Op herhaling: Hoogelandster Meilied
zaterdag 1 mei 2010
Het lijkt erop dat deze klassieker helaas ook dit jaar weer heel toepasselijk wordt:
Gekomen is uw lieve Mei, Maria!
Met kou en regen en storm erbij, Maria!
Als de meiwind aan komt waaien
vliegen de koeien en ook de vlaaien.
Ave, ave Maria!
Gekomen is uw lieve Mei, Maria!
‘K wou wat bloemen plukken gaan, Maria!
Die op uw altaar kunnen staan, Maria!
‘K ben nog niet weg gegaan of kijk!
‘K zit op de toren van Zuurdijk!
Ave, ave Maria!
Nu zit ik in de storm te prijk, Maria!
Het regenwater drijft ‘t gediert, Maria!
Al naar de kerk al op de wierd, Maria!
‘K zit met katten, koeien, hanen,
zeshonderd vlooien en zeven zwanen,
Ave, ave Maria.
Uw kerk was nooit zo mooi versierd, Maria!
Gekomen is uw lieve Mei, Maria,
Daar waait mijn kliko net voorbij, Maria!
Zoals je nu de hagel hoort,
hagelt het tot Sint-Maarten voort,
Ave, ave Maria
behoed ons liefelijke oord, Maria!
De Warfhuister kluis in de Advent deel 3
zondag 13 december 2009

Zoals al eerder opgemerkt is Warfhuizen geen overdreven vroom dorp, maar wordt er wel werk gemaakt van kerstmis. Verschillende dorpsgenoten vonden het jammer dat er geen kerststal was. Jaar na jaar kregen we dat van verschillende kanten te horen.
Kerststallen behoren echter niet tot de standaarduitrusting van kluiskapellen, en er was dan ook geen geld voor opzij gelegd. Zodoende heeft men een extra offerblok in het portaal gehangen, en is men aan het sparen geslagen.
Vervolgens had men twee keer enorme mazzel. Ten eerste begonnen de bedevaartgangers die uit verre streken naar Onze Lieve Vrouw van Warfhuizen kwamen mee te sparen voor de kerststal. Zo weet ik toevallig dat er eigenlijk een grote bos bloemen naar Limburg zou moeten. Dat was mazzel 1. Ten tweede werden de beelden (en die kosten het meeste van zo’n stal) geschonken door een anonieme weldoenster die daarvoor van alle Warfhuister kerstgangers een dikke kus verdient. Daardoor kon het gespaarde geld aan Pim Verwijk worden gegeven om een stal van te timmeren. Hij was dolblij dat hij nu het mooiste materiaal kon kopen en is er als een bezetene mee aan het werk geslagen. Het resultaat is, dat durven wij wel te stellen, de mooiste stal van de ommelanden (en de stad erbij!) Onze Pim is geen timmerman maar een kunstenaar!
De stal is natuurlijk nog leeg, maar ik ben zo trots op iedereen dat ik toch maar vast een paar foto’s plaats!

yada-yada-yada, falderalderie, troelala
zaterdag 3 oktober 2009

Ik heb hier de laatste maanden maar weinig geschreven.
Gedeeltelijk komt dat simpelweg omdat ik mijn tijd aan andere dingen heb besteed. Ik heb meer dan anders gelezen (o.a. Jung, Cassianus, Evagrius, Bunge, Ytsma,) en brieven geschreven (op papier, met een pen.) Verder zijn mijn middagen tegenwoordig anderhalf uur korter vanwege de Sacramentsaanbidding (wat een zaligheid, trouwens, vergeleken met aanbidding om 6.30!) en is er ook het gewone gedoe met het bijhouden van kerkhoven, het vermoorden van bereklauwen, het dweilen van vloeren, het omruilen van zakdoeken, het verven van altaren, het stijven van dwalen, het strijken van verkreukelde zwartrokken, enzovoort, enzovoort. Dan heb ik het nog niet over het koorgebed gehad (waarover in het begin van November meer.)
Toch is dat niet alles. De belangrijkste reden dat ik mij hier de afgelopen maanden maar nauwelijks heb gemeld is dat ik, eh, een beetje sprakeloos was.
De reden dat ik weinig schreef was dat ik, eeh, gewoon niet zoveel te zeggen had.
Nu weet ik wel dat al die bytes en bits niks kosten. Het is geen printerinkt of zo. Maar als ik onzin schrijf gaan driehonderd mensen per dag die rotzooi lezen in de hoop iets zinnigs op te doen of minstens een glimlach. En aan het eind van zo’n stukje komen ze dan tot de ontdekking dat ze hun tijd hebben verdaan. Tijd waarin ze ook hadden kunnen koperpoetsen, nagelbijten, krantlezen, rozenkransbidden of gootsteenontstoppen.
Als leuteren net zo duur was als printen zou de wereld beter klinken, denk ik.
Nou ja, vandaar dus.
Dromen en draken…
zondag 30 augustus 2009

Met stijgende verbazing lees ik het gekrakeel rond het luchtkasteel van Laura Dekker. Meiske Dekker is een bakvis van dertien jaar die, zoals past bij haar leeftijd, haar dagen doorbrengt met het rondzweven tussen de gepoederd roze wolken van haar meisjesdromen. Prima!
In haar geval heeft die droomwereld de vorm aangenomen van een reis rond de wereld in een zeilboot. In haar eentje… En niet als ze later groot is, maar nu. Nu kan ze er namelijk een record mee breken: de jongste zeiler ooit om de wereld te ronden!
Op die leeftijd hebben we allemaal rare dromen, en zo hoort het ook. Ik denk aan de mijne nog met genoegen terug.
Dat genoegen zou ik nu nooit hebben gesmaakt als ik destijds de kans zou hebben gekregen mijn puberale wazigheden in de werkelijkheid ten uitvoer te brengen. Kinderdromen hebben immers de neiging om in de dagelijkse realiteit in volwassen draken te veranderen.
Gelukkig had ik een geweldige vader en moeder, die mij van tijd tot tijd liefdevol maar effectief uit de wolken harkten en met beide benen op de grond zetten. (en God weet hoeveel werk ze met mij hebben gehad…)
Dergelijke ouders had ik Laura ook gegund…
En het stevige pak op de broek dat erbij hoort.
Ik ben er uiteindelijk wel bij gevaren…
P.S: Als Laura de kinderbescherming zo gek krijgt om haar te laten gaan (en dat zou me niets verbazen,) wordt haar record dan volgend jaar gebroken door iemand van 11? en dan van 10? En hoeveel daarvan zullen er verzuipen? Ik vraag maar…
Dweilorkest
vrijdag 19 juni 2009

Van alle landen in het ondermaanse is Nederland misschien wel het allerondermaanst. Daarom heet het natuurlijk ook Nederland. Logisch.
Ook de mensen in Nederland zijn ondermaanser dan andere ondermaanse mensen. Dat heeft tot gevolg dat ze niet bepaald bekend staan om hun religieuze genie.
Dat is ooit anders geweest. In de zogenaamde middeleeuwen kropen hier hele generaties grote mystici uit de klei. Hadewijch en Dodo, Ruusbroec en van Kempen bestormden vanuit de Nederlanden de hemel. Van de hemel is hier immers genoeg, omdat al het andere plat is.
Enfin, zo werkt het niet meer. Hoeveel hemel er in Nederland ook is, veel Nederlanders ziet het niet meer, en willen het klaarblijkelijk ook niet zien. Zij stáán niet alleen met beide benen op de grond, maar klampen zich er ook aan vast, alsof heel dat ruime blauw boven hun hoofden beangstigend is, omgekeerd, diepte in plaats van hoogte.
Misschien is het ook wel daarom dat zij geschokt reageren als zij in hun eigen platte modderland een plaats ontdekken waar hemel en aarde elkaar raken en zich met elkaar vermengen. Een heilige plaats noemen wij mensen dat. Elke simpele parochiekerk is in essentie zo’n plaats.
In de afgelopen decennia heeft men nogal eens geprobeerd dergelijke plaatsen van elk mysterie te zuiveren, huiselijk te maken, de hemel terug naar boven te jagen. Zodoende zijn heilige plaatsen in ons land zeldzaam geworden, of tenminste vaak niet meer als zodanig herkenbaar.
In Warfhuizen hebben wij altijd ons best gedaan van de kluiskapel een echt heiligdom te maken, de ruimte te geven aan het heilige. Dat dat gelukt is (zelfs nog een beetje meer dan oorspronkelijk de bedoeling was,) merken we aan het bezoek van allerlei mensen die juist wel op zoek zijn naar een plek waar de grenzen tussen hier en hierna wat minder scherp zijn te trekken.
Als deze mensen mij aanspreken prijzen ze mij vaak gelukkig. ‘Om op zo’n plaats te mogen wonen!’ En ze hebben gelijk: de meetsnoeren zijn mij in een lieflijk oord gevallen.
Aan de andere kant ervaar ik deze plaats natuurlijk niet op dezelfde manier als zij. Ik ben hier dagelijks, ik ben gewend aan deze sfeer. Ongeveer zoals de Drent niet meer opkijkt van een bos meer of minder, en de Limburger zich niet meer verwondert over de schoonheid van zijn heuvels, zo moet ik soms echt even een ogenblikje stilstaan om mij werkelijk bewust te worden van de bevoorrechte atmosfeer van deze plaats.
De grap is, dat ik er nog het meest door wordt opgetild wanneer ik bezig ben met hele gewone, huishoudelijke dingen.
Zoals dweilen, bijvoorbeeld.
Als ik met mijn emmers en zwabbers de trapjes naar het heremietenkoor opklauter, de wolken damp-met-groene-zeep uit de emmers opstijgen en zich vermengen met de oude wierooklucht, dan ontstaat er soms een heel bijzondere stemming. Juist de eenvoudige dingen met aandacht verrichten en niet vooruitkijken naar het einde ervan kan soms meer doen dan duizend weesgegroetjes.
Als dan de zwarte stenen vloer steeds natter wordt tekent zich in de diepte een andere kerk af, dezelfde als boven, maar donkerder en helderder tegelijk. Als een vochtige bries draait, zwiert en zwaait mijn mop over de tegels en door die andere kerk, alsof je met je zwabber in een andere dimensie staat te porren. De gipsen heiligen zien er met welgevallen op toe dat het ernst blijft met de eenvoud, en dat al het ernstige eenvoudig wordt. Zalig de armen van geest, want zij zullen God zien. Geprezen zijt Gij, Vader van hemel en aarde voor al die dingen die de wijzen en verstandigen niet zien, maar die heel gewoon zijn voor kinderen, zotten en simpelen. Een stil muziekje bij een mooi werkje. Een dweilorkest.

De mooie foto’s zijn van Marjo Antonissen
Aanbidding met achteruitkijkspiegel
maandag 4 mei 2009

De moeder van een van mijn boezemvrienden was, toen ze een pubermeisje was (we schrijven 1964,) de wandelende schrik van de pastoor van Asten. Zo had Tineke (laten we haar Tineke noemen,) op een goede dag eens besloten dat ze eigenlijk niet goed begreep waarom ze van haar moeder zo vaak moest biechten. Zij was niet op haar mondje gevallen (nog steeds niet, trouwens,) en deelde de kapelaan tijdens de eerstvolgende biecht mee dat het haar boven de pet ging waarom ze toch maar steeds weer die biechtstoel in moest. ‘Kom morgenavond eens praten op de pastorie, dan hebben we het er wel over,’ zei de kapelaan zachtmoedig.
De volgende avond zat Tineke bij de kapelaan aan de koffie, en volgde er een goed en aangenaam gesprek. Dat wil zeggen: totdat de deken ten tonele verscheen. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg de deken scherp. ‘Ze begrijpt niet waarom ze moet biechten,’ zei de kapelaan, ‘dus probeer ik het haar even uit te leggen.’
Het hoofd van de deken werd zo rood als vurige kolen, zijn ogen versmalden zich tot dunne spleetjes. ‘Je hoeft nooit meer te biechten en ook niet meer naar de Mis te komen,’ bulderde hij.
Stralend ging Tineke naar huis, waar ze haar moeder op blijde toon vertelde dat ze nooit meer hoefde te biechten en ook nooit meer naar de Mis hoefde. ‘Dat heeft de deken zelf gezegd,’ voegde ze er voldaan aan toe.
Moeder gaf haar een klinkende draai om de oren, zette haar handen in haar zij en sprak op scherpe toon: ‘De volgende zondag ga je drie keer!
Tineke zat in de kerk altijd op de achterste bank met haar vriendinnen, die bijna net zo ondeugend waren als zij. Zodoende zaten ze regelmatig te teutebellen, elkaat foto’s te laten zien en te lachen. Niet zelden kreeg de deken dat op den duur in de gaten. Dan stormde hij met kazuifel en bonnet van het altaar af en joeg de dames onder het roepen van donder en geweld en galg en rad de kerk uit, soms tot in het plantsoen aan de overkant aan toe.
Tineke kan smakelijk over deze voorvallen vertellen, waarbij ze altijd ruiterlijk toegeeft dat de deken wel een beetje gelijk had.
Wat ik aan de laatste anekdote altijd een beetje merkwaardig heb gevonden is het volgende: In de tijd waarover we spreken stond de priester tijdens de Mis naar het oosten gekeerd, dus met zijn gezicht eendrachtig in dezelfde richting als de gelovigen. Hoe kon de man dan in vredesnaam zien wat er achter hem, en nog wel op de achterste bank, gebeurde?
Later legde een oudere priester het mij eens uit.
‘De deurtjes van het tabernakel waren vaak zo glimmend gepoetst dat het net een spiegel was waarin je de hele kerk kon zien.’
Zo werd mij veel duidelijk, al vond ik het niet zo eerbiedig dat de deken onder de Heilige Mis voortdurend zat te letten op wat er achter zijn rug gebeurde. Ook vond ik het niet erg herderlijk van hem om Tineke op die manier weg te jagen.
‘Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld zult worden,’ zegt de Heer in het Evangelie.
Gisteren overkwam mij namelijk precies hetzelfde tijdens de aanbidding.
In de tombe van het Heilig Kruisaltaar zit een ovaal venster met een stuk scheenbeen van de Heilige Bonifatius erachter. Als je nu voor het subpedaneum (het vlonder) op een knielkrukje zit kan je in het glas van dat reliekschrijn de hele kerk overzien. Toen dus op een onbewaakt ogenblikje mijn blik wat zakte en van Ons Heer in de monstrans op het reliekschrijn terechtkwam, zag ik in de weerspiegeling daarvan dat er een ouder echtpaar was binnengekomen. Ze waren typisch van de moeilijke leeftijd, zeg maar tussen de zestig en de zeventig. Vooral de man gedroeg zich vreselijk oneerbiedig. Hij hing nonchalant tegen een herenbank aan met zijn handen in de zakken, grijnsde spottend en had bovendien zijn baseballpetje niet afgenomen. (Eigenlijk vind ik het al tegen de goede zeden om op die leeftijd überhaubt een baseballpetje te dragen, maar dat terzijde.)
Ik kon mij niet bedwingen en zei, rustig maar zeer helder, duidelijk en vriendelijk:
‘Van harte welkom in de liefdevolle Aanwezigheid van de Heer. Zou u zo goed willen zijn uw handen uit uw zakken te halen en uw pet af te nemen?’
Ik zat geknield op de grond met mijn rug naar ze toe, kap over het hoofd en al, dus het moet (zeker in die donkere, wierookdoortrokken kaarsenschijn) heel unheimisch voor ze zijn geweest dat ik in de gaten had wat er achter mij in de kerk gebeurde.
Ze schrokken zich dan ook ongans, sprongen op en vluchtten de kerk uit. (‘Huuuh,’ hoorde ik die vent nog roepen.)
Ik moet tot mijn schaamte bekennen dat dat mij niet weinig vermaak bezorgde.
Toen richtte ik mijn ogen weer op ons Heer en ik herinnerde mij hoe streng ik altijd had geoordeeld over deken van Hout uit Asten, omdat hij tijdens de Mis was afgeleid door wat er achter hem gebeurde, en omdat hij de mensen de kerk uitjoeg in plaats van dat hij de kerk voor hen tot een thuis maakte.
Ik besefte dat de zachtmoedigheid moet heersen over de gestrengheid, om zo de mensen zich gelukkig te laten voelen in de Kerk. Daarbij kwam nog dat ik als in een film al die momenten aan mij voorbij zag trekken dat ik zelf oneerbiedig ben geweest (vaker dan je zou denken.)
Ik voelde mij, met andere woorden, een hypocriete zak.
‘Genees mij Heer, tegen U heb ik misdaan,’ bad ik met een rood hoofd, terwijl ik sterk het gevoel kreeg dat de Heer mij liefdevol en met ontferming uitlachte.
Gethsémané
donderdag 9 april 2009

De Liturgie stuwt het jaar weer naar haar meest ingrijpende momenten toe. Vanavond begint het hoogheilig Triduum. Wij vieren vandaag de instelling van de Eucharistie, en daarna waken wij met de doodsbange Christus in de Hof van Gethsémané.
Gethsémané is mij altijd bijzonder dierbaar geweest. Misschien komt dat wel omdat ik nog nooit aan het kruis ben geslagen, maar al ontelbare keren bang ben geweest. Waar het lijden van Goede Vrijdag indruk maakt omdat het voor ons volslagen onvoorstelbaar is, roept de duisternis van de nacht in de Hof van Olijven juist een levendige herkenning op.
Zou Christus toen alleen bang zijn geweest voor het lijden dat Hem de volgende dag te wachten stond? Of zou het zweet Hem ook zijn uitgebroken omdat Hij wist hoeveel van het Bloed dat Hij voor ons zou vergieten door ons verspild zou worden?
Als dat laatste het geval is leven wij dus als het ware in zijn angstdroom, en maken wij daar deel van uit. Dat klinkt niet hoopvol, maar dat wordt anders als we bedenken dat Hij die nacht ondanks alles heeft doorgezet. ‘Vader, niet mijn wil geschiede, maar uw Wil.’
Hij vond ons duidelijk toch de moeite waard, hoeveel angst en onmacht wij Hem ook bereiden. Hij heeft zich als een ware Goede Herder in de doornen gestort waarin wij onszelf elke dag weer verstrikken.
Dat bemoedigt mij telkens als ik weer eens met een schok tot de ontdekking kom dat ik de fout ben ingegaan.
Hij waagt zich in het oerwoud van mijn onheilige angsten en begeerten, zelfs daar waar ik zelf nauwelijks durf te komen.
Hij komt mij halen.
Kluis in beeld: De glitters van Calvarië
woensdag 4 maart 2009

In ‘Kluis in beeld’ worden kunst- en nijverheden besproken die in de kerk of de kluis hangen op plaatsen die voor het publiek ontoegankelijk zijn. Grote kunst is er niet in de kluis, maar wel veel prenten en voorwerpen van volksvroomheid die een verhaal bij zich dragen dat de moeite waard is verteld te worden.
Nog niet zo lang geleden kreeg ik van een goede vriend een prent van de moeder van smarten. Het is een souvenir uit Jeruzalem, en verbeeldt de beeltenis van de moeder van smarten op de berg Calvarië in de Heilig-Grafkerk. Het is eigenlijk dus geen afbeelding van Maria, maar van een Mariabeeld. Dat zie je ook heel aardig tot uitdrukking komen doordat alle ex-voto’s die om en bij het origineel hangen gewoon mee zijn afgebeeld op de prent. Die deden mijn waarde vriend aan de zilverglazen harten in Warfhuizen denken, maar in tegenstelling tot de ex-voto’s bij de bedroefde moeder hier gaat het in Jeruzalem om echte kostbaarheden. Je ziet op de prent uit Jeruzalem gouden harten, horloges, kettingen en oorbellen. Zo voegden rijke mensen steeds iets toe aan de luister van de heilige maagd. In die zin is het in Warfhuizen dan weer minder van de rangen en de standen: een veredelde kerstbal kan iedereen betalen, en die zegt niets minder dan een platina ding met briljanten.
Deze prent is ongelooflijk kleurig. Hij is uitgegeven door de Franciscanen in Jeruzalem, maar doet sterk denken aan dergelijke platen uit Italië. Ik verwacht eigenlijk ook dat hij daar gedrukt zal zijn. Omdat hij mooi is ingelijst lijkt het geheel net een hangend kapelletje. Hieronder plaats ik nog even twee afbeeldingen van het origineel in de Heilig-Grafkerk. De meeste devotieprenten lijken voor geen meter, maar deze blijkt behoorlijk natuurgetrouw te zijn.


Kluis in beeld: Het heilig paterke van Toorop
woensdag 4 maart 2009

In ‘Kluis in beeld’ worden kunst- en nijverheden besproken die in de kerk of de kluis hangen op plaatsen die voor het publiek ontoegankelijk zijn. Grote kunst is er niet in de kluis, maar wel veel prenten en voorwerpen van volksvroomheid die een verhaal bij zich dragen dat de moeite waard is verteld te worden.
Mijn moeder houdt van het onverwacht uitdelen van kleine presentjes die bijna altijd een schot in de roos zijn. Vorige week maakte ze me plotseling heel blij met een prachtige litho van Toorop, een hele smalle langwerpige met als onderwerp de verering van Valentinus Paquay, het heilig paterke van Hasselt. Hij paste, ondanks zijn rare formaat, precies in een leeg vakje aan de muur van de bibliotheek tussen een foto van mijn geestelijke zuster en mijn grootvader van moederszijde. De foto hierboven is wat vaag omdat ik niet de juiste lens heb om het geval, waar ook nog eens glas voorzit, van zo dichtbij te fotograferen. Nou ja, je kan ook niet alles hebben.
Ik voel mij altijd erg aangesproken door Toorop. Lekker glazige schilder.

De muur tegenover de grote boekenkast.
Hoezo horror vacui?
Cleopatra
dinsdag 17 februari 2009

Zoals in een van mijn vorige posts al werd aangekondigd ben ik ondertussen naar het museum geweest, en het was inderdaad een heerlijke ervaring.
De schilder Waterhouse was geen verbaal figuur.
In die zin is er tussen hem en mij weinig verwantschap.
En toch: als ik oog in oog sta met zijn werk, wat een herkenning is er dan.
Ik zal de komende tijd af en toe terugkomen op de prachtige dingen die ik in Groningen van Waterhouse mocht zien, en ik wilde graag beginnen met zijn ‘Cleopatra.’
Ik zou willen beginnen met op te merken dat ik dit een draak van een schilderij vind. Niet omdat ik het lelijk vind, maar omdat het me beangstigt.
Ik zou dit nooit ophangen op een plaats waar ik er dagelijks tegenaan zou lopen.
Niet voor boven de piano.
Nou zijn wulpse femmes fatales ook niet direct het hoofdonderwerp van het iconografische programma in de kluis. Ze past niet bij het behang, zou je kunnen zeggen. Maar dat is niet waar het me nu even om gaat.
Van dit schilderij (het plaatje doet het geen recht) gaat in levenden lijve een enorme zuigkracht uit. Het heeft een sterke dieptewerking die aantrekt, die maakt dat men de neiging heeft er recht op af te lopen. Maar als men er dan vlak voor staat blikt men in de ogen van een slang, en men beseft dat men opgevreten zou zijn als deze verf geleefd had.
Een slang is eigenlijk nog een verkeerde metafoor voor deze dame. Wat haar zo walgelijk maakt, is dat haar slechtheid herkenbaar is. Hier zit geen draak of duivel, geen kwaad van buiten. Ze is een verbeelding van bedorven menselijkheid, puur mens, puur verknipt. Hier zit verveling, wreedheid, hoerigheid, leedvermaak, cynisme, achteloosheid, begerige onverschilligheid, vernielzucht, sadisme. Dit alles verpakt in een uiterst charmant velletje, natuurlijk, dat dan weer wel.
Weinig van ons hebben een dergelijk velletje, maar de hele rest van haar woont in ons allemaal. Ze krijgt weliswaar meestal niet haar zin, want we doen ons best haar onder de duim te houden, geholpen door de Heilige Geest, onze opvoeding en een goede wil. Maar we vallen allemaal wel eens in haar klauwen, wanneer we oordelen over wat we niet kennen, handelen uit jaloersheid, trots op anderen neerzien, ons uit gemakzucht overgeven aan wantrouwen, ongeïnteresseerd zijn in het zwoegen van onze naaste. Spelen met andermans leven.
Ze is, ironisch genoeg, het moeilijkst te temmen als we zelf slachtoffer worden van achteloosheid, agressie, frustratie. Dan wordt deze koningin inderdaad verleidelijk, nee, haast onweerstaanbaar. Ook de historische Cleopatra was haar hele leven stevig mishandeld voor ze zo’n grillig spook werd.
We herinneren ons allemaal wel onze nog ongepolijste kinderjaren. Hoe schier onmogelijk het was om je rottige buurjongetje niet een mep terug te verkopen als je er een gekregen had.
Maak je maar geen illusies: die neiging heb je nog steeds.
Jezus waarschuwt in duistere bewoordingen hen die zijn kleinen aanstoot geven, hen die deze dame in anderen wakker schudden. Want ze woont in ons allemaal.
Ik stel je voor aan Cleopatra, een van de huurders van het gebouw van je ziel.
Hou haar eronder.