
Broeder Hugo moet gauw weer examens doen in Leuven. Daardoor zijn er weinig stukjes. Gelukkig is er nog een voorraad ongepubliceerde dagboekfragmenten. Om in de sfeer te blijven een korte aantekening uit de vorige examenperiode…
De dag van het examen is aangebroken. De afgelopen anderhalve maand heb ik mij op een zeker vak gestort, en vandaag zullen we zien of er iets van aan mijn arme hersens is blijven plakken. Om de reistijd naar Leuven te verkorten ben ik bij een bevriende pastoor in het zuiden gaan logeren. Hij bewoont een knetterneogotische pastorie vol tudorbogen, hogels en wimbergen, volgepropt met heiligen, chinese vazen, klokkenstellen en katten: een huiselijk huis dus.
De pastoor in kwestie is een van de beste priesters die ik ken, maar helaas ook onbetwist wereldkampioen in het treuzelen. Hij heeft beloofd mij om kwart over acht op de trein te zetten, maar terwijl de minuten genadeloos wegtikken moeten eerst nog even de katten worden gevoerd, een sigaret worden gerookt, de sleutels worden gezocht en de bloembedden in de tuin van koffiedik worden voorzien (‘daar worden de dahlia’s mooier van.’) Het is dan ook geen mysterie van het geloof waarom wij even later achteruitbiddend voor een slagboom staan waarlangs de trein waarin ik had moeten zitten het station verlaat. Enfin, omdat dit geen onbekend verschijnsel is had ik een marge van drie uur genomen, om zeker op tijd op het examen te zijn. Geen paniek dus. Een uurtje later zit ik dan ook rustig in de trein, wetend dat ik het allemaal makkelijk zal gaan halen.
‘Dames en heren, wegens een sein- en wisselstoring gaat er op geen enkele spoorwegovergang nog een slagboom naar beneden. Wij zullen dan ook helaas over het hele traject niet harder kunnen rijden dan tien kilometer per uur, en bij elke overgang bovendien nog moeten afremmen en hard moeten toeteren. Dit om vervelende incidenten te voorkomen.’ Daar gaat mijn tweede uurtje-voor-de-veiligheid. Enfin, veel erger kan het toch niet meer worden.
In Sittard moeten alle inzittenden van de intercity overstappen op een twee-wagons stoptreintje. Dat is niet comfortabel, maar het gaat wel gewoon vooruit. ‘Niks aan de hand dus,’ spreek ik mijzelf innerlijk toe, terwijl ik iemands elleboog uit mijn rechteroksel duw. Buiten wordt het pikdonker en begint het te bliksemen. ‘Professor X is de strengste van de hele universiteit, zeggen ze.’ Ik krijg het achtereinde van een natte poedel in mijn gezicht. De bijbehorende eigenares verontschuldigt zich. Ze heeft een roze strikje en ze gromt (de poedel, niet de…enfin.) ‘Als ik de trein van 12:09 naar Luik-Guillemins maar haal is er niks aan de hand. Niks aan de hand.’
‘Dames en heren, wegens logistieke problemen zal de trein naar Luik-Guillemins en Brussel-Midi van 12:09 helaas niet rijden.’ De logistieke problemen blijken te bestaan uit een randdebiel die dreigt om het station van Luik op te blazen. ‘Waarom bestaan er toch mensen die zoiets verzinnen?’
Ik ben nog net op tijd als ik, €150 lichter, voor het gebouw waar het examen plaatsvindt uit een taxi spring. Ons eigen college wordt verbouwd, dus ik moet mij een weg banen door een soort kruising tussen een chemisch laboratorium en het labyrinth van Knossos. Daar voeg ik mij bij een groepje nagelbijtende twintigers die sidderend het onvermijdelijke afwachten…
Zalig, zo’n kluizenaarsbestaan…

Nog een stukje dat was blijven hangen, en dat deze week voor mij weer eens relevant werd… Daarom bij deze alsnog:
Ik heb twee werkruimten, eentje voor het verven, en eentje voor het schrijven en studeren.
Die voor het verven mag lekker vies worden. Gesmeer met eieren en ruwe pigmenten, overal olieranden, overal beenderlijm met krijt: dat is zoals broeder Hugo werkt. Er zitten vlekken in de tafel die centimeters diep in het hout zijn getrokken. Ze herinneren mij aan een paar van mijn meest geliefde schilderwerkjes die nu elders hangen, en waarvan ik alleen nog foto’s heb.
De schrijfruimte boven is een heel ander verhaal. Op een glazen plaat staan een computer, een printer en een lezenaartje voor de studieboeken. Ook liggen er de nodige moleskine notitieboeken met een vulpen. Dat is namelijk nog steeds mijn hoofdgereedschap voor het schrijven (niet voor het vertalen, maar wel voor eigen teksten.) Deze werkruimte is veel schoner en klinischer dan die in de kelder.
Toch hangen er wel de nodige schilderijen en oleografieën. Tegen de zijwand van de ruimte hangen een Onze Lieve Heer en Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart. Het zijn de afbeeldingen die je in elke Beierse boerderij ergens in de slaapkamer of de huiskamer ziet hangen. Een beetje zoet, maar wel gezellig. Tegengif tegen de strakke kou van al die verelektriekte spullen, zullen we maar zeggen. Boven de computer hangt de heilige Catharina van Alexandrië. Natuurlijk vraag ik voor ik ga schrijven de hulp van de Heilige Geest (‘Spiritus Sancti gratia, illumine sensus et corda nostra,’) maar in deze tijd is ook de hulp van Katrientje niet te versmaden.
Haar levensverhaal volgt grotendeels de vaste patronen van heiligenlegenden uit de eerste tijd van de Kerk. Zij was een jongedame van adellijke afkomst (natuurlijk) van onvergelijkelijke schoonheid (vanzelf) en van een ongekende eruditie (dat hoor je bij martelaressen wat minder vaak. Meestal zijn ze wel erg verstandig, maar niet zo geleerd.)
We hebben het hier over iemand uit de derde eeuw, onder de heerschappij van de snode keizer Maxentius. Die vervolgde de christenen met onheilige ijver, en slachtte hen af met een vreemde perverse creativiteit. Onthoofden en ophangen vond hij maar saai. Daarom liet hij mensen levend villen, borsten afhakken, ledemaat voor ledemaat ‘snoeien’ en ga zo maar verder.
Volgens de legende vatte deze fijne man een grote bewondering op voor Catharina, en wilde hij met haar trouwen. Dat weigerde zij echter pertinent, omdat zij haar maagdelijkheid aan de Heer had geschonken (en ook omdat ze de keizer niet zo’n lekker karakter vond, neem ik aan.) Daarop stuurde hij vijftig heidense wijsgeren op haar af om haar tot rede te brengen. Natuurlijk bekeerde Catharina in plaats daarvan de heidense wijsgeren.
De keizer, in woede ontstoken, liet de wijsgeren levend verbranden en Catharina op een groot rad met scherpe punten vastbinden. Dat brak echter in duizend stukken. Ten einde raad liet hij haar dan maar onthoofden. (De Romeinen hadden ondertussen geleerd dat dat de enige remedie tegen onverwoestbare christelijke martelaren was. Als je ze probeert te verbranden vlieg je zelf in brand, als je ze met een molensteen om de nek in de plomp gooit komen ze met steen en al bovendrijven, als je ze van de Tarpeïsche rots smijt stuiteren ze vrolijk door de straat en als je ze probeert te grillen op een rooster geven ze gortdroog aan wanneer ze aan één kant gaar zijn, en dat ze moeten worden omgedraaid.)
Het onthoofden werkte inderdaad, en haar ziel steeg ten hemel, waar ze verheerlijkt werd als een van Gods lieve heiligen.
Omdat haar rad nogal eens voor een molenrad werd aangezien is ze de patrones van de molenaars, maar voor ons is ze natuurlijk vooral interessant vanwege haar patronaat van hen die gekweld worden door heidense wijsgeren (een zeer actueel probleem.)
Ik las deze week dat wetenschappers in Amerika onmiddellijk worden ontslagen als ze de hypothese van een intelligente macht achter het ontstaan van het heelal zelfs maar durven noemen. En dat terwijl er – of er moet iets gepasseerd zijn dat aan mij voorbij is gegaan – er nog steeds geen snippertje bewijs tegen het bestaan van zo’n macht gevonden is (net zo min als bewijs ervoor.)
Dit toont maar weer eens aan dat de wetenschap altijd het gevaar in zich draagt een godsdienst op zichzelf te worden, compleet met een eigen clerus, dogmatiek en idiote ongeschreven mores. Een godsdienst die het bovendien ontbreekt aan enige zelfspot. Wij katholieken kunnen heerlijk schuddebuiken over de vreemde kronkels in onze traditie (zie de Catharinalegende hierboven.)
Probeer een professor zichzelf maar eens uit te laten lachen. Dat kon je bij verschillende hooggeleerde heren en dames nog wel eens tegenvallen.
Moeten we niet eens wat voorzichtiger worden in het zo maar vertrouwen op allerlei wetenschappelijke disciplines? Bij wis- en (tot op zekere hoogte) natuurkunde gaat het allemaal nog wel, maar bij vagere disciplines zou enige voorzichtigheid toch zo langzamerhand wel op zijn plaats zijn.
Neem nu bijvoorbeeld de psychologie en de psychiatrie. In de huidige vorm zijn ze misschien honderdvijftig jaar oud. Vergeleken met de Kerk echt peutertjes nog. Toch verwijzen we als het zo te pas komt rücksichtslos mensen door naar een psycholoog of een psychiater. Ondertussen beschouwt een groot deel van deze mensen religie als een vorm van ‘regressief’ gedrag, en draagt dat ook actief uit in de behandelingen die ze toepassen. Ze doen daar niet eens geheimzinnig over. Ze gaan er prat op.
Als we mensen willen blootstellen aan een traject dat ze losmaakt van de Realiteit kunnen we net zo goed doorverwijzen naar het wachttorengenootschap van de Jehova’s getuigen. Als we dat niet doen, waarom dan wel naar dit soort kortzichtige ‘wetenschappers?’
Ik zeg niet dat we de kennis die op deze terreinen door de academische wereld is opgebouwd niet dankbaar moeten gebruiken, maar wel dat we zeer zorgvuldig moeten zijn in het uitkiezen van de mensen uit die wereld die we inschakelen.
We leven in een wereld die een technische bloei doormaakt dankzij de wetenschap. Dat heeft haar in onze hoofden een haast onbeperkt krediet gegeven. Maar lees eens een handboek psychologie uit 1900. Hoeveel van wat daarin staat wordt op dit moment nog serieus genomen? Nog maar vijfendertig jaar geleden hebben de dames en heren psychologen hele kloostercongregaties verwoest met zogenaamde sensitivity-trainingen waar alle kloosterlingen verplicht aan moesten deelnemen. Dat is een voorbeeld van een techniek die toen als top of the bill werd beschouwd, en nu volslagen achterhaald is. Maar het kwaad is wel geschied. Bloeiende gemeenschappen vielen uit elkaar, en lieten een spoor van uitgetreden en meestal ongelukkige zusters achter. Zij die wel in het klooster bleven waren soms onderling enorm verdeeld, en gingen een zure oude dag tegemoet, los van hun idealen in een soort veredeld bejaardentehuis. Alles dankzij de wetenschappelijke vooruitgang.
We moeten ons wel realiseren: met de helft van wat nu als state of the art wordt beschouwd, zal ongetwijfeld hetzelfde gebeuren: over vijftig jaar vragen wij ons af wat ons in godsnaam heeft bezield om dergelijke idioterie te praktiseren…
Laten we als christenen de wetenschap serieus nemen, maar er wel voor zorgen, vooral op het gebieden die te maken hebben met de menselijke persoon, onze onafhankelijkheid ten opzichte van haar te bewaren. Zij kan namelijk een vreselijk takkenwijf zijn. En als zij eenmaal de broek aanheeft helpen er alleen de heiligen nog maar aan…

Broeder Hugo is nog een beetje lodderig van alle feesterij, zullen we maar zeggen…
(Grieks werkwoord met gedeeltelijk Latijnse uitgangen…)

Op speciaal verzoek, broeder Hugo’s kerstpreek van vorig jaar:
Een week of wat geleden las ik dat de koninklijke familie haar rommelzolder heeft opgeruimd. Wat zou er allemaal onder de pannen van Soestdijk, Ten Bosch en het Loo tevoorschijn zijn gekomen? Daar kunnen we makkelijk een eind weg over fantaseren.
Allereerst zullen daar wel kostbare zaken hebben gelegen. Meubels in de stijl van alle Lodewijken van veertien tot en met zestien. Pronkbedden met hemels vol pluimen en krullen. Ming ping en pong vazen die elk een fortuin opbrengen als de juiste idioot er maar voor op komt draven. Daarnaast zullen daar ook zaken hebben gelegen die op zichzelf geen waarde hebben, maar die de familie toch dierbaar zijn door de geschiedenis die er aan vastzit. Het wiegje van Willemien, bergschoenen van Bernhard, winteronderbroeken van Willem de eerste en van Anna Paulowna de porseleinen pispot.
Zo’n zolder is niet uniek voor de koninklijke familie. Elk huis dat al meer dan één generatie door dezelfde familie wordt bewoond heeft er zo een. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de hele mensheid zo’n zolder boven haar hoofd heeft hangen, waarop hele bergen herinneringen, goede zowel als kwade, staan weggestouwd.
Daar liggen de tachtigjarige oorlog en de gouden eeuw naast elkaar te verstoffen. Het Britse Rijk ziet er ook niet meer zo florissant uit, flets, met gouden kwasten die van koper blijken te zijn geweest, en groen zijn uitgeslagen. Sommige dingen hebben we geprobeerd te vergeten of zelfs weg te gooien. De donkere jaren van het nationaal-socialisme hebben we geprobeerd in brand te steken en met de schop uit te slaan, maar ze liggen er nog, nauwelijks minder gevaarlijk, en regelmatig branden we er nog steeds onze vingers aan. De revolutie van 1968 vinden we zo langzamerhand eigenlijk ook wel rijp voor de zolder, maar telkens als we die naar de vliering hebben gezeuld wil het luik niet meer dicht.
Andere dingen lijken juist sneller te vergaan dan de rest van de verzameling. Breekbaar ligt bijvoorbeeld de geschiedenis van onze zielen daar op zolder, het meest kwetsbare van onze bric en brac.
Hoogtheologische discussies die de hemel meenden te kunnen uitpluizen tot op de zweetsokken van God de Vader blijken, zelfs als de logica op zichzelf nog geldt, toch nogal sleets geworden. Simpelweg omdat ze antwoorden geven op vragen die niemand zich meer stelt. Ik wed dat zelfs God de Vader zelf ze zich nog maar amper voor de geest zou kunnen halen. Van ons geestelijke erfgoed zou je het volgende kunnen zeggen: hoe deftiger het was, met hoe meer poeha het ooit tentoon werd gespreid, hoe sneller het vergaat als het eenmaal op zolder ligt.
Misschien is het wel daarom dat het enige geestelijke erfgoed waarvan we in deze ongeestelijke ontgeestelijkte en ongeestige tijden nog af en toe iets merken, het meest nederige erfgoed is. Eens in het jaar stort de zolder in en krijgen we een berg ruwe planken en stro op onze hoofden, met ossen, ezels en stinkende herders, een arme man en een arme vrouw en, in een voerbak voor de beesten, hun arme Kindje dat eigenlijk nergens echt welkom was. Eigenlijk is het ook bij ons niet altijd even welkom.
Kindertjes komen op een gegeven moment op een leeftijd dat ze de tent beginnen te slopen. Ze beginnen rond te kruipen, overal chocopasta aan te smeren, hun vingertjes in het stopcontact te steken, de kat aan het tafelkleed vast te binden enzovoort. Dit Kindje in die voederbak uit die berg stro van de zolder ziet er wel bijzonder lief uit. Het geeft zelfs een beetje licht. Het lacht ook heel lief. Maar eigenlijk is het net zo’n slopertje als de rest van al dat kleine grut.
En wat gaat er dan precies kapot? Waar heeft deze Belhamel het dan in het bijzonder op voorzien? Op de schone schijn, vooral. Op het zilverpapier en de opgeverfde oude kranten waarmee wij onze lelijkheid bedekken. Als wij denken te weten wie deugt en wie niet, en zin hebben om de hele wereld eens even lekker aan onze rechtbank voorbij te laten trekken, roept dit Kind: wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. En dan komt onze eigen rottigheid ons scherp voor ogen, en is ons plezier bedorven.
Als wij denken dat wij met onze rekenkunsten, fiepen en bliepen, en radardoormeetsels het heelal hebben doorgrond, roept dat Kind: Zalig de armen van geest. En dan merken we dat we veel weten, maar dat we nog veel meer niet weten, en dat er achter elke ster een volgende ligt, en dat er werelden te winnen zijn, en dat het nooit ophoudt. En erger nog: dan blijkt dat met de groei van onze kennis ook het gevaar van ongelukken en misbruik van al die wetenschap is gegroeid, en dat ons met alles wat we snappen, evenveel weer ontsnapt.
Ik kan op deze voet nog wel even doorgaan, maar waar het om gaat, is dat dit Kind er een handje van heeft om ons, juist als wij ons de keizer voelen, de nieuwe kleren van het gat te trekken. Het kijkt door alles heen, en onder zijn blik beklijft alleen wat werkelijk waarde heeft. Verwerf je geen schatten die op zolder vergaan, roept Hij. Verwerf je schatten in de hemel. Geloof, hoop, liefde, zijn de klassieke, maar ook afgeleiden daarvan, zoals bescheidenheid, liefdevolle humor, barmhartigheid, tederheid en geduld horen bij die soort van kostbaarheden.
Met een dergelijke inboedel is het Rijk Gods misschien nog niet altijd en overal de plaats waar je woont. Maar het zal wel regelmatig in je leven de kop opsteken. Met de kleine Koning Jezus op de Troon om je bij de les te houden. En al lijken zijn streken op kattekwaad, niets geeft zoveel hoop als zijn puinhoop, die weliswaar de boel grondig op de kop lijkt te zetten, maar eindigt in een opgeruimd gemoed. Amen.

Op veler verzoek ook dit jaar weer de kerstpreek van broeder Hugo.
Het volk dat ronddwaalt in het donker, ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op. Jes. 9:1
Met deze woorden voorspelde volgens de traditie Jesaja al eeuwen vóór het jaar nul de geboorte van Christus.
Donker en duisternis: we houden er niet van. Je ziet geen hand voor ogen. Wat je wel ziet verandert van gedaante: onschuldige dingen zoals knoestige takken en nachthemden aan de waslijn zien er plotseling uit als monsters met grijptentakels en akelig fladderende spoken.
Toen ik een jaar of zes was zat er een kast tegenover mijn bed. Die kast had de neiging om ’s nachts een heel ander soort kast te worden. Overdag zat er een wastafel in, en was het een hele leuke kast: groen, met rode randjes langs de panelen. ’s Nachts wist ik zeker dat graaf Dracula erin zat. Als ik mijn ogen dicht zou doen, zou hij eruit springen en mij in mijn nek bijten.
Wie denkt dat alleen kinderen last hebben van dat soort dingen vergist zich deerlijk. Elke nacht liggen miljoenen volwassen mensen in hun bed te draaien omdat ze zich allerlei rampen voorstellen waarvan ze op dat moment zeker weten dat die hen morgen zullen overkomen. Een pijntje in de rechter grote teen betekent dat volgende week de hele voet eraf moet. Als dochterlief vandaag voor het eerst een zesje heeft gehaald, zal ze volgende week van school getrapt worden, ontsporen en aan de drugs raken.
De nacht heeft soms de neiging alles een beetje zwarter te kleuren. De nacht is een liegbeest.
Toch kan die stemming ook plotseling omslaan. Dan wordt de nacht een oord van schoonheid en betovering. Een flonkerend oord. Niet voor niets zijn verschillende beroemde boeken en gedichten in het oor van de schrijver gefluisterd in het holst van de nacht, en de meest wonderlijke schilderijen voor het oog van de schilder verschenen in de kleine uurtjes. Ook wijzelf zijn van die wonderen, waarvan de eerste kiem meestal gelegd is in het donker, in de geborgenheid van de liefde tussen twee mensen. De nacht heeft duidelijk twee gezichten: zo lelijk als de nacht en zo prachtig als de nacht bezaaid met sterren.
De figuren die op de grens staan tussen de lelijke nacht van angst en onrust en de betoverende nacht van liefde en verwondering zijn de engelen. Het woord ‘engel’ komt van het Griekse ’αγγελος, dat eigenlijk boodschapper betekent. Het is verwant aan ons woord Evangelie, dat komt van ’ευαγγελιον, ‘goede boodschap.’ Oorspronkelijk betekende dat de goede boodschap van de overwinning.
Stel je voor: een stad werd bedreigd door een vijandelijk leger. De mannen waren erop uitgetrokken om de vijand tegen te houden. Iedereen wist dat bij verlies de stad in brand zou worden gestoken, alle mannen vermoord, de vrouwen en kinderen als slaven verkocht. Als er dan een boodschapper kwam die juichend kwam melden dat de vijand was afgeslagen, was dat een ’ευαγγελιον, een ‘goede boodschap,’ gebracht door een ’αγγελος, een boodschapper die werd ervaren als een engel. Ook toen al bracht een engel in een dergelijk geval dus opluchting.
Zo is het precies met de engelen van God. De wereld drijft rond in een eindeloze nacht. Die nacht liegt ons voor en zegt: morgen overkomen je allerlei rampen. Je bent er niet tegen opgewassen. Alles zal je bij de handen afbreken. De mensen op wie je vertrouwt zullen je in de steek laten, en er zal niemand voor in de plaats komen. Plotseling, als je het niet meer verwacht, wordt het licht: een engel!
Zo ook de herders in het veld van Efrata. Zij waren het uitschot, en hadden geen kans op een beter leven. Ze lagen te vernikkelen in het veld, en hadden nachtmerries over wolven die al hun schapen zouden opvreten. Zelf waren ze ook niet veilig, want Israël was bezet door de Romeinen, en er kon elke dag oorlog uitbreken. En dan wordt het plotseling licht alsof de ochtend was aangebroken. Tussen de sterren ontwaren ze duizenden flonkerende figuren die zingend de angst en duisternis verdrijven. De donkere nacht wordt een schitterende nacht, een oord van schoonheid en nieuwe adem.
Engelen wijzen de weg naar het Kindje Jezus. Engelen wijzen de weg naar het einde van de nacht, naar het opkomende licht. Daarmee veranderen ze de onheilige nacht in een heilige nacht.
Ook wij kunnen, als we ons vertrouwen stellen op dat Kind, elkaar tot engelen zijn. Ook wij kunnen elkaar opluchting en goed nieuws brengen.
Daarvoor zijn er wel een paar eenvoudige regels, die je in de gaten moet houden als je geen nep-engel wil worden (zo’n mislukte baby met hangwangen en kippevleugels die je wel eens op foute kerstkaarten ziet staan.)
Regel één: Een engel helpt het liefst mensen die niemand ziet staan, en zelfs het allerliefst mensen die hij zelf ook liever niet zou zien staan.
Regel twee: een engel wijst de weg, en bemoedigt. Een engel sleurt zijn slachtoffer niet tegen heug en meug naar een plaats waar hij niet wil zijn. Ook laat een engel het preken over aan de pastoors en de dominees.
Regel drie: een engel weet te zwijgen over wat hij tijdens zijn werk te weten komt over de zwakheden van degenen die hij probeert te helpen.
Regel vier: Een engel verkondigt de glorie van God, de hoop en de liefde, nooit zijn allereigenste engelachtige geweldigheid. Ook verwacht een engel niet de godganse dag voortdurend bedankt te worden voor wat hij doet.
Regel vijf: als een engel een foutje maakt, een noodlanding moet maken en met slachtoffer en al tegen Adolfs SRV-wagen (Warfhuister inside-joke) knalt geeft hij dat eerlijk toe en biedt zijn excuses aan.
Regel zes: Een engel is niet altijd alleen maar lief. Als Dracula onverhoopt toch in de kast blijkt te zitten steekt de engel de kast in de fik.
Regel zeven: als er nog geen licht aan de horizon daagt, en het is duidelijk dat er nog een hoop ellende verdragen moet worden, zwijgt de engel, maar blijft wel op zijn post.
Recente reacties