De tyrannie verdrijven…
vrijdag 31 juli 2009

Jaren hebben wij katholieken in stilte geleden, hebben afgezien en die vieze gesuikerde protestantse smurrie gepruimd, ja, om eraan te ontkomen hebben we zelfs ketchup bij onze frieten gegeten (goddank is er het Sacrament van de biecht!) maar NU IS HET GENOEG!
Ik ben in mijn uiterste wanhoop dan maar in de hogere alchemie gedoken en tot mijn vreugde kan ik u melden: het is gelukt! (vals Heksengelach)
Tot heil van het fatsoen en redding van elke normale persoon die het ongeluk heeft zich te ver benoorden de Vlaamse grens te bevinden om echte mayonaise te kunnen bemachtigen zal ik dus hier het geheim onthullen.
RECEPT VOOR ECHTE (LEES:KATHOLIEKE) MAYONAISE
Benodigdheden:
- een kwart liter arachideolie of maïsolie (geen olijf-of zonnebloemolie)
- Een eierdooier
- Citroensap of azijn (citroensap is katholieker en dus beter, azijn rijmt niet voor niets op Calvijn!)
- Peper en zout
- Mosterd (Zogenaamde Franse, geen Zaanse)
- GEEN SUIKER
Scheid het ei en doe de dooier in een kom. Giet daar een beetje citroensap bij en een beetje van de olie. Ook kun je nu al een afgestreken eetlepel mosterd toevoegen. Klop het geheel met een garde. Het begint al gelijk op mayonaise te lijken (als er in plaats daarvan een arm met groene schubben uit de kom komt die je probeert te wurgen heb je ergens een Hollands (lees: protestants) ingrediënt gebruikt: in dat geval wijwater toevoegen, in brand steken, met de schop uitslaan en overnieuw beginnen.) Giet onder het kloppen steeds een beetje olie bij. Breng de mayonaise op smaak met peper en zout en eventueel meer citroensap.
Verspilde klanken
vrijdag 9 januari 2009
Ik vond mijn laatste stukje bij nader inzien niet zo stijlvol, dus heb ik het maar weggekieperd. Ik had het eigenlijk vooral geschreven omdat ik het woord ‘aarsmade’ zo graag eens wilde gebruiken.
Ik ben een beetje raar als het om taal gaat, ik weet het.
Ik vind ‘aarsmade’ gewoon een van de meest muzikale woorden uit het Nederlands. Helaas brengt het gebruik ervan automatisch allerlei ordinaire en ook onsmakelijke associaties met zich mee, zodat de term in feite onbruikbaar is geworden, wat door mijn laatste actie maar weer eens bewezen is. Eigenlijk is het een veel te mooi woord om te verspillen aan zo’n vies beest als een, nou ja, een aarsmade.
Het ware beter geweest als met deze welluidende klanken een edel dier of een bloem werd aangeduid. Helaas is dat voor eeuwig onmogelijk gemaakt door de arme idioot die dit glanzende juweel uit het Nederlandse idioom heeft misbruikt om er een wriemelend parasitair ondier mee op te sieren.
Nooit zal er nu geschreven worden: ‘Een kudde ranke aarsmaden danste trots over de steile rotsen boven de alpenweide,’ of ‘Hij verraste haar met een prachtige bos zoet geurende aarsmaden.’
Jammer.
(U zult het mij wel niet euvel duiden dat ik een afbeelding bij dit stukje maar achterwege laat.)
Hoogholtje
woensdag 12 november 2008

Het was November, en het gedroeg zich ook zo. Onderweg naar Kloosterburen op mijn vertrouwde Vespa kreeg ik dat beroemde gevoel dat iedereen wel eens heeft: het gevoel dat je kunt vliegen. Dat is niet zo verwonderlijk in een landschap dat zo leeg is, voortzoemend over een fietspad dat niet breder is dan een krant. Het motortje snorde als een tierelier onder mijn in oliegoed verpakte derrière, zonder veel belangstelling nagekeken door de laatste drie koeien die nog niet op stal stonden.
Het was zo’n dag met stortbuien en indrukwekkende wolkencoulissen in roze, geel en blauw, vette klei onder je wielen en Italiaanse barok boven je hoofd. Nu zijn wij in het Noorden geneigd met onze beide benen op de grond te willen blijven, maar dat wordt ongezond als je het al te consequent volhoudt. Af en toe een half uurtje rondfladderen tussen de luchtkastelen doet wonderen voor de geestelijke gezondheid. Mits je geen makelaar belt om er een te huren, zullen we maar zeggen.
Enfin, ik werd abrupt teruggesmakt op de aardse werkelijkheid door een typische Groninger uitvinding: het hoogholtje. Stel je drie smalle planken voor met een leuning links en rechts, idioot hoog op staken gezet boven een sloot (zodat je er nog met een schuit onderdoor kunt.) Zo’n ding kwam ik dus tegen, en halverwege de helling omhoog trok het motortje van de scooter het niet meer…
Met mijn beroemde monastieke engelengeduld verwenste ik alle hoogholtjes naar de zevende kring van de hel, waarvoor ik passend werd beloond met een enorme stortbui en rukwinden die het hoogholtje vrolijk een beetje heen en weer lieten zwaaien.
Opeens moest ik denken aan Janneke, een manegepony uit Bronneger die ik eens heb gekend, kampioene in het lanceren van dikke pubermeisjes.
Enfin, ik ben van alles, maar geen pubermeisje en ook niet dik, dus krampachtig kneep ik in mijn remmen om niet naar beneden te glijden en stapte voorzichtig af. Glibberend en klauterend kwamen ik en mijn scooter boven en vervolgden onze weg.
Grinnikend en fluitend (afwisselend, niet tegelijk) besefte ik weer eens hoe graag ik hier ben.
T-shirt
dinsdag 25 maart 2008

Ik heb zojuist het nieuwe T-shirt van kapelaan van Dijk per ongeluk aan kapelaan Dorssers gegeven om het koper mee te poetsen.
Dat vond kapelaan van Dijk niet zo leuk. (Ik zie de bekeuring wegens burengerucht berustend tegemoet.)
Moet ie ook maar een zwart hemd met vlooienband dragen zoals het een priester betaamt. Die zie ik echt niet voor een poetstod aan…
![]()
Weer terug uit Brabant vier ik met twee van mijn beste vrienden nog even verder dat de Heer verrezen is! Het was een prachtig triduum in de mooie parochie Zeeland (bij Uden,) één van de meest bloeiende geloofsgemeenschappen van het bisdom ’s-Hertogenbosch.
Nu ben ik dus weer in mijn eigen kluis, de eerste dagen nog even met dierbare gasten.
We leven ons vooral liturgisch uit, in de beslotenheid van de kluiskerk, maar wel met alle tralarie waar we van houden, wierook, goudbrokaat, toeters en bellen. We zijn al vrienden sinds het grootseminarie, en feilloos op elkaar ingesteld. Zo gaat het, ondanks de bonte vorm, toch altijd heel bidzaam en geconcentreerd.
Nu wil het, dat onze bisschop mij een paar weken geleden de aanstelling tot acoliet heeft gegeven (’subdiaken’) en dat ik dus een paar extra dingen moest doen die er heel simpel uitzien, maar dat toch wat minder blijken te zijn als je het ook echt zelf moet doen.
Je staat daar ineens met een hele hoop doekjes en dingetjes die je ergens moet laten of juist niet. Enfin, ik ben bij dat soort werkzaamheden de eerste paar keer vaak een beetje klunzig. Daarbij kreeg ik ‘aanwijzingen’ van een collega die ondertussen geleerd heeft de Tridentijnse Mis te dienen, en die mijn verwarring nog groter maakte door tridentijnse aanwijzingen met die voor de Novus Ordo door elkaar te gooien. De ablusievaten, kelkdoekjes, corporales en consecratievingers vlogen mij om de oren. ‘Ik heb toch helemaal geen consecratievingers, ik ben geeneens priester,’ riep ik op een gegeven moment vertwijfeld uit.
Als mijn beste collega over een jaar of wat diaken wordt gewijd zal ik een Grieks-katholieke diaken uitnodigen om hem instructie te geven. Weet ie het ook eens.
We hebben het overleefd, en het was weer prachtig! Wat is onze Liturgie toch mooi!
Vrouwen…
zaterdag 23 februari 2008

Nu zou je denken dat ik het probleem helemaal niet zou moeten kennen, gezien mijn monastieke en celibataire levensstijl. Toch kom ik er, door bezoekende priesters, wel degelijk mee in aanraking, via het fenomeen ‘vrijwilligster.’
Laat ik (disclaimer!) beginnen te zeggen dat zonder de vrijwilligsters geen parochiekerk (of kluiskerk) zou kunnen bestaan. De meeste werkers in de Kerk zijn vrouwen. De vrouwen zijn de pilaren der Kerk, niet de mannen. Daarbovenop ligt het feit dat de meeste vrijwilligsters afzonderlijk hun gewicht in goud waard zijn.
Het is pas als ze bij elkaar komen dat het wel eens verkeerd gaat. Ze kunnen namelijk ont-zet-tend jaloers op elkaar worden.
Als kerels met elkaar op de vuist gaan is het geen mooi gezicht, maar jaloerse vrouwen hoeven geen vinger naar elkaar of naar jou uit te steken om je drie weken nachtmerries te bezorgen.
Een bevriende priester (die ik hier voor zijn eigen veiligheid anoniem laat zijn) verzuchtte laatst dat, mocht hij ooit paus worden, hij alle vrouwen zou verplichten wekelijks een groot exorcisme te ondergaan.
Dit klinkt cru, maar er moet bij gezegd worden dat de man in een parochie werkte waar het bestuur werd getiranniseerd door een aantal vrouwelijke leden die hun wil doordreven door om de haverklap in tranen uit te barsten.
In die parochie is nu een pastoor benoemd die is opgegroeid met vijf zussen. Volslagen immuun. Bij de eerste vergadering zette hij een grote doos met tissues op tafel. Sindsdien is er geen traan meer gelaten. Sommige bisschoppen hebben wel degelijk een geraffineerd benoemingenbeleid…
Enfin, sinds het Tweede Vaticaans Concilie is het parochielandschap drastisch verfeminiseerd. Misschien wordt het tijd daar ook op de seminaries eens aandacht aan te besteden. Niet in de vorm van feministische theologie, natuurlijk. Feministische theologie is onzin, net als marxistische theologie, peronistische theologie, oenologische theologie en pyrotechnische theologie (hoewel dit stukje dan wel weer een beetje pyrotechnisch is, maar dat terzijde.)
Meer nog dan het college ‘formele’ logica zou het vak ‘vrouwenlogica’ de toekomstige priesters tot nut kunnen zijn. ‘Waarom de sanseveria’s op het Jozef-altaar links moeten staan in plaats van rechts? Omdat ze bij de familie Wielens een wedgwood-servies hebben en omdat de grootmoeder van Truus van Weert in 1938 in een spijker is gaan staan. (in de tuin, natuurlijk. Was het in de schuur geweest dan zou het een heel ander verhaal zijn geweest, vanzelf.) Dat soort dingen.
Gelukkig hebben mijn eigen vrijwilligsters weinig last van bovenstaande euvelen. Ik heb geweldige vrijwilligsters (daar laat ik het bij. Ik zou ze nog wel meer lof willen toezwaaien, maar dat vindt mijn moeder niet leuk…)