Dromen en draken…
zondag 30 augustus 2009

Met stijgende verbazing lees ik het gekrakeel rond het luchtkasteel van Laura Dekker. Meiske Dekker is een bakvis van dertien jaar die, zoals past bij haar leeftijd, haar dagen doorbrengt met het rondzweven tussen de gepoederd roze wolken van haar meisjesdromen. Prima!
In haar geval heeft die droomwereld de vorm aangenomen van een reis rond de wereld in een zeilboot. In haar eentje… En niet als ze later groot is, maar nu. Nu kan ze er namelijk een record mee breken: de jongste zeiler ooit om de wereld te ronden!
Op die leeftijd hebben we allemaal rare dromen, en zo hoort het ook. Ik denk aan de mijne nog met genoegen terug.
Dat genoegen zou ik nu nooit hebben gesmaakt als ik destijds de kans zou hebben gekregen mijn puberale wazigheden in de werkelijkheid ten uitvoer te brengen. Kinderdromen hebben immers de neiging om in de dagelijkse realiteit in volwassen draken te veranderen.
Gelukkig had ik een geweldige vader en moeder, die mij van tijd tot tijd liefdevol maar effectief uit de wolken harkten en met beide benen op de grond zetten. (en God weet hoeveel werk ze met mij hebben gehad…)
Dergelijke ouders had ik Laura ook gegund…
En het stevige pak op de broek dat erbij hoort.
Ik ben er uiteindelijk wel bij gevaren…
P.S: Als Laura de kinderbescherming zo gek krijgt om haar te laten gaan (en dat zou me niets verbazen,) wordt haar record dan volgend jaar gebroken door iemand van 11? en dan van 10? En hoeveel daarvan zullen er verzuipen? Ik vraag maar…
Rites de passage
maandag 18 mei 2009

Ik werd afgelopen zondag blij verrast.
In onze kathedrale parochie werd de eerste Communie toegediend.
Nu hebben eerste Communievieringen een uiterst slechte naam. Niet voor niets wordt er niet zelden gesproken van ‘Eerste-Communiecircus.’
Nogal eens worden deze gelegenheden gekleurd door dwaze ‘vondsten’ die de hele plechtigheid tot een soort rommelige, oneerbiedige en vooral kinderachtige puinhoop degraderen. De lezingen worden vervangen door gedichtjes, er worden hopeloze kinderliedjes gezongen, kleffe kindergebeden gebruikt enzovoort enzovoort. De meeste priesters (en gelovigen) hebben dan ook een hekel aan eerste Communievieringen.
Als je de eerste Communie (en vooral ook het Vormsel) tot iets banaals degradeert doe je je kinderen en jongvolwassenen tekort. Je ontneemt ze niet alleen de eerste ervaring van de ontmoeting met Christus in de Eucharistie (en ja, mensen, dat is een ramp,) maar ook één van die zeldzame momenten die in ons leven de groei naar de volwassenheid markeren, een zogenaamde ‘Rite de passage.’
Persoonlijk vind ik het toch al jammer dat die Sacramenten sinds het pontificaat van Pius X worden toegediend aan veel jongere kinderen dan vroeger. 12 Jaar voor de Communie en 18 jaar voor het Vormsel zouden veel beter samenvallen met de cruciale momenten in de natuurlijke ontwikkeling van een mensenleven, zeker nu kinderen steeds later volwassen worden.
Er zijn in het leven van ons ‘moderne mensen’ nauwelijks nog momenten over die met recht een ‘Rite de passage’ genoemd kunnen worden. Of het moesten juist die momenten zijn die weliswaar voor de meesten van ons bij het volwassen worden horen, maar niet per se allemaal erg ‘heilig’ of zelfs maar ‘heilzaam’ zijn: het eerste pilsje, de eerste sigaret, de eerste (vaak hopeloos misplaatste) seksuele ervaring, enzovoort. Dingen die vaak ’stiekem’ gebeuren, in tegenstelling tot werkelijke ‘Rites de Passage’ die voor het oog van - en met het oog op - de gemeenschap ondergaan en beleefd worden.
Daarom was ik zo blij verrast in de kathedraal. Het ging hier om een volwassen, plechtige Mis. Zo konden de communicanten daadwerkelijk beleven dat ze voor het eerst deel mochten nemen aan iets dat écht blij, maar ook écht ernstig is. En echte dingen zijn zeldzaam in deze maatschappij. Niet alleen de plechtigheid zelf was écht, ook de gemeenschap van volwassen gelovigen waarin de jonge mensen werden opgenomen was écht.
Niet het Mysterie werd verlaagd tot een kinderfeestje, maar de kinderen werden opgetild naar het mysterie. Tegelijk was het allemaal écht feestelijk, niet alleen voor de kinderen en hun familie, maar ook voor de rest van de parochie.
De kinderen van de Sint-Martinusparochie in Groningen hebben ruimschoots de kans gekregen hun eerste Communie als een mijlpaal in hun leven, en als een werkelijke ontmoeting met Christus, te beleven. Gefeliciteerd, beste communicanten, en chapeau voor de parochie!
Voor de mooie foto een hartelijk dank aan Marjo Antonissen
Aanbidding met achteruitkijkspiegel
maandag 4 mei 2009

De moeder van een van mijn boezemvrienden was, toen ze een pubermeisje was (we schrijven 1964,) de wandelende schrik van de pastoor van Asten. Zo had Tineke (laten we haar Tineke noemen,) op een goede dag eens besloten dat ze eigenlijk niet goed begreep waarom ze van haar moeder zo vaak moest biechten. Zij was niet op haar mondje gevallen (nog steeds niet, trouwens,) en deelde de kapelaan tijdens de eerstvolgende biecht mee dat het haar boven de pet ging waarom ze toch maar steeds weer die biechtstoel in moest. ‘Kom morgenavond eens praten op de pastorie, dan hebben we het er wel over,’ zei de kapelaan zachtmoedig.
De volgende avond zat Tineke bij de kapelaan aan de koffie, en volgde er een goed en aangenaam gesprek. Dat wil zeggen: totdat de deken ten tonele verscheen. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg de deken scherp. ‘Ze begrijpt niet waarom ze moet biechten,’ zei de kapelaan, ‘dus probeer ik het haar even uit te leggen.’
Het hoofd van de deken werd zo rood als vurige kolen, zijn ogen versmalden zich tot dunne spleetjes. ‘Je hoeft nooit meer te biechten en ook niet meer naar de Mis te komen,’ bulderde hij.
Stralend ging Tineke naar huis, waar ze haar moeder op blijde toon vertelde dat ze nooit meer hoefde te biechten en ook nooit meer naar de Mis hoefde. ‘Dat heeft de deken zelf gezegd,’ voegde ze er voldaan aan toe.
Moeder gaf haar een klinkende draai om de oren, zette haar handen in haar zij en sprak op scherpe toon: ‘De volgende zondag ga je drie keer!
Tineke zat in de kerk altijd op de achterste bank met haar vriendinnen, die bijna net zo ondeugend waren als zij. Zodoende zaten ze regelmatig te teutebellen, elkaat foto’s te laten zien en te lachen. Niet zelden kreeg de deken dat op den duur in de gaten. Dan stormde hij met kazuifel en bonnet van het altaar af en joeg de dames onder het roepen van donder en geweld en galg en rad de kerk uit, soms tot in het plantsoen aan de overkant aan toe.
Tineke kan smakelijk over deze voorvallen vertellen, waarbij ze altijd ruiterlijk toegeeft dat de deken wel een beetje gelijk had.
Wat ik aan de laatste anekdote altijd een beetje merkwaardig heb gevonden is het volgende: In de tijd waarover we spreken stond de priester tijdens de Mis naar het oosten gekeerd, dus met zijn gezicht eendrachtig in dezelfde richting als de gelovigen. Hoe kon de man dan in vredesnaam zien wat er achter hem, en nog wel op de achterste bank, gebeurde?
Later legde een oudere priester het mij eens uit.
‘De deurtjes van het tabernakel waren vaak zo glimmend gepoetst dat het net een spiegel was waarin je de hele kerk kon zien.’
Zo werd mij veel duidelijk, al vond ik het niet zo eerbiedig dat de deken onder de Heilige Mis voortdurend zat te letten op wat er achter zijn rug gebeurde. Ook vond ik het niet erg herderlijk van hem om Tineke op die manier weg te jagen.
‘Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld zult worden,’ zegt de Heer in het Evangelie.
Gisteren overkwam mij namelijk precies hetzelfde tijdens de aanbidding.
In de tombe van het Heilig Kruisaltaar zit een ovaal venster met een stuk scheenbeen van de Heilige Bonifatius erachter. Als je nu voor het subpedaneum (het vlonder) op een knielkrukje zit kan je in het glas van dat reliekschrijn de hele kerk overzien. Toen dus op een onbewaakt ogenblikje mijn blik wat zakte en van Ons Heer in de monstrans op het reliekschrijn terechtkwam, zag ik in de weerspiegeling daarvan dat er een ouder echtpaar was binnengekomen. Ze waren typisch van de moeilijke leeftijd, zeg maar tussen de zestig en de zeventig. Vooral de man gedroeg zich vreselijk oneerbiedig. Hij hing nonchalant tegen een herenbank aan met zijn handen in de zakken, grijnsde spottend en had bovendien zijn baseballpetje niet afgenomen. (Eigenlijk vind ik het al tegen de goede zeden om op die leeftijd überhaubt een baseballpetje te dragen, maar dat terzijde.)
Ik kon mij niet bedwingen en zei, rustig maar zeer helder, duidelijk en vriendelijk:
‘Van harte welkom in de liefdevolle Aanwezigheid van de Heer. Zou u zo goed willen zijn uw handen uit uw zakken te halen en uw pet af te nemen?’
Ik zat geknield op de grond met mijn rug naar ze toe, kap over het hoofd en al, dus het moet (zeker in die donkere, wierookdoortrokken kaarsenschijn) heel unheimisch voor ze zijn geweest dat ik in de gaten had wat er achter mij in de kerk gebeurde.
Ze schrokken zich dan ook ongans, sprongen op en vluchtten de kerk uit. (‘Huuuh,’ hoorde ik die vent nog roepen.)
Ik moet tot mijn schaamte bekennen dat dat mij niet weinig vermaak bezorgde.
Toen richtte ik mijn ogen weer op ons Heer en ik herinnerde mij hoe streng ik altijd had geoordeeld over deken van Hout uit Asten, omdat hij tijdens de Mis was afgeleid door wat er achter hem gebeurde, en omdat hij de mensen de kerk uitjoeg in plaats van dat hij de kerk voor hen tot een thuis maakte.
Ik besefte dat de zachtmoedigheid moet heersen over de gestrengheid, om zo de mensen zich gelukkig te laten voelen in de Kerk. Daarbij kwam nog dat ik als in een film al die momenten aan mij voorbij zag trekken dat ik zelf oneerbiedig ben geweest (vaker dan je zou denken.)
Ik voelde mij, met andere woorden, een hypocriete zak.
‘Genees mij Heer, tegen U heb ik misdaan,’ bad ik met een rood hoofd, terwijl ik sterk het gevoel kreeg dat de Heer mij liefdevol en met ontferming uitlachte.
Cleopatra
dinsdag 17 februari 2009

Zoals in een van mijn vorige posts al werd aangekondigd ben ik ondertussen naar het museum geweest, en het was inderdaad een heerlijke ervaring.
De schilder Waterhouse was geen verbaal figuur.
In die zin is er tussen hem en mij weinig verwantschap.
En toch: als ik oog in oog sta met zijn werk, wat een herkenning is er dan.
Ik zal de komende tijd af en toe terugkomen op de prachtige dingen die ik in Groningen van Waterhouse mocht zien, en ik wilde graag beginnen met zijn ‘Cleopatra.’
Ik zou willen beginnen met op te merken dat ik dit een draak van een schilderij vind. Niet omdat ik het lelijk vind, maar omdat het me beangstigt.
Ik zou dit nooit ophangen op een plaats waar ik er dagelijks tegenaan zou lopen.
Niet voor boven de piano.
Nou zijn wulpse femmes fatales ook niet direct het hoofdonderwerp van het iconografische programma in de kluis. Ze past niet bij het behang, zou je kunnen zeggen. Maar dat is niet waar het me nu even om gaat.
Van dit schilderij (het plaatje doet het geen recht) gaat in levenden lijve een enorme zuigkracht uit. Het heeft een sterke dieptewerking die aantrekt, die maakt dat men de neiging heeft er recht op af te lopen. Maar als men er dan vlak voor staat blikt men in de ogen van een slang, en men beseft dat men opgevreten zou zijn als deze verf geleefd had.
Een slang is eigenlijk nog een verkeerde metafoor voor deze dame. Wat haar zo walgelijk maakt, is dat haar slechtheid herkenbaar is. Hier zit geen draak of duivel, geen kwaad van buiten. Ze is een verbeelding van bedorven menselijkheid, puur mens, puur verknipt. Hier zit verveling, wreedheid, hoerigheid, leedvermaak, cynisme, achteloosheid, begerige onverschilligheid, vernielzucht, sadisme. Dit alles verpakt in een uiterst charmant velletje, natuurlijk, dat dan weer wel.
Weinig van ons hebben een dergelijk velletje, maar de hele rest van haar woont in ons allemaal. Ze krijgt weliswaar meestal niet haar zin, want we doen ons best haar onder de duim te houden, geholpen door de Heilige Geest, onze opvoeding en een goede wil. Maar we vallen allemaal wel eens in haar klauwen, wanneer we oordelen over wat we niet kennen, handelen uit jaloersheid, trots op anderen neerzien, ons uit gemakzucht overgeven aan wantrouwen, ongeïnteresseerd zijn in het zwoegen van onze naaste. Spelen met andermans leven.
Ze is, ironisch genoeg, het moeilijkst te temmen als we zelf slachtoffer worden van achteloosheid, agressie, frustratie. Dan wordt deze koningin inderdaad verleidelijk, nee, haast onweerstaanbaar. Ook de historische Cleopatra was haar hele leven stevig mishandeld voor ze zo’n grillig spook werd.
We herinneren ons allemaal wel onze nog ongepolijste kinderjaren. Hoe schier onmogelijk het was om je rottige buurjongetje niet een mep terug te verkopen als je er een gekregen had.
Maak je maar geen illusies: die neiging heb je nog steeds.
Jezus waarschuwt in duistere bewoordingen hen die zijn kleinen aanstoot geven, hen die deze dame in anderen wakker schudden. Want ze woont in ons allemaal.
Ik stel je voor aan Cleopatra, een van de huurders van het gebouw van je ziel.
Hou haar eronder.
Ziet! De Bruidegom komt!
donderdag 8 mei 2008

Een protestantse lezer vroeg mij eens wat te vertellen over processies. Waarom lopen wij in processie door de straten, velden en wegen? Wat is de betekenis en de zin daarvan?
Ten eerste is komen en gaan een bezigheid die we in ons leven steeds weer voltrekken, bewust of onbewust. Het is, net als eten, slapen en ademhalen iets wat we in een mensenleven honderdduizendmaal doen. En in de katholieke Kerk, waar we graag benadrukken dat God werkelijk mens is geworden, heiligen wij juist het liefst die dingen die het meest ‘gewoon’ zijn. De gewoonste dingen zijn namelijk meestal ook gelijk de meest essentiële. We bidden voor het eten, we bidden voor het slapengaan, we bidden om de Heilige Geest die de adem van ons leven is, we heiligen de tijd door het getijdengebed en delen de jaren in in liturgische tijden: Advent, Kerst, Vasten, Pasen, Pinksteren en weer overnieuw.
Waar het al te dagelijkse het heiligdom binnenkomt in de vorm van al te dagelijkse (of nog erger: zakelijke) woorden en vormen, wordt de Liturgie banaal en verliest ze een groot deel van haar vermogen om de mensen genaden te schenken. Maar andersom is er niets dan vreugde: Ziet! De Bruidegom komt! Gaat uit om Hem te beminnen!
Ezelsbruggetje: Spruitjes in de kerk = snood en slecht, maar de Kerk in de spruitjes = een hemels gerecht.
Zodoende doordrenkt Gods aanwezigheid, als het goed is, ons hele leven. En ons leven is een tocht, een gang door de tijd van pril naar rijp, van de naïeve kindsheid, geregeerd door de dronkenschap van de zintuigen, stemmingen en begeerten naar de (als het goed is) milde wijsheid van de ouderdom, de ouderdom die door het vuur van vreugde, verdriet en lijden als zilver in de smeltkroes gelouterd is. Zonder God is dat proces onmogelijk. Zonder God eindigen wij in de zure, droge teleurstelling van het terugkijken op een schijnbaar zinloos leven, contextloos, alleen. Zodoende moet de hele reis van het mensenleven geheiligd worden, opgedragen aan God.
Het hele leven is een zoektocht naar God, maar ook een zoektocht van God naar ons. Van het eerste is de bedevaart de meest duidelijke uitdrukking, van het tweede de processie. Dat komt het meest duidelijk tot uitdrukking in de Sacramentsprocessie, wanneer het Lichaam van Christus over de aarde wordt rondgedragen. Maar ook Maria-ommegangen en processies met relieken van heiligen verbeelden de Aanwezigheid van God en zijn werken onder ons.
Een processie hoort schoonheid uit te dragen (zelfs als het een boetprocessie is.) Schoonheid hoort bij Waarheid en Goedheid, schoonheid is een attribuut van de goede God. Spijkerbroeken onder reliekschrijnen, spandoeken in de huisstijl van het dekenaat en priesters in een soort juten zakken maken een processie een beetje lachwekkend.
Toch: hoe mooi een processie ook is, we zijn ons er altijd van bewust dat onze menselijke inspanningen in het Licht van Gods Heerlijkheid nooit meer kunnen zijn dan de zandtaartjes die kinderen hun ouders aanbieden op het strand. Zodoende kan een goede processie nooit triomfalistisch zijn, hoe rijkversierd en uitbundig ook. Het is een feestelijke en hartelijke uiting van liefde of het schiet zijn doel voorbij.
Serene rust in de Groninger kathedraal…
maandag 7 april 2008

Soms wordt ik echt wel eens een beetje flauw van de tijd waarin we leven, vooral als de algehele barbarij ook de kerk binnendringt.
Dat de kinderen van de nieuwe heidenen in sneltreinvaart terugverwilderen naar het bavianenstadium is logisch. Ze krijgen immers eigenlijk geen echte basis meer mee.
Het is alleen helaas niet zo dat de katholieke jeugd voor een en ander automatisch immuun zou zijn. Opvoeding is overal een schaars artikel, zo lijkt het wel.
Gisteren probeer ik na de Mis in de kathedraal nog even rustig mijn dankzegging te plegen. Al snel word ik omringd door schreeuwende, rondrennende en stuiterende koters, vertederd gadegeslagen door hun pappies en mammies.
Een van de kleine krengetjes komt boven op mij terecht, stoot z’n kop tegen het boekenvakje en zet de sirene aan. Tand door de lip. Er zit een snotklodder op m’n scapulier en iets wat eruit ziet als voorgekauwde pindarotsjes op de rand van mijn kap.
Nu weet ik dat het tegenwoordig taboe is om, als je iets lawaaiierigs onder de twaalf ziet, niet in aanbidding ter aarde te vallen, de ouders prijzend om de ‘liefheid’ en de ‘leukigheid’ de ’slimmigheid’ en de ‘voorlijkheid’ van hun kroost.
welnu:
Nieuwsflash voor ouders: Krijsende rondslingerende kinderen zijn leuk in de speeltuin. In de kerk zijn het gewoon vervelende onopgevoede etterbakjes die nodig over de knie moeten.
Gelukkig trekt de apenkooi op een gegeven moment weg naar de kofiekamer. Een weldadige rust komt neer over de gekwelde bidders in het middenschip.
In de bank voor mij zit een student. Hij pakt, terwijl hij nog op de knieën zit, zijn mobieltje en begint te bellen.
Ik geef hem een draai om zijn oren en schop hem de kerk uit.
Een kleine mens is in tijden van nood tot grootse dingen in staat.
Meneer Dinges
zondag 30 maart 2008
![]()
In een maatschappij die bezig is uit elkaar te vallen, zoals de Nederlandse, kun je verwachten dat mensen zich steeds minder gelegen laten liggen aan omgangsvormen. Vaak zijn die vormen niet eens meer bekend.
Dat geldt in het bijzonder voor kerkelijke aanspreektitels, die iedereen vrolijk door elkaar gooit. Ik ben in de loop van de afgelopen zeven jaar al met met van alles aangesproken, en dan ook écht met van alles, van ‘domie’ (Gronings voor dominee) tot eminentie (voor kardinalen, niet voor onnozele kluisfraters.)
Vanavond behaalde iemand in een klap de absolute topscore door mij ‘meneer dinges’ te noemen.
Nu gaat het er niet om dat wij godgewijde personen zoveel verhevener zijn dan een ander, integendeel soms. Toch heeft onze roeping meer om het lijf dan een beroep, in zoverre dat heel ons leven in het teken staat van dat ene. Wij zijn om vijf uur niet klaar met werken, wij blijven gewoon monnik, priester of zuster, wat we ook doen en waar we ook zijn. Onze identiteit wordt, met andere woorden, geheel bepaald door onze roeping. Als je de juiste aanspreekvorm gebruikt erken je de ander in zijn eigenheid, en laat je hem of haar in zijn waarde. De meeste geestelijken en religieuzen zullen uit bescheidenheid zeggen dat ze er geen waarde aan hechten, maar in de praktijk zal de juiste vorm toch meestal erg worden gewaardeerd.
Daarom nog één keer voor de goofy’s:
* Broeders: (mannelijke monniken en kloosterlingen die geen priester zijn) ‘Broeder’ of ‘eerwaarde.’
* Paters: (Kloosterlingen en monniken die priester zijn) ‘Pater.’
* Zusters: ‘Zuster’ (Eerwaarde zuster als je schrijft.)
* Seminaristen: ‘eerwaarde’ (dan smelten ze helemaal, denk aan de MacDonalds-reclame van vroeger.)
* Priesters: ‘eerwaarde’ of ‘meneer’ (pastoor of kapelaan is nog beter als je precies weet wat de bepaalde priester voor functie bekleedt.)
* Iedereen met paarse knoopjes en petjes: (bisschoppen en gedecoreerde geestelijken) ‘Monseigneur’
* Iedereen met rode knoopjes en petjes: ‘Eminentie’ (behalve als ze nog niet in de puberteit zijn, dan zijn het misdienaars.)
* Iemand met een witte toog, witte knoopjes en een wit petje: ‘Heiligheid’ (bij jou in de straat in Februari kun je beter: Alaaf! roepen.)
Als je het niet zeker weet zeg je ‘eerwaarde,’ daar beledig je nooit iemand mee, ook als het niet honderd procent correct is in bepaalde gevallen.
Voeg er als het een dame is wel ‘zuster’ aan toe, anders denkt ze dat ze haar bovenlip niet goed heeft gewaxed.
Pastorale raad…
maandag 11 februari 2008

Kom ik in de kerk, staat daar iemand ongeveer alle kaarsen aan te steken die er zijn.
Nu groeit de overredingskracht van het gebed niet per kilo was, maar meestal gaat het in dit soort gevallen om hartverscheurende drama’s, dus zeg ik er meestal niets van.
De één jankt eens een keertje goed, een ander schreeuwt het uit, de derde steekt alle kaarsen tegelijk aan. Best.
Nou ja, ik vroeg toch maar even wat er loos was.
‘De computer is gecrasht,’ was het antwoord.
De Heilige Geest (volgens mij toch) nam bezit van mij, en ik sprak: ‘tegen dat euvel is een emmer wijwater meestal de beste remedie. U zult er nooit geen last meer van hebben…’
Gekoesterde Knoken: deel 1
zaterdag 9 februari 2008

Vanmiddag had ik iemand over de vloer die druk bezig is mijn favoriete dominee te worden. Beetje kunstzinnig, vindingrijk, open, gemoedelijk. Beetje baldadig ook wel, dus in die zin duidelijk familie van mij, protestant of niet (het grootste deel van mijn familie is protestant, trouwens.) Hij had zijn dochter meegenomen, en beiden zaten vol vragen over het getijdengebed, over de katholieke Kerk enzovoort.
Hoe dan ook, het gesprek kwam op relieken. ‘Dat staat wel heel ver van ons af,’ zei de dominee,
en zei het dus in feite precies verkeerd om.
Ik realiseerde mij weer eens dat de meeste Nederlanders, of ze nu protestant zijn of katholiek, geen flauw benul hebben van wat relieken eigenlijk betekenen. Dat komt door Calvijn. Die heeft namelijk de Nederlanders, ook de katholieken, veel verregaander beïnvloed dan ze zelf in de gaten hebben.
Ik houd niet van Calvijn. Nare man vind ik dat.
Enfin, daar schrijf ik nog wel eens een ander stukje over.
Voor de goede orde:
Het hart van het christendom is de menswording van Christus. Hij kwam niet als een sprookjesplaatje-met-afgevend-goud ter wereld in een land lang geleden en ver hier vandaan, maar banjerde vrolijk rond op dezelfde aarde waar jij en ik ook rondhangen.
Hij ademde dezelfde lucht, dronk dezelfde wijn, at hetzelfde brood als wij (nou ja, niet van bakker Peters uit Leens, maar toch.)
Hij leefde niet ver weg en lang geleden en ook niet zomaar nog lang en gelukkig. Hij deelde dezelfde zorgen, angst, pijn en paniek die ook wij van tijd tot tijd moeten uitzitten, en meer, nog veel meer.
Hij maakte het helemaal bont door onder ons aanwezig te blijven in de Heilige Eucharistie, het kloppend Hart van en het enige fundament onder onze samenleving.
Hij leefde niet alleen werkelijk onder ons toen Hij rondtrok met zijn leerlingen; Hij doet dat nog steeds. Nog sterker: God is de Essentie van onze werkelijkheid, van alles wat werkelijk is (voor de kamergeleerden: ik bedoel het niet pantheïstisch) en de Tegenpool van alles wat werkelijkheid ontbeert, wat onwerkelijk is.
Dat is allemaal waar en prachtig, maar helaas zijn wij mensen besmet met onwerkelijkheid, onwaarheid, angst en gebrek aan geloof. En dan lijken de gebeurtenissen uit de Evangelieën vaak heel ver weg en lang geleden.
Dan lijkt het inderdaad of het zomaar verhalen zijn die zich afspelen in de wereld waar ook de waternymfen en pixies huizen, bostrollen en toverfeeën: de wereld van de sprookjes, ten Oosten van de zon en ten Westen van de maan, rechtsaf bij de tweede ster en dan rechtdoor tot het ochtend wordt.
Zo worden dan ook de idealen uit het Evangelie tot glanzende sprookjes: begeerlijk, maar niet werkelijk.
In tegenstelling tot wat veel mensen denken, hebben die idealen namelijk geen bestaansgrond zonder God die er het fundament onder is. (Gronings: geen normen en waarden in onze westerse samenleving zonder Christendom.)
Als je het Evangelie op de plank naast Grimm en Andersen zet, wordt het onmogelijk om God te beminnen met alles wat je bent en hebt,
noch ook je naaste als jezelf.
Het verdrijven van Christus naar het rijk der fabelen ontslaat je van de plicht zijn idealen na te streven. Was de Heer op het appeleiland* gekruisigd, dan zou je wel idioot zijn om te denken je vijanden lief te kunnen hebben en de lasten van je naaste te kunnen dragen.
Net zo idioot als iemand die denkt een bostrol te hebben gezien. (nee, dat was een politieagente. Bostrollen roken geen shag.)
Alle gekheid op een stokje: de heiligen en hun relieken zijn een tegengif tegen dat gevoel van onwerkelijkheid. Heiligen zijn mensen zoals jij en ik. Dus niet goddelijk, zoals Christus, of onbevlekt ontvangen, zoals Maria.
Toch hebben ze, door Gods Genade, zijn Liefde op een heftige, overduidelijke manier beleefd en tegenwoordig gesteld. Met andere woorden hebben ze duidelijk gemaakt dat het kan, en dat jij en ik ernaar moeten streven hetzelfde te doen. Niet op eigen kracht, natuurlijk, maar nederig vragend om Gods Genade.
Ondertussen blijven ze gewoon bij de Kerk horen, en kan je ze dus vragen om voor je te bidden**. Dus niet om wonderen voor je te verrichten!
Fout:
Beste Sint Antonius, tover deze politieagente naar de Sahara,
Goed:
Beste Sint-Antonius, bid tot God dat ik, arme zondaar, in het vervolg de verleiding zal kunnen weerstaan om politieagentes met bostrollen te vergelijken.
De heiligen tonen ons dus dat christen zijn mogelijk is, en kunnen ons tot voorspraak zijn.
Maar waarom dan die relieken? Omdat wij zulke minkukels zijn dat in onze hoofden ook die heiligen weer met een glitterende gloed van fabel-sterrenstof naar een andere wereld worden verbannen.
Om maar eens een voorbeeld te noemen:
Bonifatius leefde echt in onze, tastbare, wereld.
Sterker nog: één van zijn knoken zit in de wereldstad Warfhuizen in het hoogaltaar.
(Gelukkig achter glas: de buren hebben een plaskater.)
___________________________________________________________
* Avalon, het appeleiland, is een mythisch eiland buiten de werkelijkheid, bevolkt door feeën en bestuurd door de Vrouwe van het meer. Hier werd koning Arthur naartoe gebracht nadat hij dodelijk was verwond tijdens de slag van Camlann.
** De Kerk bestaat uit drie ‘vleugels:’
Wij noemen de heiligen, die al geborgen zijn in God, de triomferende Kerk. De zielen die nog niet gereinigd zijn, en dus in het purgatorium verblijven, noemen wij de lijdende Kerk. Wij op aarde tenslotte vormen de strijdende Kerk.
kluis in Beeld: Moeke
zaterdag 1 september 2007

Serie waarin bepaalde prenten, schilderijen en beelden beschreven worden die in de kluis hangen en staan, onzichtbaar voor de ogen van de bezoeker.
Dit moeke heb ik, net als zoveel oude foto’s en prenten, ooit eens uit een uitdragerijtje gered. Het heeft iets onkies als dit soort uiterst persoonlijke dingen in de handel terecht komen. Getuigenissen van de toewijding van gezinnen aan hun geliefden. Twee euro vijtig.
Vanaf hun eerbiedwaardige positie op het gebloemde behang in de mooie kamer hebben zij decennia toegekeken bij het reilen en zeilen in het gezin waartoe zij behoorden, of waarmee zij door de geschiedenis verbonden waren.
Toen is op zeker moment de lijn gebroken en zijn ze op straat gezet. Mensen zonder kinderen? Mensen met kinderen zonder gevoel voor fatsoen? Hoe dan ook: ze belandden tussen het blikken speelgoed en de schemerlampen als een typisch voorbeeld van curiosa.
In het geval van het kleine fotootje waarover ik vandaag schrijf is het schandaal des te groter omdat het duidelijk om iemands moeder gaat. En moeders zijn extra heilig, dat snapt de grootste sukkel. Nou ja, duidelijk niet elke grootste sukkel, ander was deze moeder niet terechtgekomen in de kluis van Warfhuizen.
Ik weet nog dat ik haar onmogelijk kon laten liggen. Zij was als een heiligenplaatje, als een canonbord van Gods moederlijkheid. Misschien komt het door de kunstzinnige jurk die ze aanheeft. Onmogelijk het een jurkje te noemen: uitspansel boven de aarde zou een betere benaming zijn. Daarom staan er waarschijnlijk ook klaprozen op, verwaaiend de hoge hemel in. Niet als een patroon, twee links twee rechts, maar naar de natuur: zij groeien op het veld, schoner gekleed dan vorsten, en dan verwaaien ze met de wind, dwarrelend overal, en daar weer voedsel voor nieuwe klaprozen en allerhande levende dingen..
Men zou er niet aan moeten denken dat zij een spijkerbroek droeg (dan zou zij in de winkel zijn blijven liggen. Alle vrouwen met broeken aan, trouwens…) Deze vrouw is een toonbeeld van vrouwelijkheid, ook als niet iedereen haar een schoonheid in de klassieke zin van het woord zou noemen.
Het is geen chique moeder die hier wordt neergezet, geen matrone zoals ik er zelf een heb. Zij is er duidelijk één van het meer eenvoudige soort, en op die manier koninklijk genoeg. Geborgen veiligheid onder een levend uitspansel van lucht en ruimte en klaproosblaadjes.
Ongeveer zoals de aarde was zoals God haar bedoeld had…