Op herhaling: Hoogelandster Meilied
zaterdag 1 mei 2010
Het lijkt erop dat deze klassieker helaas ook dit jaar weer heel toepasselijk wordt:
Gekomen is uw lieve Mei, Maria!
Met kou en regen en storm erbij, Maria!
Als de meiwind aan komt waaien
vliegen de koeien en ook de vlaaien.
Ave, ave Maria!
Gekomen is uw lieve Mei, Maria!
‘K wou wat bloemen plukken gaan, Maria!
Die op uw altaar kunnen staan, Maria!
‘K ben nog niet weg gegaan of kijk!
‘K zit op de toren van Zuurdijk!
Ave, ave Maria!
Nu zit ik in de storm te prijk, Maria!
Het regenwater drijft ‘t gediert, Maria!
Al naar de kerk al op de wierd, Maria!
‘K zit met katten, koeien, hanen,
zeshonderd vlooien en zeven zwanen,
Ave, ave Maria.
Uw kerk was nooit zo mooi versierd, Maria!
Gekomen is uw lieve Mei, Maria,
Daar waait mijn kliko net voorbij, Maria!
Zoals je nu de hagel hoort,
hagelt het tot Sint-Maarten voort,
Ave, ave Maria
behoed ons liefelijke oord, Maria!
Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld…
dinsdag 2 maart 2010

Met het huidige priestertekort is het ondoenlijk om voor één kluizenaar ’s Zondags Mis te laten lezen. Zodoende kerk ik in de Groninger kathedraal. Dat is geen straf, want de gemeenschap van de Groninger kathedraal is waarschijnlijk de meest bloeiende parochie in Nederland. Al die dingen die je in de gemiddelde parochiekerk mist zijn er simpelweg aanwezig, en van al die dingen waaraan je je in de gemiddelde parochiekerk doodergert hebben ze in Groningen nog nooit gehoord.
Helemaal geweldig dus.
Maar dan het volgende. Omdat ik beide aanstellingen heb (voor oudgedienden: de lagere wijdingen,) vroeg de plebaan mij ongeveer een jaar geleden om in het vervolg mee Communie uit te reiken. Je zou denken dat je een dergelijke arbeid veilig aan kluizenaars toe zou moeten kunnen vertrouwen: veel pastoraal vernuft is er immers niet voor vereist.
Nu is het echter zo dat er ook mensen in de rij staan met hun armen gekruist voor de borst. Het gaat dan om kinderen die nog niet de eerste Communie hebben gedaan of om volwassenen die bezig zijn katholiek te worden (en dus ook nog geen eerste Communie hebben gedaan.) Het is de bedoeling dat je die een kruisje op het voorhoofd geeft en zegt: ‘God zegene u.’
Zo stond er op een zekere Zondag een jongedame bij mij in de rij. Zij was een jaar of zeven, schat ik zo. Het hoofdje trots geheven, blakend van zelfbewustzijn, lange golvende rode lokken. Ze hield haar handen parmantig gevouwen voor de borst, zodat het duidelijk was dat ze een kruisje moest hebben. Zo gezegd zo gedaan, niks aan de hand. Ik was alleen zo stom om mij, vertederd als ik was, iets onvergeeflijks uit de mond te laten rollen. Ik tekende haar het kruisje op het voorhoofd en zei: (ik durf het van schaamte nauwelijks op te schrijven…)
- ‘God zegene jou, kleine meid!’
Haar hoofd werd eerst blauwpaars en toen krijtwit. Ik voelde een onbestemde dreiging in de lucht hangen, en plotseling viel het mij op dat ze nogal scherpe, lange nagels had. Ook bracht haar nogal fin-de-siècle-achtige jurkje mij ineens eerder de ‘Bride of Dracula’ dan de ‘Sound of Music’ voor de geest. Ze sperde haar mond wijd open van verontwaardiging (nee, geen puntige snijtanden, gelukkig) en krijste met een stemgeluid als een fileermes:
- IK BEN GEEN KLEINE MEID
Dit galmde (in mijn beleving dan) nog minuten na in de neogotische gewelven boven onze hoofden: ‘MEID………EI……….EI……….ei………..ei.……’
Enfin, men vermijdt bloedstollende belevenissen door levenservaring, en men verkrijgt levenservaring door bloedstollende belevenissen, zal ik maar zeggen…
Twee keer kijken…
dinsdag 23 februari 2010

Nederlanders staan er om bekend dat ze overal een oordeel over klaar hebben, ook de Nederlandse katholieken. Dat is jammer.
Een bekend boek over de grondhouding van de kluizenaar heet ‘Sich Gott aussetzen und standhalten.’ Vrij vertaald betekent dat ‘Zich tonen aan God en volhouden.’ Het is geschreven door de Duitse zuster Maria Anna Leenen, een zeer beschaafde en verfijnde kluizenares. Omdat ik persoonlijk meer een lompe Nederlandse boeren-gooi-en-smijt-kluizenaar ben heb ik het zelf meestal over met lege handen in je blootje voor God staan en zorgen dat je niks verzint om je mee te bedekken. Daarmee bedoel ik geen naakte oerwoudrituelen. Daarmee bedoel ik dat je je geestelijk overgeeft aan de Heer met al het goed en kwaad waarvan je je bewust bent, zonder jezelf te verdedigen of goed te praten.
Kluizenaar zijn vergt daardoor wel eens de nodige moed, en een zekere tolerantie voor gênante toestanden. Die moed is alleen op te brengen wanneer er in onze relatie met de goede God voldoende eerbied en vertrouwen is.
Eerbied: Ik heb de wil om mijn ziel naakt aan God te tonen omdat ik daar heil van verwacht, omdat ik God als Bron van alle vreugde en heelheid erken. Ik weet dat ik mijn schaamte niet voor niets overwin. Vertrouwen: Ik weet mij veilig bij God.
Andersom eerbiedigt God mijn vrijheid en beloont mijn naaktheid - mijn eerlijkheid naar Hem - door die te bedekken met vaderlijke liefde, vergeving en genezing.
Wat hierboven staat geldt weliswaar bij uitstek voor kluizenaars, monniken en slotnonnen, maar, met een andere intensiteit, ook voor katholieke slagers en slagerinnen, accountants, secretaressen en tandartsen. Want zonder een zekere kinderlijke openheid naar God stort elk gebed ter aarde.
Heeft dit alles nog een weerspiegeling in de omgang met de medemens? Zegt Christus immers niet: ‘Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad?’ (Joh.15:12)
Ik denk het wel. In het licht van het voorgaande zou ik dan ook de conclusie willen trekken dat de omgang van katholieken onderling zou moeten uitblinken in eerbied en vertrouwen.
Eerbied: Een ander woord voor eerbied is respect, van het Latijnse respicere, wat omkijken betekent, of acht slaan op, of, vrij vertaald, twee keer kijken. Dat doen we bijvoorbeeld door elkaar als unieke mensen te beschouwen, en elkaar niet rücksichtslos bij stromingen en ‘ismen’ in te delen.
Vertrouwen: Bij ons zou iedereen zich veilig genoeg moeten voelen om met zijn eigen talenten iets bij te dragen aan de majestueuze kathedraal die Katholieke Kerk heet, zonder bij de eerste fout van de steiger te worden gekieperd.
Openheid: Over ons zou men moeten zeggen: ‘Die katholieken, Ziet, hoe zij elkander beminnen‘
Iemand die van de oude Mis houdt is daarom nog geen Lefèbvriaan, en iemand die aarzelt over bijvoorbeeld de seksuele moraal is daarom nog geen aartslinkse acht-mei-ketter.
Het is een onbeleefde gewoonte niet naar elkaar te kijken wanneer je een toost uitbrengt. Het is een zonde om elkaar niet te zien wanneer je samen het Lichaam van Christus deelt…
Nou ja…
vrijdag 8 januari 2010

Uit een nieuwsbericht:
Liturgiam authenticam
In 2001 gaf de Romeinse instructie ‘Liturgiam authenticam’ de opdracht voor een complete herziening van de bestaande vertalingen in de wereldkerk. Met het oog daarop werd op 4 juni 2009 de Bisschoppelijke Commissie voor de Vertaling van Liturgische Teksten in de Nederlandse Taal opgericht. Nederland en Vlaanderen werken hierin samen.
Ben ik de enige die hier de slappe lach van krijgt, of komt dat misschien door mijn kluizenaarsnaïveteit? Enfin, haastige spoed is zelden goed, zullen we maar zeggen.
De Warfhuister kluis in de Advent deel 3
zondag 13 december 2009

Zoals al eerder opgemerkt is Warfhuizen geen overdreven vroom dorp, maar wordt er wel werk gemaakt van kerstmis. Verschillende dorpsgenoten vonden het jammer dat er geen kerststal was. Jaar na jaar kregen we dat van verschillende kanten te horen.
Kerststallen behoren echter niet tot de standaarduitrusting van kluiskapellen, en er was dan ook geen geld voor opzij gelegd. Zodoende heeft men een extra offerblok in het portaal gehangen, en is men aan het sparen geslagen.
Vervolgens had men twee keer enorme mazzel. Ten eerste begonnen de bedevaartgangers die uit verre streken naar Onze Lieve Vrouw van Warfhuizen kwamen mee te sparen voor de kerststal. Zo weet ik toevallig dat er eigenlijk een grote bos bloemen naar Limburg zou moeten. Dat was mazzel 1. Ten tweede werden de beelden (en die kosten het meeste van zo’n stal) geschonken door een anonieme weldoenster die daarvoor van alle Warfhuister kerstgangers een dikke kus verdient. Daardoor kon het gespaarde geld aan Pim Verwijk worden gegeven om een stal van te timmeren. Hij was dolblij dat hij nu het mooiste materiaal kon kopen en is er als een bezetene mee aan het werk geslagen. Het resultaat is, dat durven wij wel te stellen, de mooiste stal van de ommelanden (en de stad erbij!) Onze Pim is geen timmerman maar een kunstenaar!
De stal is natuurlijk nog leeg, maar ik ben zo trots op iedereen dat ik toch maar vast een paar foto’s plaats!

yada-yada-yada, falderalderie, troelala
zaterdag 3 oktober 2009

Ik heb hier de laatste maanden maar weinig geschreven.
Gedeeltelijk komt dat simpelweg omdat ik mijn tijd aan andere dingen heb besteed. Ik heb meer dan anders gelezen (o.a. Jung, Cassianus, Evagrius, Bunge, Ytsma,) en brieven geschreven (op papier, met een pen.) Verder zijn mijn middagen tegenwoordig anderhalf uur korter vanwege de Sacramentsaanbidding (wat een zaligheid, trouwens, vergeleken met aanbidding om 6.30!) en is er ook het gewone gedoe met het bijhouden van kerkhoven, het vermoorden van bereklauwen, het dweilen van vloeren, het omruilen van zakdoeken, het verven van altaren, het stijven van dwalen, het strijken van verkreukelde zwartrokken, enzovoort, enzovoort. Dan heb ik het nog niet over het koorgebed gehad (waarover in het begin van November meer.)
Toch is dat niet alles. De belangrijkste reden dat ik mij hier de afgelopen maanden maar nauwelijks heb gemeld is dat ik, eh, een beetje sprakeloos was.
De reden dat ik weinig schreef was dat ik, eeh, gewoon niet zoveel te zeggen had.
Nu weet ik wel dat al die bytes en bits niks kosten. Het is geen printerinkt of zo. Maar als ik onzin schrijf gaan driehonderd mensen per dag die rotzooi lezen in de hoop iets zinnigs op te doen of minstens een glimlach. En aan het eind van zo’n stukje komen ze dan tot de ontdekking dat ze hun tijd hebben verdaan. Tijd waarin ze ook hadden kunnen koperpoetsen, nagelbijten, krantlezen, rozenkransbidden of gootsteenontstoppen.
Als leuteren net zo duur was als printen zou de wereld beter klinken, denk ik.
Nou ja, vandaar dus.
Dromen en draken…
zondag 30 augustus 2009

Met stijgende verbazing lees ik het gekrakeel rond het luchtkasteel van Laura Dekker. Meiske Dekker is een bakvis van dertien jaar die, zoals past bij haar leeftijd, haar dagen doorbrengt met het rondzweven tussen de gepoederd roze wolken van haar meisjesdromen. Prima!
In haar geval heeft die droomwereld de vorm aangenomen van een reis rond de wereld in een zeilboot. In haar eentje… En niet als ze later groot is, maar nu. Nu kan ze er namelijk een record mee breken: de jongste zeiler ooit om de wereld te ronden!
Op die leeftijd hebben we allemaal rare dromen, en zo hoort het ook. Ik denk aan de mijne nog met genoegen terug.
Dat genoegen zou ik nu nooit hebben gesmaakt als ik destijds de kans zou hebben gekregen mijn puberale wazigheden in de werkelijkheid ten uitvoer te brengen. Kinderdromen hebben immers de neiging om in de dagelijkse realiteit in volwassen draken te veranderen.
Gelukkig had ik een geweldige vader en moeder, die mij van tijd tot tijd liefdevol maar effectief uit de wolken harkten en met beide benen op de grond zetten. (en God weet hoeveel werk ze met mij hebben gehad…)
Dergelijke ouders had ik Laura ook gegund…
En het stevige pak op de broek dat erbij hoort.
Ik ben er uiteindelijk wel bij gevaren…
P.S: Als Laura de kinderbescherming zo gek krijgt om haar te laten gaan (en dat zou me niets verbazen,) wordt haar record dan volgend jaar gebroken door iemand van 11? en dan van 10? En hoeveel daarvan zullen er verzuipen? Ik vraag maar…
Rozenkrans onder de aanbidding 3
woensdag 1 juli 2009

Zoals gezegd hebben verschillende lezers meegedacht over het ‘probleem’ van de rozenkrans onder de aanbidding. Zo schreef iemand het volgende:
- Het Woord wordt vlees, door het baren van Maria.
- Door Maria heen openbaart God zich, Maria baart Jezus, Maria toont Jezus.
- Maria toont ons hoe eenvoudig het is om het Woord, Jezus, te ontvangen en te tonen: Je hoeft slechts ‘ja’ te zeggen, ‘Mij geschiede naar Uw Woord.’ (…)
- Het Ja-woord van Maria toont ons hoe ook wij het Woord vlees kunnen laten worden: de Liefde moet vrucht dragen. Ook wij mogen Ja zeggen. Het Woord wil antwoord, ons Ja-woord.
- Aanbidding is ons Ja-woord naar het voorbeeld van Maria.
- De cirkel is rond: Maria toont ons Jezus bij Zijn geboorte, Jezus toont ons Maria bij Zijn dood: “Moeder, zie daar uw zoon” (= Johannes = de mensheid = jij en ik), en: “Zoon (= Johannes = de mensheid = jij en ik), zie daar uw moeder”. Jezus geeft ons Maria als onze moeder, als onze weg naar Hem.
- Als wij het moeilijk hebben met ons geloof: vraag het aan Maria: toon ons hoe je ‘ja’ zegt: ‘Mij geschiede naar Uw Woord.’
- Maria, de monstrans van Jezus: En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot.
Ik vind dat alles mooi geformuleerd. Deze persoon heeft duidelijk goed over deze hele materie nagedacht.
Het ‘probleem’ van het rozenhoedje onder de aanbidding is alleen niet zozeer theologisch van aard als wel praktisch. Wie de moeder (op een gezonde manier) eert, eert ook de Zoon. Wie de moeder eert komt uit bij de Zoon. De moeder verwijst altijd naar de zoon. De Zoon is niet jaloers op de moeder, noch ook de moeder op de Zoon. Er bestaat niet zoiets als een ‘heilige concurrentie.’
De moeilijkheid ligt dan ook niet bij Jezus of Maria, maar bij onszelf, en ons beperkte vermogen om onze concentratie en onze verbeeldingskracht te beheersen.
Maria als monstrans vind ik een mooi voorbeeld. Een monstrans is een houder om het Sacrament te tonen (Monstrans komt van het Latijnse monstrare wat tonen betekent.) In feite is het niet meer dan een ding om de Hostie rechtop te houden, zodat men ernaar kan kijken. In feite zou een dun stangetje met een Hostie-houder (een zogenaamde lunula) voldoende zijn. In de praktijk is men echter, om het Sacrament te eren en ook om er van grotere afstand de aandacht op te vestigen, de monstrans steeds meer gaan versieren en optuigen. Idealiter trekt deze versiering de aandacht naar binnen, naar de Hostie. Meestal heeft deze versiering dan ook de vorm van een stralenkrans rond het Sacrament. Als voorbeeld geef ik hier onze eigen monstrans in Warfhuizen, die ik zelf prima vind ‘werken:’ uitbundig genoeg om de aandacht naar het Sacrament te trekken, maar ook eenvoudig genoeg om de aandacht bij het Sacrament te laten:
Heel anders wordt het wanneer de versierdrift het overneemt, of wedijver met de buurparochie. Sommige barokke monstransen hebben duidelijk last van dit euvel. Het meest gruwelijke voorbeeld vind ik zelf altijd de zogenaamde ‘Lepanto Monstrans’ uit de Maria de Victoria-kerk in Ingolstadt in Beieren:

Zoals je ziet is deze monstrans beeldig versierd met de aan flarden geschoten schepen van de Turken, die in 1571 werden verslagen door een christelijke vloot in de zeeslag bij Lepanto. Deze overwinning was een keerpunt in de expansie van het Ottomaanse rijk, en dus de verspreiding van de Islam. Het succes van de christelijke vloot werd algemeen toegeschreven aan het rozenkransgebed, en werd zodoende een semi-religieus motief. Hoe dan ook: je kunt je voorstellen dat het tijdens een fijn uurtje aanbidding moeilijk wordt je aandacht bij het Sacrament te houden als je wordt afgeleid door een goud-en-zilveren veldslag eromheen (in dit geval letterlijk.) Omdat dit voorbeeld misschien wat extreem is geef ik nog een ander voorbeeld:

Hier geen hak-en-pletwerk maar lievige engeltjes en zelfs briljanten bloemetjes achter het glas van de lunula, zodat de Heer letterlijk achter de geraniums zit. Allemaal heel christelijk, maar het leidt nog steeds af van waar het eigenlijk om gaat.
‘Wat heeft dat alles met Maria te maken? Zij is toch de bescheidenheid zelve?’ zeg je nu misschien. Daar heb je dan gelijk in. Maar onze geest is helaas maar tot een beperkte hoeveelheid aandacht in staat. Als we dus voor de monstrans knielen en we willen ons bij de Heer houden, hoe gaat dat dan in de praktijk wanneer we door de mondgebeden die we gebruiken voortdurend naar Maria getrokken worden? En wat als onze verbeeldingskracht dan vervolgens Maria gaat ‘optuigen,’ zoals de zilversmid in Ingolstadt het deed met zijn ‘Lepanto-monstrans?’
Dat er wel degelijk verwarring kan optreden zou ik willen illustreren met het volgende voorbeeld, waar ik persoonlijk echt de kriebels van krijg:

Hier heb je Maria letterlijk als monstrans. (Natuurlijk is het een voorbeeld uit Amerika.) In het middelste medaillon past namelijk een (erg grote) Hostie:

Het probleem begint hier natuurlijk al bij buitenstaanders die misschien denken dat in dit ‘Heerlijk vat van godsvrucht’ Maria’s lichaam wordt bewaard, of iets dergelijks.
Maar zelfs voor katholieken met een zeer uitgebreide kennis van de eucharistische werkelijkheid: zou jij in staat zijn om voortdurend in je hoofd je aanbidding voor het Allerheiligste te scheiden van de levensgrote beeltenis eromheen? Ik niet, in ieder geval. Ik zou zoiets zelfs al niet willen met een beeld van Christus, laat staan op deze manier.
Terug naar het rozenhoedje onder de aanbidding:
Eigenlijk blijkt het wel goed te werken, dus we houden het zo. Ik heb me eigenlijk om niks druk gemaakt. Zelf ervaar ik het alsof de heilige maagd, de aanbidster bij uitstek, ons voorgaat in de aanbidding. Aan haar hand, over het pad van de geheimen, zullen we echt niet verdwalen.
Maar alle andere devoties die niet rechtsstreeks op Christus betrekking hebben, of het nu om Maria of om de zweetvoeten van de heilige Antonius gaat: niet onder de aanbidding.
Geen taferelen rond mijn lunula. Njet!
Rozenkrans onder de aanbidding 2
woensdag 1 juli 2009

Enige tijd geleden schreef ik naar aanleiding van het bidden van de rozenkrans onder de aanbidding van het Allerheiligste dit stukje. Ik heb toen al aangekondigd dat ik van plan was erop terug te komen. Verschillende mensen zijn door mijn opmerkingen van toen aan het denken gezet. Hun opmerkingen wil ik hier graag met jullie delen, naast enkele gedachten die bij mijzelf zijn opgekomen.
Allereerst ben ik naar aanleiding van mijn gevoelsmatige weerstand tegen het rozenhoedje onder de aanbidding te rade gegaan bij het ‘Directorium over volksvroomheid en Liturgie’ van de congregatie voor de goddelijke eredienst en de regeling van de Sacramenten.
Dat document hoort bepaald niet bij mijn favoriete kerkelijke documenten. Ik vind het een erg grijzig en ambivalent geheel. Ik denk dat dat komt omdat het bedoeld is voor de hele wereldkerk terwijl het gaat over een onderwerp dat bij uitstek geografisch bepaald is. De schrijvers zaten volgens mij met hun gedachten nogal eens in afgelegen zuidelijke streken, waar soms de linker grote teen van pater Pio grotere verering geniet dan God de Vader. Zodoende hangt het boekje (begrijpelijk) nogal eens aan de rem wat volksdevotie betreft, soms meer dan in Noord-Europa in mijn ogen nodig of zelfs wenselijk zou zijn. Als ze in Zuid-Italië teveel peper in hun soep gooien wil dat immers nog niet automatisch zeggen dat er in Groningen niet een snufje bij zou mogen. Ook andersom zijn er trouwens voorbeelden te vinden.
Ik had dan ook verwacht dat het document streng zou zijn ten opzichte van Mariale devoties onder de Sacramentsaanbidding. Gedeeltelijk is dat ook zo: (…) Zo zullen zij langzamerhand begrijpen dat er tijdens de aanbidding van het Allerheiligste Sacrament geen andere devotionele praktijken ter ere van de heilige Maagd Maria en de heiligen plaats mogen vinden (nr.165 onderaan.) Maar direct daarna volgt dan: Op grond van de nauwe band die Maria en Christus verenigt, zou echter het bidden van de rozenkrans kunnen helpen aan het gebed een diepe christologische richting te geven, omdat men daarbij de mysteries van menswording en verlossing overdenkt.
Dat klinkt logisch, maar in de dagelijkse werkelijkheid hebben we wel de complicatie dat in de praktijk de rozenkrans standaard gevolgd wordt door de Lauretaanse Litanie, en dat wordt alweer veel ingewikkelder. Vervangen door de litanie van het Allerheiligst Sacrament en de Lauretaanse Litanie uitstellen tot na de instelling? Maar dan bidden we al ‘Gezegend zij God…’
Enfin, we moeten ons er maar mee redden. Wordt vervolgd.
Dweilorkest
vrijdag 19 juni 2009

Van alle landen in het ondermaanse is Nederland misschien wel het allerondermaanst. Daarom heet het natuurlijk ook Nederland. Logisch.
Ook de mensen in Nederland zijn ondermaanser dan andere ondermaanse mensen. Dat heeft tot gevolg dat ze niet bepaald bekend staan om hun religieuze genie.
Dat is ooit anders geweest. In de zogenaamde middeleeuwen kropen hier hele generaties grote mystici uit de klei. Hadewijch en Dodo, Ruusbroec en van Kempen bestormden vanuit de Nederlanden de hemel. Van de hemel is hier immers genoeg, omdat al het andere plat is.
Enfin, zo werkt het niet meer. Hoeveel hemel er in Nederland ook is, veel Nederlanders ziet het niet meer, en willen het klaarblijkelijk ook niet zien. Zij stáán niet alleen met beide benen op de grond, maar klampen zich er ook aan vast, alsof heel dat ruime blauw boven hun hoofden beangstigend is, omgekeerd, diepte in plaats van hoogte.
Misschien is het ook wel daarom dat zij geschokt reageren als zij in hun eigen platte modderland een plaats ontdekken waar hemel en aarde elkaar raken en zich met elkaar vermengen. Een heilige plaats noemen wij mensen dat. Elke simpele parochiekerk is in essentie zo’n plaats.
In de afgelopen decennia heeft men nogal eens geprobeerd dergelijke plaatsen van elk mysterie te zuiveren, huiselijk te maken, de hemel terug naar boven te jagen. Zodoende zijn heilige plaatsen in ons land zeldzaam geworden, of tenminste vaak niet meer als zodanig herkenbaar.
In Warfhuizen hebben wij altijd ons best gedaan van de kluiskapel een echt heiligdom te maken, de ruimte te geven aan het heilige. Dat dat gelukt is (zelfs nog een beetje meer dan oorspronkelijk de bedoeling was,) merken we aan het bezoek van allerlei mensen die juist wel op zoek zijn naar een plek waar de grenzen tussen hier en hierna wat minder scherp zijn te trekken.
Als deze mensen mij aanspreken prijzen ze mij vaak gelukkig. ‘Om op zo’n plaats te mogen wonen!’ En ze hebben gelijk: de meetsnoeren zijn mij in een lieflijk oord gevallen.
Aan de andere kant ervaar ik deze plaats natuurlijk niet op dezelfde manier als zij. Ik ben hier dagelijks, ik ben gewend aan deze sfeer. Ongeveer zoals de Drent niet meer opkijkt van een bos meer of minder, en de Limburger zich niet meer verwondert over de schoonheid van zijn heuvels, zo moet ik soms echt even een ogenblikje stilstaan om mij werkelijk bewust te worden van de bevoorrechte atmosfeer van deze plaats.
De grap is, dat ik er nog het meest door wordt opgetild wanneer ik bezig ben met hele gewone, huishoudelijke dingen.
Zoals dweilen, bijvoorbeeld.
Als ik met mijn emmers en zwabbers de trapjes naar het heremietenkoor opklauter, de wolken damp-met-groene-zeep uit de emmers opstijgen en zich vermengen met de oude wierooklucht, dan ontstaat er soms een heel bijzondere stemming. Juist de eenvoudige dingen met aandacht verrichten en niet vooruitkijken naar het einde ervan kan soms meer doen dan duizend weesgegroetjes.
Als dan de zwarte stenen vloer steeds natter wordt tekent zich in de diepte een andere kerk af, dezelfde als boven, maar donkerder en helderder tegelijk. Als een vochtige bries draait, zwiert en zwaait mijn mop over de tegels en door die andere kerk, alsof je met je zwabber in een andere dimensie staat te porren. De gipsen heiligen zien er met welgevallen op toe dat het ernst blijft met de eenvoud, en dat al het ernstige eenvoudig wordt. Zalig de armen van geest, want zij zullen God zien. Geprezen zijt Gij, Vader van hemel en aarde voor al die dingen die de wijzen en verstandigen niet zien, maar die heel gewoon zijn voor kinderen, zotten en simpelen. Een stil muziekje bij een mooi werkje. Een dweilorkest.

De mooie foto’s zijn van Marjo Antonissen