Het lijkt erop dat deze klassieker helaas ook dit jaar weer heel toepasselijk wordt:

Gekomen is uw lieve Mei, Maria!
Met kou en regen en storm erbij, Maria!
Als de meiwind aan komt waaien
vliegen de koeien en ook de vlaaien.
Ave, ave Maria!
Gekomen is uw lieve Mei, Maria!

‘K wou wat bloemen plukken gaan, Maria!
Die op uw altaar kunnen staan, Maria!
‘K ben nog niet weg gegaan of kijk!
‘K zit op de toren van Zuurdijk!
Ave, ave Maria!
Nu zit ik in de storm te prijk, Maria!

Het regenwater drijft ‘t gediert, Maria!
Al naar de kerk al op de wierd, Maria!
‘K zit met katten, koeien, hanen,
zeshonderd vlooien en zeven zwanen,
Ave, ave Maria.
Uw kerk was nooit zo mooi versierd, Maria!

Gekomen is uw lieve Mei, Maria,
Daar waait mijn kliko net voorbij, Maria!
Zoals je nu de hagel hoort,
hagelt het tot Sint-Maarten voort,
Ave, ave Maria
behoed ons liefelijke oord, Maria!

De tyrannie verdrijven…

vrijdag 31 juli 2009

Jaren hebben wij katholieken in stilte geleden, hebben afgezien en die vieze gesuikerde protestantse smurrie gepruimd, ja, om eraan te ontkomen hebben we zelfs ketchup bij onze frieten gegeten (goddank is er het Sacrament van de biecht!) maar NU IS HET GENOEG!

Ik ben in mijn uiterste wanhoop dan maar in de hogere alchemie gedoken en tot mijn vreugde kan ik u melden: het is gelukt! (vals Heksengelach)

Tot heil van het fatsoen en redding van elke normale persoon die het ongeluk heeft zich te ver benoorden de Vlaamse grens te bevinden om echte mayonaise te kunnen bemachtigen zal ik dus hier het geheim onthullen.

RECEPT VOOR ECHTE (LEES:KATHOLIEKE) MAYONAISE

Benodigdheden:

  • een kwart liter arachideolie of maïsolie (geen olijf-of zonnebloemolie)
  • Een eierdooier
  • Citroensap of azijn (citroensap is katholieker en dus beter, azijn rijmt niet voor niets op Calvijn!)
  • Peper en zout
  • Mosterd (Zogenaamde Franse, geen Zaanse)
  • GEEN SUIKER

Scheid het ei en doe de dooier in een kom. Giet daar een beetje citroensap bij en een beetje van de olie. Ook kun je nu al een afgestreken eetlepel mosterd toevoegen. Klop het geheel met een garde. Het begint al gelijk op mayonaise te lijken (als er in plaats daarvan een arm met groene schubben uit de kom komt die je probeert te wurgen heb je ergens een Hollands (lees: protestants) ingrediënt gebruikt: in dat geval wijwater toevoegen, in brand steken, met de schop uitslaan en overnieuw beginnen.) Giet onder het kloppen steeds een beetje olie bij. Breng de mayonaise op smaak met peper en zout en eventueel meer citroensap.

Allegoritis Accutus Flagrans

woensdag 1 april 2009

1. Hoe het begon

Ergens aan het einde van de nacht droomde ik levendig.

Zonder aanleiding was ik plotseling in een schaars verlichte zaal met steil aflopende tribunes, zo steil dat de ruimte aan een trechter deed denken, of aan een amfitheater - maar dan steiler - of aan een overdekte krater van een vulkaan (maar dan met overal gestuukte guirlandes en halfzuilen.)

Op de ovale bodem van de trechter stond een rechthoekige boksring. De tribunes zaten stampensvol volk, dampend van onrust en verwachting.

Het publiek was divers, een bont mengsel naar sekse, leeftijd, mate van beschaving en zelfs, nou ja, mate van menselijkheid. Ik zag kleine mannetjes met bulten als van kamelen, vrouwen als bonenstaken met voelsprieten die uit hun billen groeiden, ja zelfs een zwarte, nat glimmende hagedis met een spoiler op de rug.

Toch waren er ook genoeg heel gewone aardbewoners zoals registeraccountants, heilssoldaten en kauwgomkauwende bakvissen.

Zoals gezegd beheerste gespannen verwachting de tent. De aanwezigen praatten allemaal druk door elkaar, zodat het geroezemoes oorverdovend was.

Het werd echter van het ene op het andere moment stil toen de scheidsrechter en de beide partijen de ring betraden.

De kampioenen waren twee vrouwen.

Aan de ene kant (voor mij links) stond een magere schooljuffrouw in een vormeloze grijsgestreepte jurk. Ze droeg een wit kanten mutsje en een eiervormig brilletje. Aan de andere kant blikte een volslanke schone in een blauwe peplos met een waaierende bos krullend rood haar vrolijk het publiek in.

De scheidsrechter zag eruit alsof hij uit een zeventiende-eeuws Hollands schuttersstuk was ontsnapt. Alleen droeg hij geen kanten plooikraag, maar een kleurig vlinderdasje.

Hij schraapte zijn keel, keek een beetje wazig en afwezig en ook een beetje triestig en teleurgesteld in het rond en zei op droge toon:

‘Hier vanght aen den strydt tusschen mejoffer Raatsie en mejoffer Imago’

Hij schudde afkeurend zijn hoofd.

‘De werelt is een rauw toneel, men deelt kletsen uyt en verkrygt er oock veel,’ voegde hij er nog aan toe.

Ik tikte mijn onderbewustzijn op de arm en vroeg het of de scheidsrechter soms Cats of Vondel moest voorstellen. Natuurlijk zei het - naar zijn aard - niets terug. ‘Je hebt wel mooi zijn strikje verkeerd,’ zei ik nog, maar mijn onderbewuste haalde slechts de schouders op.

Daarop trok Vondel (of Cats) aan de bel en zei - met  een slechts zeer beschaafde mate van stemverheffing - ‘Den eersten ronde!’ Het publiek begon hartstochtelijk te juichen en te klappen.

2. De eerste ronde

Ik had nu iets erg ordinairs verwacht – er stonden immers twee vrouwen in een boksring – maar in plaats daarvan nam de schooljuffrouw slechts haar brilletje van haar neus en begon op een van de poten ervan te zuigen. De roodharige schoonheid aan de andere kant zette haar handen in de zij en sloeg, zodoende gelijkend op een amfora, de blik geïrriteerd ten hemel.

Na een ogenblik nam de grijze onderwijzeres haar bril uit de mond en sprak:

a^2 + b^2 = c^2\,

Het publiek begon zacht te murmelen. In mijn eigen directe kring zag ik mensen (en anderen) elkaar vertwijfeld aankijken en de schouders ophalen. Ik hoorde een begin van Boegeroep, maar het kreeg niet de kans om op sterkte te komen. Beneden in de ring begon de roodharige schone – Mejoffer Imago, naar ik vernam – namelijk uitbundig te giechelen.

Ze nam uit haar buideltasje een potlood en tekende een volmaakt rechthoekige driehoek in de lucht, die daar doorzichtig als gegraveerd in de lucht een ogenblikje stil bleef hangen en daarna langzaam rond begon te draaien. Hij maakte een klingelend muzikaal geluidje.


Mejoffer Imago giechelde nogmaals en tikte met haar potlood tegen de zwevende driehoek. Die draaide steeds sneller rond en begon zich als een wortelstelsel of een rivierdelta te verdelen in lichtende lijnen.

Voor de ogen van het uitzinnige publiek vormden zich uit de lijnen straten, pleinen en tempels. Ikzelf herkende het paleis van Knossos, het Parthenon, de bibliotheek van Celsus en de basiliek van Maxentius, maar er waren ook vreemder en uitzinniger gebouwen bij, in stijlen die ik nog nooit had gezien. Iedereen juichte.

‘Kijk!’ schreeuwde mijn buurman (een blauwe Drentse herdershond wiens oren waren vervangen door uitklapbare richtingaanwijzers uit de jaren vijftig,) ‘het Alcazar van Bzlob-Beljuuk!’ ‘Werkelijk?’ vroeg ik hem. ‘Zie je dat niet dan?’ vroeg hij hoofdschuddend.

‘Kan het even wat minder?’ vroeg ik mijn onderbewuste.

Ondertussen was Mejoffer Raatsie in alle staten. Stampvoetend van verontwaardiging schreeuwde zij het uit:

 (a+b)^2 = 2ab + c^2\,

riep zij, maar niemand sloeg acht op haar.

a^2 + 2ab + b^2 = 2ab + c^2\,

riep zij nog harder, maar het hielp allemaal niets.

Mejoffer Imago zwaaide ondertussen triomfantelijk met haar hoofd, zodat heur haar als een rode wolk het volk een waas voor ogen vormde. Zij boog gracieus naar alle windstreken, waar zij van alle tribunes hartstochtelijk werd toegejuicht.

Scheidsrechter Cats (of Vondel) trok aan de bel en verhing de scorebordjes. Het punt ging naar Mejoffer Imago.

3. Pauze

Schijnbaar was het nu tijd voor versnaperingen en de onderlinge uitwisseling van indrukken..

Bij mijn directe omstanders was Mejoffer Imago duidelijk de favoriet. ‘Wat een godin!’ riep de blauwe hond met de richtingaanwijzers uit. ‘Ongeëvenaard!’ luidde het oordeel van een magere Sidonia in een pandjesjas. Haar voelsprieten piepten nieuwsgierig en opgewonden tussen de pandjes door.

Alleen de zwarte natte hagedis met de spoiler was duidelijk een andere mening toegedaan. ‘Dit eindigt nog heel anders dan u denkt,’ zei hij met schrille stem.

Allen zetten zich neer terwijl paarse obers met versnaperingen rondgingen. Vreemd genoeg kon men alleen kiezen tussen mangosap van de Höttikrötten en wodka uit ’s-Hertogenbosch.

Toen ik een glas sap van een dienblad wilde pakken kuchte er iemand van achteren in mijn rechteroor. Ik draaide mij om en het bleek de panlatterige vrouw in de pandjesjas te zijn. Ze rook sterk naar amber. ‘Dat reptiel heeft gelijk, weet u. Het loopt niet af zoals het begonnen is. En pas op met dat sap. Het is koppig spul.’

Ik besloot om dan maar af te zien van de aangeboden verfrissingen en mij te concentreren op mijn broodje hazelnootwortels.

4. De tweede ronde

Vondel (of Cats) beklom het trapje naar de ring en schraapte zijn keel. Onmiddellijk werd het stil op de tribunes.

‘Den tweeden ronde,’ zei hij, zonder verdere plichtplegingen.

‘De tweede ronde!’ joelde het publiek als met één stem.

Ondertussen waren ook de beide dames weer op het strijdtoneel verschenen. Imago had zich omgekleed en droeg nu een korenbloemenblauwe cothardie waarin ze bewoog als een elfenkoningin. Raatsie droeg nog steeds haar grijze schooljuffrouwendracht en zag er strenger en kleurlozer uit dan ooit.

De scheids plukte aan zijn fleurige vlinderdas, wiste zich met een Drentse boerenzakdoek (oogverblindend rood met witte bloemen) het zweet van het voorhoofd, trok aan de bel en maakte zich uit de voeten.

Raatsie keek ernstig de zaal rond voor ze haar priemende blik op het Mejoffer Imago richtte, die daar totaal niet van onder de indruk leek te zijn. Ze tilde integendeel haar rokken een stukje op en liet ze met een (zeer) sierlijke beweging uitdagend om haar lichaam zwiepen. Ze straalde de ongenaakbare trots uit van een flamencodanseres, maar met meer vrolijkheid, wat het op de één of andere manier alleen maar erger maakte.

Raatsie kreeg van woede een vuurrood hoofd, dat merkwaardig detoneerde bij de rest van haar vormeloze verschijning (als je van ‘verschijning’ tenminste kon spreken.)  Ze opende haar mond. De zaal hield de adem in.

‘De heiligmakende genade is een bovennatuurlijke eigenschap, in onze ziel blijvend, die ons op een werkelijke, formele, hoewel bijkomstige wijze, doet deelnemen aan de natuur en het leven van God.’

Van overal rond de boksring gaapten toeschouwers schaapachtig naar ’t vrouwtje Raatsie. Zij glimlachte met een zelfvoldaanheid die mij ietwat misplaatst leek, gezien het misprijzende gemompel dat ik rond mij hoorde opkomen. Even later klonk – aanzwellend en spookachtig – het gevreesde woord. Boehhhh…BOEHHH!…BOEHHHHHHHH!

Inderdaad drong nu ook tot Mejoffer Raatsie door dat haar openingszet niet de bijval oogstte die zij had verwacht. Haar hoofd kreeg nu een kleur rood die ongeveer lichtgevend was. In een straal van tien meter eromheen werd alles erdoor in een ongezonde waas gedompeld. Zelfs het prachtige rode haar van haar tegenstandster kreeg er een bepaald misselijkmakende tint van. Peentjes in tomatensaus of zoiets.

Niet dat Mejoffer Imago daar van onder de indruk was. Zij proestte het uit van pret, pakte met haar rechterhand haar rokken op en begon zwierig om haar as te draaien. Haar tollende beweging blies als een (zeer esthetische) ventilator de rode waas van Raatsies woede weg. Tegelijk toverden haar heupen en sierlijk zwaaiende armen de verrukkelijkste visioenen tevoorschijn in de hoofden van het publiek.

Ikzelf zag:

Een donkere tuin, ommuurd, met in het midden slechts één, onbeduidend plantje. Het was een jong plantje, een scheut nog, maar toch zag het eruit alsof het al veel, té veel had meegemaakt. Het zag eruit alsof het al verloren was voor het ooit was opgekomen.

Toen zag ik een wolk aan komen drijven die precies boven de tuin bleef hangen. Eerst hing die wolk daar zo maar wat. Het moment was vol van verwachtingsvolle spanning.

Toen begon het plotseling uit die wolk te regenen, zo heftig zelfs dat de ruimte tussen de muren van de tuin zich met water begon te vullen. ‘Die plant verzuipt!’ hoorde ik mijzelf denken. Inderdaad leek de tuin nu meer op een zwembad met gemetselde randen. Het arme stekje was geheel onder het wateroppervlak verdwenen.

Toen het water de bovenrand van de ommuring had bereikt hield het op met regenen. Er klonk gekraak, en ik zag een brede scheur ontstaan in de voorste muur. Er sijpelde water uit, steeds meer, tot uiteindelijk de muur met een oorverdovend geraas instortte. Het water stroomde weg en onthulde wat er met de tuin was gebeurd.

Het arme plantje leek inderdaad morsdood in de modder te liggen. Op dat moment schoof de wolk aan de kant en werd het hele tafereel verlicht door een vriendelijk licht. Eerst leek er niet veel te gebeuren, maar op een gegeven moment begon het toch op te vallen dat op de plaats van de dode plant zich iets helder groens begon op te richten.

Niet veel later stond er een klein maar heel levendig groen dingetje met zijn blaadjes naar de zon te reiken. De zon reikte terug en verlichtte het scheutje zo dat begon te glinsteren en zelf een beetje op een zonnetje begon te lijken.

Even later vervaagde het tafereel en vond ik mijzelf terug op de tribune, waar alle toeschouwers juichten.

‘Zag u ook die bloem in die tuin?’ vroeg ik de blauwe Drentse hond. Hij keek mij opgetogen aan.

‘Ik zag een broeliaanse breedbig die door een zork werd geproezplatterd. Maar toen trok de zork weg en werd de breedbig beschenen door een baaierd en kreeg de dikste achterkant van Bzlob-Beljuuk! Het was een zeer uitmuntende uitleggende parabel van het pjeunende verlet.’

‘O,’ zei ik.

Beneden had Mejoffer Raatzie zich nog niet bij haar nederlaag neergelegd.

‘De Genade is derhalve een werkelijkheid van de bovennatuurlijke orde, maar geen zelfstandigheid, omdat geen enkele geschapen zelfstandigheid bovennatuurlijk kan zijn. Zij is een manier van zijn, een toestand van de ziel, waardoor deze omgevormd wordt en verheven boven alle natuurlijke wezens, ook de volmaaktste,’ schreeuwde zij, maar ik had niet het idee dat iemand werkelijk naar haar luisterde.

Scheidsrechter Cats (of Vondel) verhing de scorebordjes.

Het was 2-0 voor Mejoffer Imago.

5. De derde ronde

Het was de bedoeling dat de derde ronde min of meer direct na de tweede zou beginnen. Er waren voor de strijdende partijen stoelen neergezet waarop zij een kort ogenblikje op adem konden komen.

Mejoffer Raatsie had haar mutsje afgezet en zat als bezeten aan haar onderwijzeressenknotje te plukken zodat de grijze haren er aan alle kanten uitpiekten. Ondertussen zoog zij verbeten op de rechterpoot van haar bril.

Imago zat alleen maar te glunderen. Ze droeg nu ineens een houppelande van blauw brokaat.

Het duurde inderdaad maar een kort moment voor de stoelen weer werden weggehaald. De dames stelden zich opnieuw tegenover elkaar op.

Vondel (of Cats) kuchte. ‘Den derden ronde,’ zei hij droog, trok aan de bel en verliet de ring.

Raatsie, duidelijk zenuwachtig nu, schraapte haar keel, aarzelde, keek angstig om zich heen, vermande zich, haalde diep adem.

‘De aarde is eveneens spherisch van vorm, aangezien zij aan alle kanten op haar middelpunt drukt. Toch wordt zij niet onmiddellijk als een  volmaakte bol herkend vanwege de grote hoogte van haar bergen en de diepte van haar valleien. Zij veranderen echter aan de algemene bolvormigheid van de aarde nauwelijks iets.’

Nog terwijl Raatsie aan het spreken was trok Imago achteloos de één na de andere van de parelknopen van haar houppelande los en gooide die in de lucht. Ze begonnen om haar heen te wervelen als planeten om de zon, te groeien, licht uit te stralen en schijngestalten aan te nemen. Raatsie balde haar vuisten maar ging onverstoorbaar verder.

‘Want voor een reiziger die van elke willekeurige plaats naar het noorden reist klimt die pool van dagelijkse rondgang, terwijl de tegenovergestelde pool juist eenzelfde hoeveelheid daalt.’

Niemand lette op haar, want allen staarden naar Imago die – als middelpunt van een compleet planetarium – danste met de sterren.

‘Meer en meer sterren in het Noorden zal men niet meer zien ondergaan, terwijl in het zuiden bepaalde sterren niet meer zal zien opkomen.’ Dreunde Raatsie verder.

Inderdaad zag men dat aan de ene kant bepaalde sterren zich als verlegen kinderen verstopten in Imago’s haar, terwijl er aan de andere kant juist nieuwe uit tevoorschijn kwamen.

‘Zodoende kan Italië Canopus niet zien, die toch zichtbaar is in Egypte, en Italië op haar beurt aanschouwt de laatste ster van de rivier, die ongezien is in onze koudere streken.’

Uit de plooien Imago’s rokken stak een vervaarlijke sphinx haar dubbelgekroonde kop en vrat een hele reeks sterren op. Aan de andere kant ontsnapte een wolvin die er evenzovele weer uitpoepte. Romulus en Remus knikkerden ermee.

‘Zulke sterren, daarentegen, bewegen zich hoger in de hemelen voor een pelgrim die zich zuidwaarts wendt, terwijl de sterren die hoog in de lucht staan zich neerwaarts bewegen.’

Imago begon de andere kant op te draaien en zo deed ook het hele tafereel waarin zij zich had gehuld. Alles begon precies de andere kant uit te cirkelen, vreten, uitwerpen, glinsteren, poepen en ontploffen.

Raatsie was razend. Ze liet het onderwerp van de strijd voor wat het was en begon in het wilde weg te foeteren.

‘De renaissance was van mij, niet van jou!’ schreeuwde ze verontwaardigd. Imago haalde haar schouders op.

‘De verlichting dan!’ riep Raatsie. ‘Gedachten zonder inhoud zijn leeg, aanschouwingen zonder begrippen zijn blind.’

‘Bespaar me die droge sok uit Koningsberg!’ smaalde Imago.

‘Ha,’ grijnsde Raatsie, ‘Nu heb ik je. Wat dacht je van je oude vriend Balthasar Bekker?’

‘Die met zijn lelijke neus?’ vroeg Imago. ‘Wat heb ik ooit van hem te vrezen gehad?’

Maar Raatsie was zeker van haar zaak. ‘Op de verlichting heb je niets terug, geef het maar toe!’

Imago begon in haar buideltasje te rommelen. ‘Ogenblikje,’ zei ze.

‘Je hebt niks, geef het maar op!’ riep Raatsie.

‘Nou,’ mompelde Imago, ‘zelf dacht ik eigenlijk aan…’ Ze keerde haar tasje ondersteboven en begon het heftig heen en weer te schudden.

Er vlogen hele zwermen van tragisch snevende zwijmelhemden, glazig rondschijnende toverfeeën en afgodisch aanbeden kunstenaars uit.

Ze vlogen op Raatsie af en sloegen haar twee blauwe ogen en alle tanden uit de mond.

‘De romantiek!’ lachte Imago triomfantelijk.

‘Mwumpf,’ zei Raatsie.

6. Besluit
Het publiek barstte uit in luid applaus voor de laatste overwinning van ’t vrouwtje Imago.

Ie-ma-go, Ie-ma-go, Ie-ma-go, klonk het galmend en triomfantelijk. Imago stak haar armen in de lucht als een operadiva die wordt bejubeld na een bijzonder moeilijke en hartstochtelijke aria. Aan haar voeten lag haar tasje. Er kwamen nog steeds allerhande fantastelijkheden uit. Ik zag alfen en kabouters, dryaden en zeemeerkippen, leprechauns en banshees.

Naast mij slaakte de zwarte hagedis met de spoilers een diepe zucht. ‘En nu gaat het mis,’ kreunde hij. ‘Hoezo?’ vroeg ik hem. ‘Ze heeft toch eerlijk gewonnen?’

‘Raatsie kan niets meer uitbrengen,’ zei de hagedis, ‘en als dat gebeurt begint Imago altijd te overdrijven.’ ‘Dat zal toch wel meevallen?’ vroeg ik hem, maar hij wees naar het podium. Kijk, daar heb je het al, let op het tasje.’

Het tasje bracht de wonderlijkste dingen voort. Ik kon eigenlijk niet anders dan het bewonderen. Wat een creativiteit! Wat een energie!

Maar toen ik wat langer keek begon het toch wel op te vallen dat de wonderlijke creaturen die tevoorschijn kwamen steeds duisterder werden. Waar eerst dryaden waren geboren ontstonden nu harpijen. Vrolijke heksen met puntmutsen en bezemstelen veranderden in gifmengende tovenaressen. Heel het sputum van het wonderdoende tasje bestond plotseling uit kindertjes verslindende vampiers en wraakroepende bloedspetterende geesten.

Ik zag het, en ik zag dat Imago het zelf ook zag. Ze schonk geen aandacht meer aan de menigte die haar toejuichte, maar staarde blind en met een krijtwit gezicht naar de gruwel aan haar voeten. Ze was volslagen bevroren in afschuw.

Pas na verscheidene momenten schudde ze haar verstijving van zich af en wendde zich met een ruk naar Raatsie, die aan de andere kant van de ring nog steeds bloed en tanden stond te spugen. ‘Doe iets!’ riep Imago. Het spijt me! Help!’

‘Mwumpf’ zei Raatsie. Ze leek een ogenblikje na te denken. Toen sprong ze op en dook van het podium af, de ring uit.

‘Waar ga je heen?’ riep Imago haar vertwijfeld na. ‘Help dan toch, stomme koe!’

Ondertussen vochten een enorm gevleugeld hakenkruis en een clusterbom in de opening van haar tasje om wie het eerste naar buiten mocht.

Maar daar stond plotseling Raatsie, met een grote rode brandblusser. ‘Wat ga je daar nou mee beginnen?’ huilde Imago. Toen drukte Raatsie op de rode knop.

Een enorme steekvlam spoot uit de blusser en verpulverde het tasje.

Stinkende rookwolken onttrokken het strijdtoneel een ogenblik aan het zicht. Toen ze optrokken onthulden ze Raatsie en Imago die beide zo zwart als roet waren en elkaar wenend omhelsden.

Scheidsrechter Cats (of Vondel) trok aan de bel. Hij kieperde het scorebord om en zei plechtig en galmend:

‘Waer vorm ende inhoudt niet en samen gaen,
Sullen chaos ende pestilentie ontstaen.
Sonder Imago’s heerlyck geluyt
Krygt Raatsie haer wysheyt den strot niet uyt
En sonder Raatsies wys verstant
Staet heel den werelt ras in brant.’

‘Heel Gnijfkluiterig,’ zei de blauwe hond naast mij.

‘Maar hoe kan het nu dat die brandblusser vuur spuugde in plaats van water?’ vroeg ik nog.

Het reptiel met de spoilers lachte.

‘Beste broeder Hugo, dit is maar een droom.’

En dat was ook weer zo.

Verspilde klanken

vrijdag 9 januari 2009

Ik vond mijn laatste stukje bij nader inzien niet zo stijlvol, dus heb ik het maar weggekieperd. Ik had het eigenlijk vooral geschreven omdat ik het woord ‘aarsmade’ zo graag eens wilde gebruiken.

Ik ben een beetje raar als het om taal gaat, ik weet het.

Ik vind ‘aarsmade’ gewoon een van de meest muzikale woorden uit het Nederlands.  Helaas brengt het gebruik ervan automatisch allerlei ordinaire en ook onsmakelijke associaties met zich mee, zodat de term in feite onbruikbaar is geworden, wat door mijn laatste actie maar weer eens bewezen is. Eigenlijk is het een veel te mooi woord om te verspillen aan zo’n vies beest als een, nou ja, een aarsmade.

Het ware beter geweest als met deze welluidende klanken een edel dier of een bloem werd aangeduid. Helaas is dat voor eeuwig onmogelijk gemaakt door de arme idioot die dit glanzende juweel uit het Nederlandse idioom heeft misbruikt om er een wriemelend parasitair ondier mee op te sieren.

Nooit zal er nu geschreven worden: ‘Een kudde ranke aarsmaden danste trots over de steile rotsen boven de alpenweide,’ of ‘Hij verraste haar met een prachtige bos zoet geurende aarsmaden.’

Jammer.

(U zult het mij wel niet euvel duiden dat ik een afbeelding bij dit stukje maar achterwege laat.)

Enkele vrienden van mij hadden elkaar uitgedaagd om op het web te zoeken naar een foto van een barokkerk die zelfs mij té erg zou zijn. En de winnaar is: … Belec!

Hoogholtje

woensdag 12 november 2008

Het was November, en het gedroeg zich ook zo. Onderweg naar Kloosterburen op mijn vertrouwde Vespa kreeg ik dat beroemde gevoel dat iedereen wel eens heeft: het gevoel dat je kunt vliegen. Dat is niet zo verwonderlijk in een landschap dat zo leeg is, voortzoemend over een fietspad dat niet breder is dan een krant. Het motortje snorde als een tierelier onder mijn in oliegoed verpakte derrière, zonder veel belangstelling nagekeken door de laatste drie koeien die nog niet op stal stonden.

Het was zo’n dag met stortbuien en indrukwekkende wolkencoulissen in roze, geel en blauw, vette klei onder je wielen en Italiaanse barok boven je hoofd. Nu zijn wij in het Noorden geneigd met onze beide benen op de grond te willen blijven, maar dat wordt ongezond als je het al te consequent volhoudt. Af en toe een half uurtje rondfladderen tussen de luchtkastelen doet wonderen voor de geestelijke gezondheid. Mits je geen makelaar belt om er een te huren, zullen we maar zeggen.

Enfin, ik werd abrupt teruggesmakt op de aardse werkelijkheid door een typische Groninger uitvinding: het hoogholtje. Stel je drie smalle planken voor met een leuning links en rechts, idioot hoog op staken gezet boven een sloot (zodat je er nog met een schuit onderdoor kunt.) Zo’n ding kwam ik dus tegen, en halverwege de helling omhoog trok het motortje van de scooter het niet meer…

Met mijn beroemde monastieke engelengeduld verwenste ik alle hoogholtjes naar de zevende kring van de hel, waarvoor ik passend werd beloond  met een enorme stortbui en rukwinden die het hoogholtje vrolijk een beetje heen en weer lieten zwaaien.

Opeens moest ik denken aan Janneke, een manegepony uit Bronneger die ik eens heb gekend, kampioene in het lanceren van dikke pubermeisjes.

Enfin, ik ben van alles, maar geen pubermeisje en ook niet dik, dus krampachtig kneep ik in mijn remmen om niet naar beneden te glijden en stapte voorzichtig af. Glibberend en klauterend kwamen ik en mijn scooter boven en vervolgden onze weg.

Grinnikend en fluitend (afwisselend, niet tegelijk) besefte ik weer eens hoe graag ik hier ben.

T-shirt

dinsdag 25 maart 2008

top-t-geel.jpg

Ik heb zojuist het nieuwe T-shirt van kapelaan van Dijk per ongeluk aan kapelaan Dorssers gegeven om het koper mee te poetsen.

Dat vond kapelaan van Dijk niet zo leuk. (Ik zie de bekeuring wegens burengerucht berustend tegemoet.)

Moet ie ook maar een zwart hemd met vlooienband dragen zoals het een priester betaamt. Die zie ik echt niet voor een poetstod aan…

dinsdag 25 maart 2008

Weer terug uit Brabant vier ik met twee van mijn beste vrienden nog even verder dat de Heer verrezen is! Het was een prachtig triduum in de mooie parochie Zeeland (bij Uden,) één van de meest bloeiende geloofsgemeenschappen van het bisdom ’s-Hertogenbosch.

Nu ben ik dus weer in mijn eigen kluis, de eerste dagen nog even met dierbare gasten.

We leven ons vooral liturgisch uit, in de beslotenheid van de kluiskerk, maar wel met alle tralarie waar we van houden, wierook, goudbrokaat, toeters en bellen. We zijn al vrienden sinds het grootseminarie, en feilloos op elkaar ingesteld. Zo gaat het, ondanks de bonte vorm, toch altijd heel bidzaam en geconcentreerd.

Nu wil het, dat onze bisschop mij een paar weken geleden de aanstelling tot acoliet heeft gegeven (’subdiaken’) en dat ik dus een paar extra dingen moest doen die er heel simpel uitzien, maar dat toch wat minder blijken te zijn als je het ook echt zelf moet doen.

Je staat daar ineens met een hele hoop doekjes en dingetjes die je ergens moet laten of juist niet. Enfin, ik ben bij dat soort werkzaamheden de eerste paar keer vaak een beetje klunzig. Daarbij kreeg ik ‘aanwijzingen’ van een collega die ondertussen geleerd heeft de Tridentijnse Mis te dienen, en die mijn verwarring nog groter maakte door tridentijnse aanwijzingen met die voor de Novus Ordo door elkaar te gooien. De ablusievaten, kelkdoekjes, corporales en consecratievingers vlogen mij om de oren. ‘Ik heb toch helemaal geen consecratievingers, ik ben geeneens priester,’ riep ik op een gegeven moment vertwijfeld uit.

Als mijn beste collega over een jaar of wat diaken wordt gewijd zal ik een Grieks-katholieke diaken uitnodigen om hem instructie te geven. Weet ie het ook eens.

We hebben het overleefd, en het was weer prachtig! Wat is onze Liturgie toch mooi!

Vrouwen…

zaterdag 23 februari 2008

ulysess-l.jpg

Nu zou je denken dat ik het probleem helemaal niet zou moeten kennen, gezien mijn monastieke en celibataire levensstijl. Toch kom ik er, door bezoekende priesters, wel degelijk mee in aanraking, via het fenomeen ‘vrijwilligster.’

Laat ik (disclaimer!) beginnen te zeggen dat zonder de vrijwilligsters geen parochiekerk (of kluiskerk) zou kunnen bestaan. De meeste werkers in de Kerk zijn vrouwen. De vrouwen zijn de pilaren der Kerk, niet de mannen. Daarbovenop ligt het feit dat de meeste vrijwilligsters afzonderlijk hun gewicht in goud waard zijn.

Het is pas als ze bij elkaar komen dat het wel eens verkeerd gaat. Ze kunnen namelijk ont-zet-tend jaloers op elkaar worden.

Als kerels met elkaar op de vuist gaan is het geen mooi gezicht, maar jaloerse vrouwen hoeven geen vinger naar elkaar of naar jou uit te steken om je drie weken nachtmerries te bezorgen.
Een bevriende priester (die ik hier voor zijn eigen veiligheid anoniem laat zijn) verzuchtte laatst dat, mocht hij ooit paus worden, hij alle vrouwen zou verplichten wekelijks een groot exorcisme te ondergaan.

Dit klinkt cru, maar er moet bij gezegd worden dat de man in een parochie werkte waar het bestuur werd getiranniseerd door een aantal vrouwelijke leden die hun wil doordreven door om de haverklap in tranen uit te barsten.

In die parochie is nu een pastoor benoemd die is opgegroeid met vijf zussen. Volslagen immuun. Bij de eerste vergadering zette hij een grote doos met tissues op tafel. Sindsdien is er geen traan meer gelaten. Sommige bisschoppen hebben wel degelijk een geraffineerd benoemingenbeleid…

Enfin, sinds het Tweede Vaticaans Concilie is het parochielandschap drastisch verfeminiseerd. Misschien wordt het tijd daar ook op de seminaries eens aandacht aan te besteden. Niet in de vorm van feministische theologie, natuurlijk. Feministische theologie is onzin, net als marxistische theologie, peronistische theologie, oenologische theologie en pyrotechnische theologie (hoewel dit stukje dan wel weer een beetje pyrotechnisch is, maar dat terzijde.)

Meer nog dan het college ‘formele’ logica zou het vak ‘vrouwenlogica’ de toekomstige priesters tot nut kunnen zijn. ‘Waarom de sanseveria’s op het Jozef-altaar links moeten staan in plaats van rechts? Omdat ze bij de familie Wielens een wedgwood-servies hebben en omdat de grootmoeder van Truus van Weert in 1938 in een spijker is gaan staan. (in de tuin, natuurlijk. Was het in de schuur geweest dan zou het een heel ander verhaal zijn geweest, vanzelf.) Dat soort dingen.

Gelukkig hebben mijn eigen vrijwilligsters weinig last van bovenstaande euvelen. Ik heb geweldige vrijwilligsters (daar laat ik het bij. Ik zou ze nog wel meer lof willen toezwaaien, maar dat vindt mijn moeder niet leuk…)

Nynke Laverman

zaterdag 2 februari 2008

nynke.jpg

Een rare ontdekking, en voor mij persoonlijk toch volslagen vanzelfsprekend: zo zou ik mijn nieuwste muzikale liefde willen samenvatten. Iemand wees mij de afgelopen week op de Friese zangeres Nynke Laverman. Deze dame zingt fado, en wel in het Fries.

Wát?

Juist!

De Noorderlingen van Nederland staan bekend als de meest nuchtere droogstoppels van Europa bezuiden Scandinavië. Zelfs de Schotten zijn, vergeleken met deze stugge luiden, amateurs. Hoe hun mentaliteit dan toch ooit te verenigen zou zijn met de van emotie druipende fado (dramatische tranentrekker uit Portugal,) zal menigeen een raadsel zijn. Maar niet voor wie de Noorderling werkelijk kent.

De Noorderling is namelijk hysterischer, ontroerder, aanstelleriger, feeërieker, idealistischer en vertederender dan alle Brabanders, Limburgers en zelfs Belgen bij elkaar. Hij heeft, met andere woorden, saudade. Alleen verbergt hij dit hele schouwtoneel in zijn eigen hart, omdat hij simpelweg vindt dat een ander er niks mee te maken heeft. De rare paradox doet zich echter voor dat het in de Noorderhogedrukpan (deksel dicht!) altijd heter is geweest dan in het extraverte Zuiden.

Waar vind je de meeste soorten elkaar bestrijdende protestanten, familievetes, bizarre legenden, rondvliegende borden, hartverscheurende liefdesgeschiedenissen, kleurrijke dorpsfiguren, dooien onder de vloer van de garage en tedere liedjes in onverstaanbaar dialect?

Niet in Limburg.

(tenminste niet zó rondvliegend, hartverscheurend, kleurrijk, dood, teder en onverstaanbaar als in het Noorden.)

De tijden veranderen, meestal niet ten goede.

Soms ook wel.

Nynke Laverman is een teken van de tijd, een góed teken, welteverstaan. Nu ze in contact komen met de wijde wereld, waar mensen wonen die hun emoties gewoon úiten, beginnen de eerste vogels hier in het Noorden de lente te fluiten.

Dat ze daartoe de manieren van de Zuid-Europeanen lenen is niet zo vreemd. Daar lijken de Groningers, Friezen en Drenten per slot van rekening van alle Nederlanders het meest op. Heel ander volk dan die gezapige Bourgondiërs.

Zo zijn ze, net als Sardiniërs en Corsicanen, zwijgzaam,

(ikzelf ben de uitzondering die de regel bevestigt,)

en een tikkeltje heftig.

Misschien dat dankzij mensen zoals Nynke er eindelijk eens een heel klein beetje druk van de ketel wordt gehaald.

Beste kleistampers, mauseters en hunebedbouwers: doe eens gek! Dat is gewoner dan je denkt!

(En je wordt er zo lekker nuchter van!) (maar dan echt.)