Het keizerlijk geschenk
donderdag 24 december 2009

Dit verhaal heb ik geschreven toen ik een jaar of achttien was, en student aan het seminarie in Den Bosch. Als ik tegenwoordig terugkijk vind ik mijn schrijfsels van toen meestal nogal plechtstatig en pompeus, maar toen ik deze vorige week tegenkwam vond ik hem bij herlezing gewoon heel aardig en voldoende kersterig voor deze periode van het jaar. Zodoende, bij deze:
Het keizerlijk geschenk
Het was al schemerdonker in de kerk toen hij binnenkwam, en niet veel mensen zullen hem hebben opgemerkt toen hij over de glanzend geboende tegelvloer naar het beeld van de kleine heilige Theresia schuifelde. Hij moet een jaar of acht geweest zijn, en duidelijk van boerenkomaf, te zien aan zijn bruine jasje waar grote ronde zandvlekken inzaten. Met twee grote groene ogen gluurde hij voorzichtig om zich heen voor hij slinks een biechtstoel inschoot, de tweede van voren, die niet wordt gebruikt.
Hij had uren op een hard houten knielbankje gezeten toen hij de koster hoorde afsluiten. Nadat hij zijn galmende stap had horen wegebben in de kloostergang schoof hij het zware gordijn van de biechtstoel opzij en stapte, trillend over zijn hele lichaam, de kerk in. Op zijn tenen stak hij het grote lege gebouw over, dat steeds groter werd naarmate hij het midden naderde. Daar leek de glanzende vloer wel een zee en het gewelf boven hem zo hoog als het heelal. Voor hem, achter een stang waaraan vijf godslampen hingen, doemde de gulden zee op die zijn eindbestemming was: het altaar van het Kindje Jezus van Praag. De rode vlammetjes in de godslampen leken hem te waarschuwen niet verder te gaan, hij was niet waardig een zo heilige plaats te betreden. Hun licht weerkaatste rozig flakkerend tegen het glazen kastje van waaruit het kleine wassen kindje vriendelijk naar beneden keek. ‘Ik moet verder,’ zei hij met een verontwaardigd gezicht tegen de dreigende lichtjes. ‘Ik heb het mijn zusje beloofd en hij (hij wees naar het Jezuskindje) vindt het vast ook goed, want wat je belooft moet je ook doen.’ Toen schoot hem een verhaal te binnen dat zijn moeder hem eens had verteld. ‘Goed dan,’ zei hij, ‘Ik zal me aan de regels houden.’ Snel maakte hij zijn veters los, trok zijn schoenen uit en verstopte ze in de voorste bank.
Hij had nu geen tijd meer te verliezen, want als hij betrapt zou worden zou er geen kans meer zijn de opdracht uit te voeren. Voorzichtig duwde hij het deurtje van de communiebank open en haalde iets van papier onder zijn jasje vandaan, dat hij op het zwarte marmeren altaar legde. Hij zette zijn beide handen op de rand en nam een flinke sprong. Even gleed hij uit, en als hij toen gevallen was, had dat een hels kabaal gegeven. Gelukkig kon hij zich nog net op tijd vastgrijpen aan een vergulde krul op het tabernakeldeurtje. Hij bukte zich om het papier op te pakken en richtte zich in zijn volle lengte op, staande op het altaar. Trillend deed hij het schuifje van de glazen kast omhoog. Het deurtje zwaaide vanzelf open.
‘Ik zal je eruit moeten halen,’ fluisterde hij tegen Jezus, ‘anders lukt het me niet.’ Teder legde hij zijn vingers om het sokkeltje waar het kleine wassen kindje op was gemonteerd. Toen hij het stevig vasthad haalde hij het naar zich toe en keek ernstig in de blauwe wassen oogjes van het beeldje. ‘Het is natuurlijk oneerbiedig, maar het moet gebeurd zijn voor de koster komt.’ Hij ging op het altaar zitten met het kindje op schoot en ontdeed het vliegensvlug van zijn goudbrokaten kleertjes. Toen alles klaar was, en het beeldje weer op zijn plaats stond, voelde hij de paniek opkomen. Hij maakte snel het deurtje weer dicht en sprong naar beneden.
Toen hij het glad geboende marmer raakte klonk er een doffe bons. Hij draaide zich nog een kort moment om en bekeek het resultaat van zijn missie. Daar stond het Kindeke Jezus van Praag, tronend te midden van zijn vergulde stralenkransen, gekroond met zijn grote gouden kroon en omhangen met een mantel van het fijnste zilverpapier van vijftig cent. In het licht van de godslampen leek het veranderd in een majestueuze roze vlam, de vlam van het brandend braambos. De gouden letters ‘IHS’ die erop geplakt zaten waren het resultaat van dagenlang knippen, en ze blonken de aanschouwer heilig en onaantastbaar tegemoet. ‘Mijn zus is de beste knipster in de wereld,’ bedacht hij, ‘en ze kan tevreden zijn.’
Zelf tevreden over zijn welgeslaagde waagstuk trok hij zijn schoenen aan en verstopte zich opnieuw. De brokaten kleertjes die hij van het beeldje had afgehaald legde hij in de handen van de kleine heilige Theresia. ‘Bewaar ze goed, die kan hij door de week nog wel eens aan.’
Toen de koster de lege kerk binnenkwam kreeg de arme man haast een rolberoerte van schrik. Daar stond het Kindje Jezus van Praag, tronend te midden van zijn vergulde stralenkransen, gekroond met zijn grote gouden kroon en gestoken in voddig zilverpapier van nog geen vijfenzeventig cent, waarop slordig geknipte, mottige gouden letters waren geplakt. En het was ongetwijfeld prachtig. Hij wist dat hij gek geworden moest zijn, maar het was zonder twijfel het mooiste wat hij ooit had gezien. De rode weerschijn deed hem denken aan het vuur van de Heilige Geest, en de zoete naam Jezus schitterde als een door engelen aan de hemel geschreven teken, omwonden met een doornenkroon van glinsterende smaragden. De koster wist dat de zusters zouden schreeuwen, dat de paters zich dood zouden lachen en dat de hele stad nog jaren zou praten over de kerstnachtmis met de papieren kleertjes. Toch kon hij et niet over zijn hart verkrijgen om kapot te maken wat God zelf zo gewild scheen te hebben. Hij nam de brokaten kleren uit de handen van de heilige kleine Theresia en gooide ze in de sacristie in een kast.
In Praag gaat de legende dat keizerin Maria Theresia in de kerstnacht van 1743 hoogstpersoonlijk, zonder dat iemand het wist, op het altaar is geklommen en het Kindje Jezus het mooiste gewaadje heeft aangetrokken dat het ooit heeft gedragen. Waar het gebleven is weet niemand, maar het schijnt dat destijds de hele stad ernaar is komen kijken.
Alleen u, ik en de koster weten hoe het werkelijk zit.