Mevrouw Postma overleden

dinsdag 16 juni 2009

Mevrouw Postma, over wie ik schreef in het bericht over de bedevaart van verpleeghuis Maartenshof hier, is vorige week overleden. Ik ben blij dat ze nog even in Warfhuizen bij Maria is geweest, wat ze zo graag wilde.  Ik zal de vespers van de overledenen voor haar bidden, maar ik ben bang dat ze daar wel niet erg van onder de indruk zal zijn. Zoals vermeld beschikte mevrouw Postma over ‘bidkracht 12.’ Zover ben ik nog lang niet…

Gethsémané

donderdag 9 april 2009

De Liturgie stuwt het jaar weer naar haar meest ingrijpende momenten toe. Vanavond begint het hoogheilig Triduum. Wij vieren vandaag de instelling van de Eucharistie, en daarna waken wij met de doodsbange Christus in de Hof van Gethsémané.

Gethsémané is mij altijd bijzonder dierbaar geweest. Misschien komt dat wel omdat ik nog nooit aan het kruis ben geslagen, maar al ontelbare keren bang ben geweest. Waar het lijden van Goede Vrijdag indruk maakt omdat het voor ons volslagen onvoorstelbaar is, roept de duisternis van de nacht in de Hof van Olijven juist een levendige herkenning op.

Zou Christus toen alleen bang zijn geweest voor het lijden dat Hem de volgende dag te wachten stond? Of zou het zweet Hem ook zijn uitgebroken omdat Hij wist hoeveel van het Bloed dat Hij voor ons zou vergieten door ons verspild zou worden?

Als dat laatste het geval is leven wij dus als het ware in zijn angstdroom, en maken wij daar deel van uit. Dat klinkt niet hoopvol, maar dat wordt anders als we bedenken dat Hij die nacht ondanks alles heeft doorgezet. ‘Vader, niet mijn wil geschiede, maar uw Wil.’

Hij vond ons duidelijk toch de moeite waard, hoeveel angst en onmacht wij Hem ook bereiden. Hij heeft zich als een ware Goede Herder in de doornen gestort waarin wij onszelf elke dag weer  verstrikken.

Dat bemoedigt mij telkens als ik weer eens met een schok tot de ontdekking kom dat ik de fout ben ingegaan.

Hij waagt zich in het oerwoud van mijn onheilige angsten en begeerten, zelfs daar waar ik zelf nauwelijks durf te komen.

Hij komt mij halen.

Cleopatra

dinsdag 17 februari 2009

Zoals in een van mijn vorige posts al werd aangekondigd ben ik ondertussen naar het museum geweest, en het was inderdaad een heerlijke ervaring.

De schilder Waterhouse was geen verbaal figuur.

In die zin is er tussen hem en mij weinig verwantschap.

En toch: als ik oog in oog sta met zijn werk, wat een herkenning is er dan.

Ik zal de komende tijd af en toe terugkomen op de prachtige dingen die ik in Groningen van Waterhouse mocht zien, en ik wilde graag beginnen met zijn ‘Cleopatra.’

Ik zou willen beginnen met op te merken dat ik dit een draak van een schilderij vind. Niet omdat ik het lelijk vind, maar omdat het me beangstigt.

Ik zou dit nooit ophangen op een plaats waar ik er dagelijks tegenaan zou lopen.

Niet voor boven de piano.

Nou zijn wulpse femmes fatales ook niet direct het hoofdonderwerp van het iconografische programma in de kluis. Ze past niet bij het behang, zou je kunnen zeggen. Maar dat is niet waar het me nu even om gaat.

Van dit schilderij (het plaatje doet het geen recht) gaat in levenden lijve een enorme zuigkracht uit. Het heeft een sterke dieptewerking die aantrekt, die maakt dat men de neiging heeft er recht op af te lopen. Maar als men er dan vlak voor staat blikt men in de ogen van een slang, en men beseft dat men opgevreten zou zijn als deze verf geleefd had.

Een slang is eigenlijk nog een verkeerde metafoor voor deze dame. Wat haar zo walgelijk maakt, is dat haar slechtheid herkenbaar is. Hier zit geen draak of duivel, geen kwaad van buiten. Ze is een verbeelding van bedorven menselijkheid, puur mens, puur verknipt. Hier zit verveling, wreedheid, hoerigheid, leedvermaak, cynisme, achteloosheid, begerige onverschilligheid, vernielzucht, sadisme. Dit alles verpakt in een uiterst charmant velletje, natuurlijk, dat dan weer wel.

Weinig van ons hebben een dergelijk velletje, maar de hele rest van haar woont in ons allemaal. Ze krijgt weliswaar meestal niet haar zin, want we doen ons best haar onder de duim te houden, geholpen door de Heilige Geest, onze opvoeding en een goede wil. Maar we vallen allemaal wel eens in haar klauwen, wanneer we oordelen over wat we niet kennen, handelen uit jaloersheid, trots op anderen neerzien, ons uit gemakzucht overgeven aan wantrouwen, ongeïnteresseerd zijn in het zwoegen van onze naaste. Spelen met andermans leven.

Ze is, ironisch genoeg, het moeilijkst te temmen als we zelf slachtoffer worden van achteloosheid, agressie, frustratie. Dan wordt deze koningin inderdaad verleidelijk, nee, haast onweerstaanbaar. Ook de historische Cleopatra was haar hele leven stevig mishandeld voor ze zo’n grillig spook werd.

We herinneren ons allemaal wel onze nog ongepolijste kinderjaren. Hoe schier onmogelijk het was om je rottige buurjongetje niet een mep terug te verkopen als je er een gekregen had.

Maak je maar geen illusies: die neiging heb je nog steeds.

Jezus waarschuwt in duistere bewoordingen hen die zijn kleinen aanstoot geven, hen die deze dame in anderen wakker schudden. Want ze woont in ons allemaal.

Ik stel je voor aan Cleopatra, een van de huurders van het gebouw van je ziel.

Hou haar eronder.

KTO over Williamson

vrijdag 13 februari 2009

Over de kwestie Williamson is er een bijzonder evenwichtig programma uitgezonden door de KTO. Wie voldoende Frans beheerst zou er goed aan doen de onderstaande link aan te klikken.

KTO

Mensen zeuren mij op dit moment nogal aan mijn hoofd over de hele kwestie Williamson. Ik kan praten als Brugman, maar we schijnen hier weer eens te maken te hebben met een kwestie waarbij de ‘emoties’ de logica overschreeuwen.

Ik blijf maar aan de gang: ‘Ja, het is idioot en verdorven om de Holocaust te ontkennen, nee, de paus heeft deze bisschoppen niet ‘gerehabiliteerd,’ nee, ze kunnen dus ook absoluut niet spreken namens de Kerk,’ etc. etc.

Mensen die ik normaal bewonder om hun gezonde verstand schreeuwen nu moord en brand, iedereen is van de kook, en schijnbaar niemand heeft de moeite genomen om nou eens het decreet waar het allemaal om draait grondig te lezen.

In zo’n geval beroept men zich het best op de kalme nuchterheid van Mgr. Kasteel

(Om het geluidsfragment te starten klikt men op de link hierboven en vervolgens op het zwarte pijltje links in het midden.)

Sint-Gerlachusdag

dinsdag 6 januari 2009

Ik heb een hekel aan verplaatste feestdagen, zoals het feest van Epifanie dat we afgelopen zondag al vierden in plaats van vandaag. Nu is het zes Januari, en toch geen Epifanie. Dat is raar. Daar zou wat aan gedaan moeten worden. Het woordje ‘heilig’ betekent dat je er niet aan gaat knutselen. Dat zou dus ook op moeten gaan voor ‘heilige dagen.’

Hoe dan ook, vaak komt de verschuiving van Epifanie mij praktisch wel goed uit, omdat het op vijf Januari de dag van de heilige Gerlachus is, de grootste der Nederlandse kluizenaars. Zodoende beschouw ik hem als mijn patroon, meer nog dan Antonius (die ik trouwens ook bijzonder vereer, daar niet van.) Jammer genoeg is het vreselijk moeilijk een beeld of reliek van Gerlachus te krijgen, dus is er in de kerk niet veel van hem te bespeuren. Daarom vier ik zijn feest dan maar met alle uitbundigheid, zelfs met een soort officieus octaaf. Tot 11 Januari bid ik dagelijks zijn litanie, en lees ik uit zijn leven.

Hij was een woeste ridder, een mannetjes-man, zouden ze tegenwoordig zeggen. We hebben het over de twaalfde eeuw, en je moet je bij zo’n ridder niet veel galants of hoofs voorstellen. Een groffe vechtjas en zuiplap komt meer in de richting van de werkelijkheid. Ook Gerlachus hoorde bij dit slag. Maar hij had ook zijn zachte kanten, en de belangrijkste daarvan was dat hij zielsveel hield van zijn vrouw.

Hij was net druk bezig met een toernooi (middeleeuws equivalent van het tegenwoordige kooigevecht, maar dan met paarden) toen hij het bericht kreeg dat zijn vrouw plotseling gestorven was. Dat zette zijn wereld op de kop. Hij ging piekeren over de broosheid van het leven, over wat echt is en wat niet, hij bekeerde zich en trok zich als kluisbroeder terug in een holle boom.

Het boete-aspect van het kluizenaarsbestaan was voor Gerlachus erg belangrijk, gezien zijn verleden (we mogen aannemen dat hij in ieder geval de nodige gebroken botten en waarschijnlijk zelfs doden op zijn geweten had.) Zodoende mengde hij zijn brood met as en vastte grote delen van het jaar.

Gerlachus is een van die kluisheiligen die ons laten zien hoe veelvormig het kluizenaarsbestaan in de loop van de eeuwen is geweest. Hij bleef niet voortdurend in zijn boom, maar maakte dagelijks een bedevaart naar Maastricht, om het graf van de heilige Servatius te vereren. ’s Zaterdags ging hij naar Aken, waar het kleed van de heilige maagd werd bewaard.

Velen kwamen naar Houthem om de kluizenaar te raadplegen. Hij stond bekend om zijn eenvoudige gezond verstand, eerder dan om zijn theologische diepgang. In die zin is hij te vergelijken met sommige Russische poestniks. Evengoed telde hij graven en hertogen onder zijn geestelijke kinderen, en zelfs de heilige Hildegard van Bingen (zelf een meer dan hooggeleerde griet) had hij duidelijk wat te zeggen. Zij schonk hem het bloemenkroontje van haar professie.

Regelmatig had hij gedonder met jaloerse geestelijken - nihil novum sub sole - zowel wereldheren als koorheren van het stift Heinsbach. Zij beweerden dat hij zichzelf verrijkte en dat hij een berg goud onder zijn boom verborgen hield. Zij lieten de boom omkappen, waaronder niets anders gevonden werd dan de steen waarop hij zijn hoofd te rusten legde. Uit schaamte liet men daarop uit het hout van de boom een kluis en kapelletje bouwen.

Gerlachus stierf in 1165 of 1166, en ligt begraven in Houthem. De Norbertinessen lieten later een fantastische barokkerk over zijn graf bouwen, met een geweldig ontploft-boerenbarok-praalgraf. Hij is in veel streken de patroon van het rundvee. Hij is mij (zodoende?) dagelijks tot grote steun, en ik dank hem er hartelijk voor. Heilige Gerlachus, bid voor ons!

Een goede oude gewoonte onder contemplatieven is de geestelijke briefwisseling. Soms is dat een briefwisseling met een andere contemplatief, maar het kan ook met een geestelijke of missionaris zijn (de briefwisseling van de heilige Theresia van Lisieux met Maurice Bellière is wereldberoemd geworden.) Hoe dan ook, ik heb een pronte Birgittines als ‘geestelijke zus’ gekregen, met alle gevolgen van dien.

Het eerste gevolg is dat ik tegenwoordig een rozenhoedje met zes tientjes bid, de zogenaamde Birgittijnse rozenkrans. Elke serie geheimen (de blijde, droeve, glorievolle en zelfs die van het licht) heeft een extra geheim. De blijde geheimen zijn:

  1. De Onbevlekte ontvangenis
  2. De boodschap van de engel
  3. Het bezoek van Maria aan Elizabeth
  4. De geboorte van Christus
  5. De opdracht van Christus in de tempel
  6. Het terugvinden van Jezus in de tempel

De droeve:

  1. De doodsangst in de hof van Olijven
  2. De geseling van Jezus
  3. De bespotting van Christus
  4. De kruisweg
  5. De dood van Christus aan het kruis
  6. De Nood Gods (De gestorven Christus in de schoot van zijn moeder)

Die van het licht:

  1. De gehoorzaamheid van Jezus aan zijn ouders
  2. De doop van Christus
  3. De bruiloft van Kana (begin van het openbare leven)
  4. De verkondiging van het Rijk Gods
  5. De gedaanteverandering
  6. De instelling van de Eucharistie

De glorievolle:

  1. De verrijzenis van de Heer
  2. De hemelvaart van de Heer
  3. De uitstorting van de Heilige Geest
  4. De tenhemelopneming van Maria
  5. De kroning van Maria
  6. Maria als schutsvrouwe

Ik heb veel plezier van de extra geheimen, die ik zeer zinnig vind (wat niet wil zeggen dat ik vind dat de hele wereld nu accuut Birgittijns moet worden.) Ik bid de Birgittijnse geheimen speciaal voor de Birgittinessen en Birgittijnen, waarmee ik me toch al bijzonder verwant voel (vooral vanwege hun overweging van het lijden van de Heer.) Ik heb met mijn geestelijke zuster afgesproken dat we elke dag op dezelfde tijd bidden (zij bidt ook het gebed van Onze Lieve Vrouwe van Warfhuizen. Zo zijn we in gebed verbonden.)

Twee weken geleden kreeg ik van haar een prachtige Birgittijnse rozenkrans cadeau, zodat ik er nu ook echt eentje met zes tientjes heb. Als bonus zat er een prachtige medaille van de heilige Birgitta en de heilige Catharina van Zweden aan.

Er zitten op deze manier zeven Onze Vaders in (ter ere van de zeven smarten en zeven vreugden van Maria) en drieënzestig Weesgegroeten (Maria is volgens de meest gevolgde traditie drieënzestig jaar oud geworden.)

O ja. Sommigen zeggen dat het gekroonde Mariabeeld op de esplanade van Lourdes een Birgittijnse rozenkrans draagt. Dat berust echter op een simpele vergissing van de beeldhouwer. Gelukkig is onze Roomse traditie zo rijk dat er aan elke blunder wel weer een mouw te passen valt.

En inderdaad: er zitten kringen in de tafel. Ik zal ‘m eens in de was zetten.

We verzuipen in de troep…

donderdag 18 december 2008

Het schoonmaken van de kerk is ongeveer tot de helft gevorderd: de extra grote kerstboom heeft ook extra troep veroorzaakt. Ik zuig, dweil en stoom wat af. Schoonmaken is een goed werk. Het lijkt op het bezig zijn met de ziel.

Zowel in hoofden en harten als in gebouwen, kamers en kerken is de zich eindeloos opstapelende troep vaak het grootste probleem.

In huis de bulten drukwerk en de afwas, in de kerk de kaarsenstompjes, noveenkaarshulzen en verlepte bloemen, in de sacristie de dozen, het pakpapier en de vuile altaardwalen en corporales.

In het hoofd de duizenden gedachten die eigenlijk nergens toe dienen. In het hart de woede die er niet toe doet, de heimwee naar wat niet meer bestaat en het verlangen naar wat nooit heeft bestaan (en ook nooit zal bestaan.)

Schrijven is schrappen. Leven vaak ook.

Te veel is vaak een veel groter probleem dan te weinig.

De eerste kerstweeën

zondag 14 december 2008

De Advent is een pregnante tijd - dat ligt voor de hand. Zo langzamerhand beginnen de voorbereidingen voor kerstmis merkbaar te worden. De boekjes voor de dorpszangdienst moeten worden gemaakt en zaterdag is de kerstboom in de kerk gezet. Morgen volgt dan de versiering.

Die kerstboom is trouwens veel groter en mooier dan andere jaren, met dank aan de familie Stiekema uit Kloosterburen. Alleen zat ik vanmorgen wel even te piekeren hoe ik nu in vredesnaam de piek erin moest krijgen. Gelukkig bracht een trap op de balustrade van de preekstoel uitkomst. Met één hand heb ik me vastgeklampt aan de trap, met de andere kon ik, wapperend en hengelend, de schaar net aan de top van de boom krijgen. Vervolgens heb ik op dezelfde manier de piek erop geprikt. Een heel circus, waarvan mijn bewaarengel ongetwijfeld ook erg genoten heeft.

Traditiegetrouw wordt ik op ‘kerstboomdag’ niet geholpen door de gebruikelijke vrijwilligers, maar door mijn moeder. We verheugen ons daar allebei elk jaar op. Eerst moet de boom worden opgetuigd, verder gaan we een guirlande van coniferengroen maken voor het clausuurhek, en dan moet de troep nog worden opgeruimd. Vooral op het ontwarren van de lampjes verheug ik mij elk jaar.

Heel dit gebeuren is wel wat aan de vroege kant, maar té vlak voor de kerst is ook geen succes, zoals we vorig jaar gemerkt hebben. Dan wordt het wel héél hectisch. Enfin, met het weghalen van het paars en het kleden van Onze Lieve Vrouw wacht ik wel tot het allerlaatste moment. Ook op het heremietenkoor wordt het pas kerst als het ook echt kerst is.

Vanaf woensdag is het o-antifonentijd (het laatste stukje van de Advent, met prachtige eigen liturgische muziek.) Die kan ik dan tenminste, als het goed is, zonder al teveel herrie en logistieke acrobatiek beleven.

Iedereen een zalige voortzetting van de advent!

(Het plaatje is van het zwangere genadebeeld van Onze Lieve Vrouwe van Quinau in Trutzhain. Leek me wel toepasselijk.)

Houd mij niet vast…

vrijdag 5 december 2008

De aanleiding van het volgende was een reportage over de ontmoeting tussen Andries Knevel en Boele Ytsma die ik heb gezien. Je kunt het hier bekijken. Volgens mij heeft Boele iets meegemaakt wat vergelijkbaar is met mijn eigen ervaringen, maar ik zou niet durven pretenderen dat ik in zijn ziel kan schouwen. Zodoende moet het volgende los worden gezien van die uitzending. Dit gaat puur over mijn eigen ervaringen.

Aan het begin van deze advent speelt mij weer eens een thema door het hoofd dat mij met enige regelmaat bezighoudt: het sterven en verrijzen van ons geloof.

Misschien dat sommigen van jullie daar vreemd tegenaan kijken, maar ik denk dat iedereen die serieus met geloven bezig is wel begrijpt wat ik ermee bedoel.

Inderdaad: ons geloof moet, net als de Heer zelf gedaan heeft, sterven en verrijzen, anders verandert het in beton en drukt ons terneer, het verandert een gesneden beeld, het verandert in afgodendienst. De momenten dat je ‘geloof sterft’ zijn de angstigste maar ook de meest vruchtbare momenten in het leven van een gelovige. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft brengt zij geen vruchten voort…

Natuurlijk loopt dit niet altijd goed af. De sleutel is de nederigheid die niemand ooit werkelijk bezit, maar die velen van ons gelukkig soms mogen lenen. Als je geloof sterft is het van levensbelang dat je de neiging tot verzet, de hoogmoedige neiging naar autonomie, het willen zijn als God, overwint.

Nederigheid en godsvertrouwen horen namelijk bij elkaar. Wie hoogmoedig wordt en meer op de hersenspinsels van zijn eigen ‘wijsheid’ vertrouwt dan op God, hij zal zijn geloof verliezen. Het sterft en staat niet (vanzelf) meer op. Hetzelfde geldt voor mensen die hun geloof niet láten sterven, die zich vastklampen aan hun verdorde, versteende geloof. Na lange of korte tijd verkruimelt het als de reus met de lemen voeten, en ze blijven met lege handen achter.

Hoe kan dat: je geloof laten sterven terwijl je toch op God blijft vertrouwen?

Als al die dingen die heilig leken, maar eigenlijk bouwsels van je eigen verbeelding waren, beginnen te wankelen, treedt er een reflex van overgave aan God op die recht op de kern afgaat met weglating van alle constructen. Persoonlijk geloof ik dat deze reflex ingeschapen is, maar wel mede wordt gevormd door je opvoeding en levenswijze. Wat sterft  in het hele proces is niet de kern van het geloof, de sprakeloze intieme band die jou aan God bindt (al wordt die wel volkomen onzichtbaar en tijdelijk onervaarbaar zolang het versleten godsbeeld nog in de weg staat.) Het hoeft zelfs niet eens te betekenen dat je bepaalde formele geloofswaarheden loslaat. Wat sterft zijn jouw persoonlijke percepties van God, ontstaan uit je gedachten en ervaringen, vruchtbaar gemaakt voor je groei, en nu uitgebloeid en klaar om te sterven.

Tijdens zo’n ’sterven van het geloof’ kan je het gevoel hebben razend te zijn op God, je kan innerlijk op Hem schelden en tieren, je kan er een stroom van blasfemieën uitkramen, maar het onderwerp van je woede zal altijd het godsbeeld zijn dat je zelf geschapen hebt, niet de werkelijke, levende God.

Wen je eraan, dat sterven van het geloof? Wordt het niet makkelijker op den duur om dit alles te ondergaan? Nee. Elk godsbeeld dat eraan gaat heb je lang genoeg gekoesterd om er vreselijk mee vergroeid te zijn. Daarbij lijkt elk godsbeeld dat moet sterven een beetje meer op wie God werkelijk is dan het vorige. Zodoende voelt het alsof we werkelijk van ons geloof vallen. ‘Vallen’ is voor die ervaring een goede metafoor, vind ik persoonlijk. Verzuipen in een schijnbaar leeg heelal zou een andere kunnen zijn.

Ik denk dat deze pijn een vermomde genade is. Om de beperktheid van ons godsbeeld werkelijk te ervaren, en zodoende te voorkomen dat we het gaan ‘aanbidden’ alsof het werkelijk God zelf was, moet het van tijd tot tijd voor onze ogen kapot vallen, zonder enige reverentie afgebroken worden. ‘In brand gestoken en met de schop uitgeslagen worden,’ zouden ze in zuid-oost Brabant zeggen. ‘Gekruisigd,’ zouden de oude Romeinen zeggen, want dat had in hun dagen dezelfde gevoelswaarde.

Het volk dat in het duister wandelt, heeft een groot Licht gezien, profeteert Jesaja. Maar om dat nieuwe Licht te zien moet je dus soms eerst in het duister durven wandelen. En dan zie je niet waar je loopt. Dan moet je vertrouwen.

Toen sprak Jezus: ‘Houd mij niet vast, want ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader.’ Joh.20:17