Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld…
dinsdag 2 maart 2010

Met het huidige priestertekort is het ondoenlijk om voor één kluizenaar ’s Zondags Mis te laten lezen. Zodoende kerk ik in de Groninger kathedraal. Dat is geen straf, want de gemeenschap van de Groninger kathedraal is waarschijnlijk de meest bloeiende parochie in Nederland. Al die dingen die je in de gemiddelde parochiekerk mist zijn er simpelweg aanwezig, en van al die dingen waaraan je je in de gemiddelde parochiekerk doodergert hebben ze in Groningen nog nooit gehoord.
Helemaal geweldig dus.
Maar dan het volgende. Omdat ik beide aanstellingen heb (voor oudgedienden: de lagere wijdingen,) vroeg de plebaan mij ongeveer een jaar geleden om in het vervolg mee Communie uit te reiken. Je zou denken dat je een dergelijke arbeid veilig aan kluizenaars toe zou moeten kunnen vertrouwen: veel pastoraal vernuft is er immers niet voor vereist.
Nu is het echter zo dat er ook mensen in de rij staan met hun armen gekruist voor de borst. Het gaat dan om kinderen die nog niet de eerste Communie hebben gedaan of om volwassenen die bezig zijn katholiek te worden (en dus ook nog geen eerste Communie hebben gedaan.) Het is de bedoeling dat je die een kruisje op het voorhoofd geeft en zegt: ‘God zegene u.’
Zo stond er op een zekere Zondag een jongedame bij mij in de rij. Zij was een jaar of zeven, schat ik zo. Het hoofdje trots geheven, blakend van zelfbewustzijn, lange golvende rode lokken. Ze hield haar handen parmantig gevouwen voor de borst, zodat het duidelijk was dat ze een kruisje moest hebben. Zo gezegd zo gedaan, niks aan de hand. Ik was alleen zo stom om mij, vertederd als ik was, iets onvergeeflijks uit de mond te laten rollen. Ik tekende haar het kruisje op het voorhoofd en zei: (ik durf het van schaamte nauwelijks op te schrijven…)
- ‘God zegene jou, kleine meid!’
Haar hoofd werd eerst blauwpaars en toen krijtwit. Ik voelde een onbestemde dreiging in de lucht hangen, en plotseling viel het mij op dat ze nogal scherpe, lange nagels had. Ook bracht haar nogal fin-de-siècle-achtige jurkje mij ineens eerder de ‘Bride of Dracula’ dan de ‘Sound of Music’ voor de geest. Ze sperde haar mond wijd open van verontwaardiging (nee, geen puntige snijtanden, gelukkig) en krijste met een stemgeluid als een fileermes:
- IK BEN GEEN KLEINE MEID
Dit galmde (in mijn beleving dan) nog minuten na in de neogotische gewelven boven onze hoofden: ‘MEID………EI……….EI……….ei………..ei.……’
Enfin, men vermijdt bloedstollende belevenissen door levenservaring, en men verkrijgt levenservaring door bloedstollende belevenissen, zal ik maar zeggen…