een hele reeks sterren op. Aan de andere kant ontsnapte een wolvin die er evenzovele weer uitpoepte. Romulus en Remus knikkerden ermee.
‘Zulke sterren, daarentegen, bewegen zich hoger in de hemelen voor een pelgrim die zich zuidwaarts wendt, terwijl de sterren die hoog in de lucht staan zich neerwaarts bewegen.’
Imago begon de andere kant op te draaien en zo deed ook het hele tafereel waarin zij zich had gehuld. Alles begon precies de andere kant uit te cirkelen, vreten, uitwerpen, glinsteren, poepen en ontploffen.
Raatsie was razend. Ze liet het onderwerp van de strijd voor wat het was en begon in het wilde weg te foeteren.
‘De renaissance was van mij, niet van jou!’ schreeuwde ze verontwaardigd. Imago haalde haar schouders op.
‘De verlichting dan!’ riep Raatsie. ‘Gedachten zonder inhoud zijn leeg, aanschouwingen zonder begrippen zijn blind.’
‘Bespaar me die droge sok uit Koningsberg!’ smaalde Imago.
‘Ha,’ grijnsde Raatsie, ‘Nu heb ik je. Wat dacht je van je oude vriend Balthasar Bekker?’

‘Die met zijn lelijke neus?’ vroeg Imago. ‘Wat heb ik ooit van hem te vrezen gehad?’
Maar Raatsie was zeker van haar zaak. ‘Op de verlichting heb je niets terug, geef het maar toe!’
Imago begon in haar buideltasje te rommelen. ‘Ogenblikje,’ zei ze.
‘Je hebt niks, geef het maar op!’ riep Raatsie.
‘Nou,’ mompelde Imago, ‘zelf dacht ik eigenlijk aan…’ Ze keerde haar tasje ondersteboven en begon het heftig heen en weer te schudden.
Er vlogen hele zwermen van tragisch snevende zwijmelhemden, glazig rondschijnende toverfeeën en afgodisch aanbeden kunstenaars uit.
Ze vlogen op Raatsie af en sloegen haar twee blauwe ogen en alle tanden uit de mond.
‘De romantiek!’ lachte Imago triomfantelijk.
‘Mwumpf,’ zei Raatsie.
6. Besluit
Het publiek barstte uit in luid applaus voor de laatste overwinning van ’t vrouwtje Imago.
Ie-ma-go, Ie-ma-go, Ie-ma-go, klonk het galmend en triomfantelijk. Imago stak haar armen in de lucht als een operadiva die wordt bejubeld na een bijzonder moeilijke en hartstochtelijke aria. Aan haar voeten lag haar tasje. Er kwamen nog steeds allerhande fantastelijkheden uit. Ik zag alfen en kabouters, dryaden en zeemeerkippen, leprechauns en banshees.
Naast mij slaakte de zwarte hagedis met de spoilers een diepe zucht. ‘En nu gaat het mis,’ kreunde hij. ‘Hoezo?’ vroeg ik hem. ‘Ze heeft toch eerlijk gewonnen?’
‘Raatsie kan niets meer uitbrengen,’ zei de hagedis, ‘en als dat gebeurt begint Imago altijd te overdrijven.’ ‘Dat zal toch wel meevallen?’ vroeg ik hem, maar hij wees naar het podium. Kijk, daar heb je het al, let op het tasje.’
Het tasje bracht de wonderlijkste dingen voort. Ik kon eigenlijk niet anders dan het bewonderen. Wat een creativiteit! Wat een energie!

Maar toen ik wat langer keek begon het toch wel op te vallen dat de wonderlijke creaturen die tevoorschijn kwamen steeds duisterder werden. Waar eerst dryaden waren geboren ontstonden nu harpijen. Vrolijke heksen met puntmutsen en bezemstelen veranderden in gifmengende tovenaressen. Heel het sputum van het wonderdoende tasje bestond plotseling uit kindertjes verslindende vampiers en wraakroepende bloedspetterende geesten.
Ik zag het, en ik zag dat Imago het zelf ook zag. Ze schonk geen aandacht meer aan de menigte die haar toejuichte, maar staarde blind en met een krijtwit gezicht naar de gruwel aan haar voeten. Ze was volslagen bevroren in afschuw.
Pas na verscheidene momenten schudde ze haar verstijving van zich af en wendde zich met een ruk naar Raatsie, die aan de andere kant van de ring nog steeds bloed en tanden stond te spugen. ‘Doe iets!’ riep Imago. Het spijt me! Help!’
‘Mwumpf’ zei Raatsie. Ze leek een ogenblikje na te denken. Toen sprong ze op en dook van het podium af, de ring uit.
‘Waar ga je heen?’ riep Imago haar vertwijfeld na. ‘Help dan toch, stomme koe!’
Ondertussen vochten een enorm gevleugeld hakenkruis en een clusterbom in de opening van haar tasje om wie het eerste naar buiten mocht.
Maar daar stond plotseling Raatsie, met een grote rode brandblusser. ‘Wat ga je daar nou mee beginnen?’ huilde Imago. Toen drukte Raatsie op de rode knop.

Een enorme steekvlam spoot uit de blusser en verpulverde het tasje.
Stinkende rookwolken onttrokken het strijdtoneel een ogenblik aan het zicht. Toen ze optrokken onthulden ze Raatsie en Imago die beide zo zwart als roet waren en elkaar wenend omhelsden.

Scheidsrechter Cats (of Vondel) trok aan de bel. Hij kieperde het scorebord om en zei plechtig en galmend:
‘Waer vorm ende inhoudt niet en samen gaen,
Sullen chaos ende pestilentie ontstaen.
Sonder Imago’s heerlyck geluyt
Krygt Raatsie haer wysheyt den strot niet uyt
En sonder Raatsies wys verstant
Staet heel den werelt ras in brant.’
‘Heel Gnijfkluiterig,’ zei de blauwe hond naast mij.
‘Maar hoe kan het nu dat die brandblusser vuur spuugde in plaats van water?’ vroeg ik nog.
Het reptiel met de spoilers lachte.
‘Beste broeder Hugo, dit is maar een droom.’
En dat was ook weer zo.
Kluis in beeld: De glitters van Calvarië
woensdag 4 maart 2009

In ‘Kluis in beeld’ worden kunst- en nijverheden besproken die in de kerk of de kluis hangen op plaatsen die voor het publiek ontoegankelijk zijn. Grote kunst is er niet in de kluis, maar wel veel prenten en voorwerpen van volksvroomheid die een verhaal bij zich dragen dat de moeite waard is verteld te worden.
Nog niet zo lang geleden kreeg ik van een goede vriend een prent van de moeder van smarten. Het is een souvenir uit Jeruzalem, en verbeeldt de beeltenis van de moeder van smarten op de berg Calvarië in de Heilig-Grafkerk. Het is eigenlijk dus geen afbeelding van Maria, maar van een Mariabeeld. Dat zie je ook heel aardig tot uitdrukking komen doordat alle ex-voto’s die om en bij het origineel hangen gewoon mee zijn afgebeeld op de prent. Die deden mijn waarde vriend aan de zilverglazen harten in Warfhuizen denken, maar in tegenstelling tot de ex-voto’s bij de bedroefde moeder hier gaat het in Jeruzalem om echte kostbaarheden. Je ziet op de prent uit Jeruzalem gouden harten, horloges, kettingen en oorbellen. Zo voegden rijke mensen steeds iets toe aan de luister van de heilige maagd. In die zin is het in Warfhuizen dan weer minder van de rangen en de standen: een veredelde kerstbal kan iedereen betalen, en die zegt niets minder dan een platina ding met briljanten.
Deze prent is ongelooflijk kleurig. Hij is uitgegeven door de Franciscanen in Jeruzalem, maar doet sterk denken aan dergelijke platen uit Italië. Ik verwacht eigenlijk ook dat hij daar gedrukt zal zijn. Omdat hij mooi is ingelijst lijkt het geheel net een hangend kapelletje. Hieronder plaats ik nog even twee afbeeldingen van het origineel in de Heilig-Grafkerk. De meeste devotieprenten lijken voor geen meter, maar deze blijkt behoorlijk natuurgetrouw te zijn.


Kluis in beeld: Het heilig paterke van Toorop
woensdag 4 maart 2009

In ‘Kluis in beeld’ worden kunst- en nijverheden besproken die in de kerk of de kluis hangen op plaatsen die voor het publiek ontoegankelijk zijn. Grote kunst is er niet in de kluis, maar wel veel prenten en voorwerpen van volksvroomheid die een verhaal bij zich dragen dat de moeite waard is verteld te worden.
Mijn moeder houdt van het onverwacht uitdelen van kleine presentjes die bijna altijd een schot in de roos zijn. Vorige week maakte ze me plotseling heel blij met een prachtige litho van Toorop, een hele smalle langwerpige met als onderwerp de verering van Valentinus Paquay, het heilig paterke van Hasselt. Hij paste, ondanks zijn rare formaat, precies in een leeg vakje aan de muur van de bibliotheek tussen een foto van mijn geestelijke zuster en mijn grootvader van moederszijde. De foto hierboven is wat vaag omdat ik niet de juiste lens heb om het geval, waar ook nog eens glas voorzit, van zo dichtbij te fotograferen. Nou ja, je kan ook niet alles hebben.
Ik voel mij altijd erg aangesproken door Toorop. Lekker glazige schilder.

De muur tegenover de grote boekenkast.
Hoezo horror vacui?
Faits divers
vrijdag 27 februari 2009

Niet dat er nou helemaal niks gebeurt…
In tegendeel eigenlijk.
- Zo sloeg ik mijzelf vorige week een blauw oog toen mijn klokkentouw besloot te knappen op het moment dat ik eraan hing. Iedereen dacht dat ik op de vuist was geweest met kerkrovers of zoiets. Gelukkig trok het snel weer weg.
- Wel zal het even duren voordat in Warfhuizen het Angelus weer klept. Dit was namelijk het zoveelste incident waarbij de gedachtenis aan de menswording van de Heer mij op (lichte) kwetsuren kwam te staan. Om te voorkomen dat ik de volgende keer een arm breek hebben we besloten de klok te laten verelektrieken. Dat hadden we achteraf misschien beter gelijk kunnen laten doen, maar ik hou nou eenmaal van klokken met touwen eraan. Trouwens, als je alles van tevoren weet kan je voor een dubbeltje de wereld rond (of achterof kins een koe in de … kiekn, zoals ze hier liever zeggen.)
- Op een serieuzer vlak zijn natuurlijk de vasten begonnen. Dat liep dit jaar nu eens niet uit op allerlei storende verwikkelingen, zodat ik in alle rust Aswoensdag heb kunnen beleven, in heel zijn liturgische rijkdom. De vasten zijn prachtig. Dit jaar lees ik eens geen Climacus, maar een paar boeken van en over verschillende woestijnvaders. Ten eerste heb ik een mooie uitgave van de Apophtegmata Patrum weten te verwerven, en verder staat de Praktikos van Evagrios Pontikos op het programma (vertaald door vader Gabriël en verschenen in deze bloedmooie serie waar ik een abonnement op heb.) Ik ben benieuwd of ik het schema dat ik heb uitgedokterd kan volbrengen, maar liever rustig en goed dan haastig en vluchtig, denk erom!
- Verder ben ik de bedevaartvaantjes van 2009 drukklaar aan het maken. Ik ben wat gewaagder te werk gegaan dan vorig jaar, dus ik hoop dat ze toch in de smaak vallen. Ik zal blij zijn als ze er zijn, want er blijken nogal fanatieke bedevaartvaantjesverzamelaars (scrabble!) te bestaan, die al sinds September vorig jaar haast niet kunnen wachten, en dat ook regelmatig schriftelijk of op het antwoordapparaat laten merken. Ik hoop maar dat het na al dat wachten niet tegenvalt. Enfin, ik heb er eerlijk mijn best op gedaan, meer kan ik ook niet doen.
- Op mijn vorige stukje (naar aanleiding van mijn bezoek aan de Waterhouse-tentoonstelling) kreeg ik van een teleurgestelde feministe te horen dat het vrouwonvriendelijk was. Ik zal dus volgende week mijn reeksje over de schilderijen van Waterhouse maar eens gaan voortzetten met De favorieten van keizer Honorius of De wroeging van keizer Nero na de moord op zijn moeder.
- Ik vrees echter dat de laatste onbetrouwbare vrouw hier nog niet is gepasseerd: serpenten, heksen en harpijen waren namelijk een absolute liefhebberij van Waterhouse, ik kan er ook niks aan doen…


