Historie

 

Christelijke kluizenaars zijn er al sinds het begin van de vierde eeuw. Nadat de grote christenvervolgingen een einde namen trokken Egyptische monniken de woestijn in om daar in de stilte en eenzaamheid God te zoeken. Zij stelden zich onder de leiding van een oude en wijze geestelijke vader, en legden zo de basis voor het latere kloosterwezen. Onder deze zogenaamde woestijnvaders waren beroemde heiligen, zoals Antonius Abt (bekend van de ‘verzoekingen van de heilige Antonius,’) Paulus van Thebe, Evagrius van Pontus en Johannes Cassianus.

Vooral die laatste twee hadden grote invloed op het monastieke leven in Europa. Evagrius was geleerder dan de meeste woestijnmonniken, die meestal van eenvoudige afkomst waren. Zodoende was hij in staat om de spiritualiteit van de woestijn enigszins te systematiseren. Zo vormde zijn leer over de acht (onzalige) gedachten bijvoorbeeld de basis van de latere ‘hoofdzonden,’ zoals geformuleerd door Gregorius de Grote. Johannes Cassianus was dan weer degene die de leer van de vaders naar West-Europa bracht. Hij stichtte het beroemde klooster van Sint-Victor in Marseille, en oefende een grote invloed uit op de heilige Benedictus, wiens regel de voornaamste vormende factor in het westerse monastieke leven zou vormen.

Ondanks dat de meeste monniken zich in kloosters verenigden, bleven er ook altijd kluizenaars bestaan. Uit de middeleeuwen kennen we de heilige Egidius van Nîmes, de heilige Leonardus van Noblat en de heilige Meinrad van Einsiedeln. In onze eigen streken leefde de heilige Gerlachus van Houthem, een bekeerde ridder en vechtersbaas die in de buurt van Valkenburg een holle boom bewoonde. Het rechter zijaltaar in de Warfhuister kluiskapel is aan hem gewijd en bevat een fragment van zijn relieken.

Een hoge vlucht nam het kluizenaarsschap in de Nederlanden echter vooral vanaf de zeventiende eeuw, onder invloed van de contrareformatie. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat het hier vooral om een Zuid-Nederlands verschijnsel gaat. De rest van het gebied zuchtte in die periode immers onder het juk van de protestantse onderdrukking. Net als in de Egyptische beginperiode van het kluizenaarswezen ging het ook nu weer voornamelijk om zeer eenvoudige broeders, die veelal een cel tegen een afgelegen devotiekapel bewoonden.

Als meubelstukken van het heiligdom dat zij bewaakten en verzorgden vormden zij er het biddende hart van, en brachten de rest van hun tijd door met poetsen en eenvoudige werkzaamheden voor hun onderhoud. Niet voor niets noemt de kluisbroeder van Warfhuizen zich vaak met enige zelfspot een ‘veredelde koster.’ Daarachter gaat echter een oprecht gevoelde en diep doorleefde intentie schuil: ‘Daar te zijn: in het huis van JHWH – dát is al mijn verlangen,’ zo zingen het de psalmen al uit.

De kluis van Warfhuizen

Stevig gegrond op een echt Nederlandse traditie is de kluis van Warfhuizen echter zelf nog niet zo oud: gesticht in 2001 in een leegstaande en vervallen kerk zet zij veeleer een manier van leven voort die in het zuiden ondertussen (sinds 1930) is uitgestorven. Door een ongelukje is er in Warfhuizen bovendien een Mariabedevaart ontstaan, die de situatie nog meer op de Zuid-Nederlandse voorbeelden doet lijken: een plaats van gebed voor velen, waar een in eenzaamheid levende monnik de zorg voor draagt.