Spiritualiteit (van de Groninger klei)

plaatjefilmwebsiteWat is eigenlijk spiritualiteit? Deze term wordt gebruikt om alles aan te duiden dat met een persoonlijke geloofsbeleving te maken heeft. Wanneer het gaat om kloosterorden en andere kerkelijke instellingen dan is de betekenis anders. ‘Spiritualiteit’ is dan de eigen ‘kleur’ of ‘vorm’ van de kloosterorde of instelling. Ook een bepaald land of een specifieke periode kan een eigen spiritualiteit, geestelijke instelling, hebben.

Zo zijn Benedictijnen, Franciscanen en Dominicanen allemaal katholiek, maar ze hebben wel allemaal een totaal andere manier om daar vorm aan te geven. De één legt grote nadruk op studie en prediking, de ander op het beleven van de armoede, weer een ander op de schoonheid van de kerkdiensten en het getijdengebed.

Spreken over de ‘spiritualiteit van de kluizenaars’ is niet eenvoudig, omdat er, net als kloosterordes, ook kluizenaars zijn in talloze varianten. Er is nogal een, voor de hand liggend verschil, tussen het leven van een heremiet in de woestijn die maandenlang niemand spreekt en het leven van – zoals broeder Hugo zichzelf noemt – een ‘simpele kluisbroeder in een bedevaartkluis’.

Simpel gezegd heeft de ‘spiritualiteit van de Warfhuister kluis’ drie pijlers. Deze spirituele pijlers zijn:

  • katholiek
  • monastiek
  • barok

Pijler 1: Katholiek

De eerste pijler is algemeen Rooms Katholieke pijler. De kluizenaar leeft van de Heilige Schrift en de Sacramenten. De Heilige Schrift is de Bijbel, dagelijks gelezen en herkauwd. Vooral de Psalmen en het Evangelie spelen een grote rol. De Sacramenten zijn kerkelijke rituelen die Christus zelf heeft ingesteld om zijn liefde onder en in zijn mensen tegenwoordig te stellen en te houden. Ook maakt de aanbidding van de Eucharistie  – het Lichaam van Christus verborgen onder de gedaante van brood – deel uit van de vaste gebeden in de kluis.

Daarnaast speelt het Sacrament van de biecht een grote rol in het leven van de broeder. ‘Als je je eigen zieligheid niet in de ogen durft te zien zal je geen barmhartigheid voor een ander kennen.’ Zondebesef heeft voor hem ‘niets te maken met jezelf de grond in trappen, maar alles met het je bewust worden van de juiste verhoudingen. De verhouding waarin je staat tot God, de verhouding waarin je staat tot je medemens.’

Pijler 2: Monastiek

De tweede pijler is wat je zou kunnen noemen de algemene monastieke spiritualiteit.

‘Monastiek’ is het bijvoeglijk naamwoord bij ‘monnik.’ ‘Monnikerig,’ zou je kunnen zeggen. Nu zijn er in de Kerk – we zagen het al – een enorm aantal soorten monniken, dus zijn er ook nogal wat manieren om ‘monastiek’ te zijn. Toch hebben ze een aantal zaken gemeenschappelijk, en dat komt omdat alle christelijke kloosters uiteindelijk dezelfde oorsprong hebben. In de vierde eeuw trokken, toen de christenvervolgingen waren afgelopen, kluizenaars de Egyptische woestijn in om in de stilte en eenzaamheid God te zoeken. We noemen hen de ‘woestijnvaders.’

Zoals de ‘kerkvaders’ aan de wieg stonden van de Kerk als geheel, zo stonden deze ‘woestijnvaders’ aan de oorsprong van het kloosterwezen. Kenmerkend voor hun manier van denken en doen is een grote nuchterheid: mensen houden zichzelf nogal eens voor de gek, dus is het zaak om voortdurend de kern op te zoeken en daar steeds compromisloos naar terug te gaan. Niet zonder humor, maar toch ook met een gestrengheid die ons nu soms wel erg radicaal voorkomt, probeerden de ‘vadertjes,’ zoals ze ook wel worden genoemd, hun overgave aan God zo volledig mogelijk te maken.

Bij de woestijnvaders was de geestelijke leiding van een zogenaamde ‘oude man’ of ‘oudvader’ van levensbelang. Jongere monniken leefden onder leiding van zo’n ‘vadertje,’ die hen met korte wijze spreuken – zogenaamde ‘woorden’ – op het rechte pad hield. Veel van die spreuken zijn opgetekend en in grote verzamelingen gebonden. We geven hier twee voorbeelden van de heilige abba Mozes:

Een broeder kwam naar de Scetische woestijn om abba Mozes te bezoeken, en vroeg hem om een woord. De oude man zei tegen hem: ‘Ga, zit in je cel, en je cel zal je alles leren.’

Als een monnik in zijn hart niet vindt dat hij een zondaar is, zal God hem niet horen. De broeder zei: ‘wat betekent dat, in je hart vinden dat je een zondaar bent?’ Toen zei de oude man: ‘als iemand in beslag genomen wordt door zijn eigen fouten, heeft hij geen oog voor die van zijn naaste.’

Broeder Hugo heeft, net als vroeger de broeders in de woestijn, een geestelijke vader die hem helpt te groeien in zijn roeping. Daarbij spelen de uitspraken en ideeën van de woestijnvaders een grote rol. Ook het Jezusgebed, het langdurig herhalen en bemediteren van de naam ‘Jezus’ maakt deel uit van die traditie van geestelijk leven. Het zwarte koord waar je de broeder vaak mee rond ziet lopen (een zogenaamde ‘Tschotki’) heeft daarmee te maken.

Typisch behorend bij de monastieke manier van doen is het zogenaamde ‘officie’ of ‘getijdengebed.’ Die termen staan voor een ritme van gebedstijden dat de hele dag beslaat, en dat zorgt dat die ‘geheiligd’ wordt, zoals dat zo mooi heet. Het hart van de getijden is het boek Psalmen uit de Bijbel, dat elke week in zijn geheel gezongen wordt. Verder is het aangevuld met hymnen, voorbeden, lezingen en beurtzangen.

Pijler 3: Barok

De meeste kloosters zijn – in ieder geval in Nederland – erg sober van inrichting. In Warfhuizen lijkt het meer op een dorpskerk uit het alpengebied: bont en veelkleurig. Als je er voor de eerste keer binnenloopt weet je niet waar je moet kijken. Als je de liturgie, de manier van bidden en zingen – in de kluis beter leert kennen, merk je dat ook daar ‘versieringen’ aanzitten die je in een Benedictijner abdij niet tegen zult komen. Het zijn nogal kleurrijke gezangen en gebeden die bol staan van de beelden en metaforen.

Ze maken deel uit van wat van oudsher de ‘barokspiritualiteit’ wordt genoemd. Die manier van denken en doen ontstond in de zestiende en zeventiende eeuw als reactie op de afscheiding van de protestanten. Kenmerkend voor de barok is dat alle verbeeldingskracht die men maar op kan brengen – muziek, architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst – wordt ingezet om de schoonheid, waarheid en goedheid van het katholieke geloof voor het voetlicht te brengen en te beleven. De oude Nederlandse kluizen – de kluizen waar die van Warfhuizen nadrukkelijk een navolging wil zijn – waren een soort ‘boerenbarok.’ Broeder Hugo hecht eraan om die traditie in ere te houden.

Dat lijkt op het eerste gezicht misschien in tegenspraak met het monastieke zoals het hierboven beschreven staat, maar in de praktijk gaan ze heel goed samen. Kinderlijke eenvoud uit zich immers ook vaak in bontgekleurde tekeningen.