Geruis uit de Kluis

Tridentijns tegen wil en dank 3

Deel 2 en deel 1

Tridentijns tegen wil en dank

Uit het voorgaande moge duidelijk zijn dat de liturgie voor elke kluizenaar het absolute fundament is waarop hij het ervaren van zijn hier en nu baseert.

Met de morele steun van Mgr. De Korte – die ondertussen Mgr. Eijk had opgevolgd als bisschop van Groningen-Leeuwarden – kon ik tussen 2011 en 2014 mijn theologiestudie afmaken aan de KU Leuven. Daarna was de bisschop bereid mij tot priester te wijden. Dit was de vervulling van een diep verlangen, en ik kon mijn geluk niet op. In de aanloop daarnaar deed zich echter het volgende voor.

Wie priester wordt gewijd moet de Mis oefenen. In mijn geval moest dat met extra zorg gebeuren. Ik heb namelijk de onhebbelijkheid een notoire stuntel te zijn bij elke liturgische handeling die nog geen routine geworden is. Daarbij vond ik dat ik – omwille van de gastvrijheid – beide liturgische vormen moest beheersen. Bij een kluizenaar komt namelijk alles over de vloer, van Ome-Huubsiaanse Oosterhuizisten tot doorgerubriceerde Lefèbvrianen. Zo gebeurde het dat ik drie weken voor mijn wijding zwetend aan de sacristiecredens de oude Mis stond te oefenen. Vanwege mijn onhandigheid verwachtte ik niet veel godsvrucht te putten uit dit ingewikkelde archaïsme met zijn kluwen aan rubrieken en rudimenten, lappen, grappen en fiebelekwenten. De eerste keer putte ik er ook niet veel godsvrucht uit. Bij de tweede keer ‘Dominus vobiscum’ vloog de manipel van mijn arm en landde op de Zoete Moeder van Den Bosch.

Ondertussen leverde het nieuwe missaal mij weinig problemen op. Een mirakel van helderheid. Geen malle gebedjes die op de gekste plekken gepleegd moesten worden, geen regeltjes over hoever je vingers over de rand van het altaar mochten liggen, en geen jongleursoefeningen met patenen en purificatoria die ook nog eens – als in een ballet – precies op de maat moesten uitkomen. Er ging een soort optimistisch jaren zestig sfeertje van uit. De enige stress van het nieuwe missaal was keuzestress. De hoeveelheid prefaties, eucharistische gebeden en zelfs schuldbelijdenissen deed me sterk denken aan het tandpastarek bij de Jumbo. Maar dat was dan ook het enige probleem. Dat wil zeggen: tot tien dagen later de verhoudingen begonnen te verschuiven.

Braaf had ik in die tien dagen beide vormen geoefend. Voor de duidelijkheid: het ging om ‘houten missen,’ in de sacristie. Ik was immers nog niet gewijd. Ondanks het ontbreken van de sacramentaliteit van wat ik deed beleefde ik er toch devotie aan. Dat wil zeggen: aan de houten missen uit het oude missaal. Van de gedetailleerde rubrieken en de ingewikkelde constellaties van handelingen had ik geen last meer. Die waren in mijn systeem gaan zitten. Ik kwam de mis door zonder builen en afgebroken pirouettes.

De rubrieken zorgden er juist voor dat ik op geen enkele manier meer aan huishoudelijkheden hoefde te denken. Al het niet-essentiële lag immers al vast. Ze bakenden een gewijde ruimte af waarbinnen er rust was om in het hier en nu de Absolute te ontmoeten.

Daarnaast werd die ruimte nog op een andere manier gevormd. Als een soort tentharingen bevat het skelet van de oude Mis gebeden die refereren aan de gemeenschap van de heiligen, waarvan een aantal ook telkens met naam en toenaam wordt genoemd. Dat maakt ten eerste bewust van de aanwezigheid van de Kerk van alle tijden, en ten tweede van de aanwezigheid van het Koninkrijk Gods in deze wereld. Concrete mensen geven het door, hun namen zijn bekend, ze zijn van vlees en bloed. Het Koninkrijk van Jezus is zodoende geen mythisch gegeven in een land hier ver vandaan in een tijd vóór alle tijden. Het is Gods Gezin, dat staat op de schouders van zijn voorouders. “Ik ben de God van uw vaderen Abraham, Isaäk en Jakob.” De oude Mis is als het huis van een oude familie waar iedereen in de loop der eeuwen aan heeft gebouwd en dat volhangt met portretten. Of nog beter: een oude eik met vele jaarringen waarvan de jonge takken worden gedragen door de oude. Oude huizen zitten door hun geschiedenis bovendien niet altijd logisch in elkaar: iedereen heeft er in de loop van de eeuwen aan gebouwd. Oude eiken groeien ook niet als stalen frames. Ze groeien naar het licht, ontwijken obstakels, zoeken met hun wortels het water en goede grond.

Nog op een derde manier werd de ruimte geheiligd, namelijk door de stilte en de verborgenheid. Alle liturgieën overal ter wereld hebben elementen die het Mysterie laten plaatsvinden achter barrières die onderstrepen dat men God niet in het Gezicht kan zien en in leven blijven. Daaronder moeten we in geestelijke zin verstaan, dat we ons voortdurend bewust moeten zijn dat God groter is, anders is, verder weg, dichterbij, helderder, donkerder (vul naar believen aan met paradoxen). “Het is de glorie van God, om dingen verborgen te houden,” of “Zalig God, omdat Hij dingen verbergt!” (Spreuken 25:1).

Er is geen illusie dodelijker voor de ziel dan de illusie God gezien en vooral doorgrond te hebben. In onze perceptie blijft het reële besef van Gods glorie, zijn zaligheid, het feit dat Hij is wie Hij is alleen intact door wat in de middeleeuwen wel eens de ‘wolk van niet-weten’ is genoemd. Met die wolk van niet-weten bedoelt men een verborgenheid die openbaart door te verbergen. Hij laat ons God ontmoeten door Hem te bedekken. Hij maakt het beminnen van God mogelijk door het onmogelijk te maken Hem te (be)grijpen.

Het is om precies dezelfde reden dat men overal in het Oosten een torenhoge muur met ikonen recht voor het altaar plempt, en dat in het Westen tot voor kort een groot gedeelte van de Eucharistie in een zalig zwijgen werd opgedragen. Dit zwijgen veroorzaakte een verwachtingsvolle spanning die het mogelijk maakte de komst van de Bruidegom ook werkelijk te ervaren. Dit is bijvoorbeeld ook één van de redenen waarom een Russische liturgie rustig in de volkstaal kan worden gevierd zonder ongelukken te veroorzaken, en een westerse Mis eigenlijk niet. Immers: al vóór het concilie was de katholieke eredienst van alle serieus te nemen liturgieën de meest heldere, overzichtelijke en kale. Geen door elkaar zingende koren, geen koorafscheiding die het heilige handelen aan het gezicht onttrekt, geen eindeloze gebeden vol vuur en passie. Als je dan de enige barrières die er wél zijn gaat opheffen, in ons geval het Latijn, het op het oosten gerichte altaar en de in stilte gebeden canon, schep je de illusie van de maakbare God, de God die van zijn Mysterie is ontdaan. Die God kan in het slechtste geval levensgevaarlijk worden, omdat Hij door de illusie van hanteerbaarheid volledig onbereikbaar wordt gemaakt. En waar God onbereikbaar wordt blijft niet een gratuite lege ruimte over. Er ontstaat een duister, zuigend vacuüm, een pregnante vorm van wezenloosheid.

Is het nieuwe missaal dan in mijn ogen alleen maar slecht? Ben ik het eens met sommige traditionalisten, die die liturgie zelfs ongeldig vinden? Natuurlijk niet. Het missaal van Paulus VI is gesanctioneerd door de Kerk, en dus sowieso geldig. Er valt bovendien van de nieuwe Mis wel degelijk iets te maken. Als je alle exotische keuzemogelijkheden achterwege laat, als je oppast met wat je laat zingen, als je alles uit de kast haalt om een heilige ruimte en een heilig moment te scheppen, dan valt er zelfs iets heel moois van te maken. De grap is alleen wel dat de nieuwe Mis, als je al die dingen doet, dan verbazend veel lijkt op… de oude Mis.

Bovendien lukt wat hier boven staat alleen als er een priester is die precies weet wat hij doet. Die genoeg weet heeft van symbooltheorie (en –praktijk) om de juiste sacrale hygiëne te handhaven (in het Nederlands: als er een rubberen badeend van de kinderwoorddienst op het altaar ligt zal die het negentig procent van de aanwezigen zonder pardon onmogelijk maken om God daar te ontmoeten, al zal Die daar evengoed wel sacramenteel tegenwoordig zijn). Ook zal hij een groot gevoel voor esthetiek moeten hebben. Verder moet hij over de juiste vrijwilligers en de juiste middelen beschikken. In de praktijk bestaat deze situatie alleen in sommige parochies in sommige grotere plaatsen (en misschien drie dorpen). Dit soort parochies zijn waarschijnlijk niet voor niets de enige die ik ooit heb meegemaakt waar ik mensen heb horen zeggen dat ze zo blij zijn dat ze ’s zondags naar de kerk mogen.

Ik zal een lang verhaal kort maken. Op een gegeven moment overkomt mij het volgende: Ik sta in mijn halfdonkere sacristie vertwijfeld naar mijn credens te kijken, waarop twee boeken open liggen, het oude en het nieuwe missaal. Ik wil hartstochtelijk graag het nieuwe missaal beter vinden. Zo ben ik opgevoed, en bovendien ben ik van nature niet overdreven moedig. Ik heb geen zin in alle kritiek waarvan ik weet dat ik die zal krijgen als ik mij tot de oude liturgie zal bekennnen. Ik heb geen zin in de marge waar ik in gedrukt zal worden, geen zin in de reactionaire mensen die ik aan zal trekken, geen zin om voor de honderdduizendste keer in mijn leven tegen de stroom in te leven.
Maar uit het oude boek rijst mijn Verlosser op, gekruisigd aan een oude boom die hem liefdevol draagt. De takken zijn oud en in de loop van de eeuwen zó gegroeid dat ze zich teder vormen naar zijn kapotte ledematen, en de wortels zuigen zijn bloed op. Dat geeft volle en rijpe vruchten die een mens voeden en blijdschap schenken.

Uit het nieuwe boek groeit een sierpeer van het soort dat men in vinexwijken plant. Zo smal dat de Heer er zich niet op uit kan strekken, zo recht en hoekig dat Hij er nergens steun op kan vinden. Er groeien peren aan, maar die zien er niet echt lekker uit. Ze vallen wel op de grond, maar bijna niemand raapt ze op. Ze liggen onder de boom te gisten, en er komen veel wespen op af.

Met andere woorden: ik sta daar en kan niet anders. Was er geen ‘Summorum Pontificum’ geweest, dan had ik een excuus gehad, en dat zou ik dan ook hebben aangegrepen. Had ik in een parochie gestaan, dan zou de huidige stand van zaken en een wolk aan pastorale redenen mij de keus uit handen hebben genomen. Zou ik in een extreem onverdraagzaam bisdom hebben gewoond, dan zou ik dat als uitvlucht hebben gekozen. Maar al die dingen zijn niet aan de orde. Ik mag van Rome vrij kiezen welk missaal ik gebruik, ik sta niet in een parochie maar ben priestermonnik en ik woon in ongeveer het meest verdraagzame bisdom ter wereld. En ik ben kluizenaar. Ik moet kiezen wat ik oprecht het beste vind. Ik kan me geen bewust zelfbedrog veroorloven, daarvoor ben ik, als kluizenaar, te kwetsbaar. Als ik ophoud eerlijk te zijn tegen mijzelf loop ik mij gegarandeerd te pletter tegen het hier en nu. Daarom:

Tridentijns.

Tegen wil en dank.

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Tridentijns tegen wil en dank 2

 

Deel 1: Hier

De liturgie van vader Gabriël

Na de periode in het seminarie begon ik veel te lezen over het kluizenaarschap. Dat betrof vooral boeken over de Byzantijnse traditie, maar ook verdiepte ik mij grondig in de traditie van de westerse kluizenaars, in het bijzonder die van de Nederlandse en Vlaamse. Die traditie was trouwens uitgesproken barok. Ik was opgevoed om daar een afschuw van te hebben, dus was ik er helemaal vóór.

Uiteindelijk kon ik mij in 2001 als kluizenaar vestigen in de verlaten kerk van het dorpje Warfhuizen, op het Groninger Hogeland. Ik was vijfentwintig, eigenlijk nog steeds veel te jong, al was ik mij daar toen niet van bewust.

Dat dit avontuur desondanks (tot nu toe) toch goed is afgelopen is zeker niet aan mijn allereigenste vernuft en verstandigheid te danken. Wel aan Gods genade en de hulp en wijsheid van mensen om mij heen. Zo was het Mgr. Eijk die mij toestond om mij als kluizenaar in het bisdom Groningen-Leeuwarden te vestigen, in het begin natuurlijk nog officieus en voorlopig. Dat weerhield hem er niet van om mij te helpen een goede leermeester te vinden in de Zwitserse heremiet vader Gabriël Bunge. Die zou ik zelf nooit hebben durven te benaderen, want de man was niet alleen (in spirituele kringen) wereldberoemd, maar had ook nog de reputatie streng te zijn. Bovendien had hij te kennen gegeven geen leerlingen meer te nemen. Mgr. Eijk was zo goed om ergens in de buurt van Lugano een berg op te klimmen om daar, in een kluis in een dicht kastanjebos, de vermaarde grijsaard over te halen hem te helpen zijn jonge kluizenaar op het rechte pad te houden.

Vader Gabriël en ik werden goede vrienden, en negentig procent van wat ik weet over de meer technische aspecten van contemplatief leven heb ik van hem geleerd, of in ieder geval naar aanleiding van dingen die hij aandroeg. Zijn beruchte gestrengheid bleek met humor doorspekt te zijn, zijn rechtlijnigheid met mededogen en zijn numineuze profetendom met eenvoudige menselijkheid.

Vader Gabriël fundeerde zijn manier van omgaan met de geestelijke werkelijkheid van de mens stevig op de woestijnvaders. “Wat de woestijnvaders niet hebben gezegd is de moeite niet waard om te zeggen”, was een spreuk die regelmatig terugkwam. Dat zei hij weliswaar met pretlichtjes in zijn oude ogen, maar evengoed zei hij het ook niet voor niets.

Woonachtig in een gebied dat ooit bij het bisdom Milaan hoorde, vierde de kluizenaar een zeer serene vorm van de Ambrosiaanse ritus, die geheel werd gezongen op een tere fluistertoon in een flonkerend kapelletje boven de keuken van de kluizenarij. In het begin kreeg ik de indruk dat het gebied rond Milaan wel een soort heilige enclave van liturgisch geluk moest zijn. Sprekend met het vadertje kwam ik er echter achter dat de vorm die ik bij hem had leren kennen niet algemeen was, maar uit een voortdurende worsteling was geboren. Uit loyaliteit aan het kerkelijke gezag – er was nog geen ‘Summorum Pontificum!’ (1) –gebruikte hij de boeken van na het Tweede Vaticaanse Concilie. Hij liep echter voortdurend aan tegen het feit dat hij, wanneer hij zich onverkort aan het missaal hield, steeds weer aan een soort liturgische bloedarmoede begon te lijden. Langzamerhand ontsnapte hij er niet aan oudere gebruiken weer terug te halen. Wat ik bij vader Gabriël beleefde was met andere woorden een liturgie die wij tegenwoordig reform of the reform zouden noemen: een gematigde vorm van een veel te rabiaat gesnoeide en veranderde liturgie. Ik herinner mij onder andere de nodige litanieën met voorbeden, waaronder eentje voor galeislaven. Toen ik het vadertje vroeg of die voorbede misschien toch niet een tikkeltje gadateerd was merkte hij op dat zich op dit moment meer mensen doodroeien dan ooit. Dat de galeien tegenwoordig figuurlijke galeien zijn maakt ze niet minder gevaarlijk.

Misschien verbazen jullie je erover dat het vadertje überhaupt zijn liturgie zong. Veel mensen verwachten dat kluizenaars een liturgie vieren die bij uitstek privé is, en associëren dat dan met de Missen die priestermonniken vroeger (en in traditionele abdijen nog steeds) in stilte aan zijaltaren opdroegen. We moeten echter niet vergeten dat die daarna nog deelnamen aan de plechtige Conventsmis. Het is juist met die Conventsmis, het plechtige, feestelijke en gezongen hoogtepunt van de dag, dat de kluizenaarsmis vergeleken moet worden. Net zo zullen kluizenaars die daartoe in staat zijn hun Mis en getijdengebed het liefste zingen. Logisch eigenlijk: zingen maakt de kluizenaar twee keer zo efficiënt. Zijn core-business is immers bidden, en zingen is dubbel bidden, zoals de oude wijsheid leert.

Ook op andere vlakken was de liturgie bij vader Gabriël nooit armoedig. Wel zo aagepast dat hij door één persoon kon worden gevierd, maar op geen enkele manier karig. Liturgie is feest, liturgie is koninklijk, liturgie is op haar best wanneer zij de wezenloosheid van de alledaagse tijd breekt en er ruimte schept voor het heilige hier en nu. Vaak gebeurt dat door dingen tot hun essentie terug te brengen, en het lawaai van de wereld te laten verstommen tot een zalig zwijgen. Toch zal de stilte die dat oplevert altijd een zingende stilte zijn, nooit een droge afwezigheid van geluid. Evenzo zal liturgische leegte altijd luisterrijke leegte zijn, altijd ruimte en nooit een soort vretend vacuüm. Soms kan dat sober zijn, maar nooit saai, bewoonbaar, maar nooit onherbergzaam, misschien koel, maar nooit kil, en mocht de leegte branden dan verzengt zij niet.

Ook belangrijk om te beseffen is dat wij altijd en overal op de schouders van onze voorgangers staan. Die voorgangers steunen en omringen ons ook hier en nu voortdurend met hun gebed. Dat dit besef bij vader Gabriël een voorname plaats innam bleek niet alleen uit zijn woestijnvadersdoctrine. Het kapelletje boven de keuken was niet kaal, maar hing vol ikonen van baardige kluizenaars die een oogje in het zeil hielden. Liturgie wordt door God gegeven, maar bereikt ons door de handen van degenen die ons voorgingen. Juist omdat hij ogenschijnlijk alleen is, is de kluizenaar zich als geen ander bewust van de koesterende aanwezigheid van de Kerk. Hij bidt voor de strijdende Kerk: de ploeterende stuntelaars hier op aarde, de mensen zoals hijzelf. Hij bidt voor de lijdende Kerk: zij die gestorven zijn, maar nog branden van verlangen naar de zalige Aanschouwing. Zelf wordt hij gedragen door de triomferende Kerk: de heiligen in de hemel.

Dit besef is zo fundamenteel dat ik het reddend zou willen noemen. Als ik ’s morgens om vijf uur de metten ga bidden puilt de kapel uit van de engelen en heiligen. Ik mag blij zijn als ik niet op een vleugel ga staan (‘Hé, grapjas, kijk uit waar je loopt!’) of iemand zijn aureool van het hoofd stoot. Een gelovig mens is nooit alleen. Nooit verlaten of verloren of vergeten. Wie denkt dat die heiligen afleiden van God, vergist zich deerlijk. Zij zijn heilig omdat zij God aanschouwen. Hun leven op aarde was heilig omdat zij God elk moment van hun leven handen en voeten gaven, en Hem zo in de tijd brachten. Eigenlijk verlengden zij Jezus’ eigen leven op aarde. Zij ontvingen Hem van de Heilige Geest, baarden Hem in hun bidden, doen en laten, en maakten zijn belofte waar: Weet wel, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.’ (Mt. 28,20) Wie goed liturgie viert, viert hier en nu bruiloft met de heiligen in het hemelse Jeruzalem, en de Bruidegom is het Lam.

Kluizenaarschap

Vader Gabriël kan beweren dat alles wat de moeite waard is te zeggen al door de woestijnvaders is gezegd, maar laten we hem wat dat betreft toch maar even niet al te letterlijk nemen. Er was leven na de woestijnvaders, en wat voor een leven! Heel het kloosterleven is uit hen ontstaan. Het stak de Middellandse Zee over naar Marseille waar de heilige Johannes Cassianus op basis van de Egyptische spiritualiteit de abdij van Sint Victor stichtte. Van daaruit ging het verder in een bont kleurenpalet van smaken en orden. Maar dat is een ander verhaal dat een andere keer maar eens moet worden verteld. Naast de kloosters bleven er ook altijd kluizenaars bestaan. Sommigen leefden zeer afgezonderd, anderen bemoeiden zich meer met de wereld. Tijdens de contrareformatie ontstond de vorm die wij hier tot 1930 in Limburg hebben gekend, en waarop ook ik mij weer uitdrukkelijk baseer. Kluizenaars vestigden zich vanaf de zestiende eeuw meer en meer bij afgelegen bedevaartkapellen, zodat het fenomeen ‘bedevaartkluis’ ontstond. Dergelijke kapellen moesten, ook buiten het bedevaartseizoen, bewaakt, verzorgd en bezield worden, en een kluizenaar kon al die taken vervullen en tegelijk in zijn levensonderhoud voorzien. Zo werden kluizenaars als het waren meubelstukken of onderdelen van de heiligdommetjes waar zij de bewaarders van waren. Zo’n kapel had banken, kandelaars, een altaar, een klokje, bloemenvazen en een kluizenaar om te dweilen, kaarsvet van de vloer te krabben en het officie te bidden (of, als hij ongeletterd was, de rozenkrans). De kluizenaars werden veredelde kosters. Ze waren nogal eens lid van de derde orde van de franciscanen of de karmelieten, en werden in de achttiende eeuw samengebracht in zogenaamde ‘heremietenverbroederingen,’ waarvan die van het bisdom Regensburg de grootste en bekendste was. Het is in deze vorm dat het kluizenaarswezen in west Europa de stormen van reformatie, revolutie en secularisatie tot nu toe heeft overleefd. Dat wil zeggen: in Zuid Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Italië en Spanje. In Nederland verliet de laatste in 1930 de kluis op de Schaelsberg bij Valkenburg aan de Geul, en stierf waarschijnlijk kort daarna.

Van de oude heremietenverbanden is dat van het bisdom Regensburg in Beieren het enige dat de stormen van de geschiedenis heeft doorstaan, zij het ook ternauwernood. Het telt nu ongeveer tien kluizenaars, waaronder tegenwoordig ook zusters. Deze gemengde vorm is mogelijk omdat kluizenaars sowieso niet onder één dak wonen. Ook de kluis van Warfhuizen, waar ondergetekende woont, hoort tegenwoordig bij dit verband (dat zich, ten overvloede, dus niet meer aan de bisdomgrenzen van Regensburg houdt). Het moederhuis is de kluis van Frauenbründl in Bad Abbach bij Kehlheim. Daar woont de oudvader, op dit moment is dat vader Johannes Schuster.

Waar gaat het kluizenaarschap nu eigenlijk om? Kluizenaars verschillen onderling soms extreem van elkaar. Toch is er wel iets algemeens over te zeggen. In de praktijk komt het ongeveer neer op het volgende: Je laten voeden door de Eucharistie. Leven op het ritme van de getijden, het gebed van de Kerk. Niet wegvluchten van het hier en nu. Je eigen naaktheid uithouden onder Gods ogen. Een steeds reëler besef krijgen van je eigen wezenloosheid, en die laten opvullen door Gods grenzeloze Wezenlijkheid. Vallen en opnieuw beginnen. Dit alles niet met naar boven wegdraaiende oogballen terwijl je in een fladderende witte jurk op wierookwolken rondzweeft, maar gewoon tijdens het stofzuigen, kaarsvet van de vloer krabben en klimhortensia’s uit de dakgoot trekken.

Zou de kluizenaar een auto hebben, en zou daar een sticker achterop zitten, dan zou daarop geschreven staan: ‘Ik rem voor het Mysterie.’ Een verwonderde eerbied voor Gods almacht en kwetsbaarheid, zijn ongrijpbaarheid en zijn meer-dan-betonnen concreetheid, zijn helderheid die verlicht en verblindt, zijn duisternis die verwart en ontvangt, zijn rechtvaardige barmhartigheid en zijn barmhartige rechtvaardigheid, zijn geschater en zijn stilte, zijn in- en uitvouwen en zijn volkomen onbeweeglijkheid. `

(1) Summorum Pontificum is een motu proprio ( een pauselijke brief op persoonlijke titel) van Paus Benedictus XVI uit 2007, waarin meer ruimte wordt geboden om de H. Mis volgens de Tridentijnse ritus te vieren.

Voor deel 3 klik Hier

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Tridentijns tegen wil en dank 1


Er wordt veel gevraagd naar mijn voordracht voor de Vereniging voor Latijnse Liturgie van afgelopen voorjaar. Daarom leek het mij opportuun om de tekst daarvan via mijn weblog door te geven. Dat zal in afleveringen gebeuren, omdat het anders teveel in één keer is. Vandaag het eerste deel.

Tridentijns tegen wil en dank: de liturgische verwarring van een kluizenaar

1. Inleiding

De titel van deze voordracht is natuurlijk gekozen als een grapje, maar er gaat wel degelijk een doordringende ervaring achter schuil, die ik vandaag met u wil delen. Wat mij is overkomen heeft te maken met het hart van de spiritualiteit als kluizenaar, met het hart van de spiritualiteit van de Kerk, en ook met iets van de geschiedenis van de Nederlandse katholieken in de afgelopen vijftig jaar. Daarom denk ik dat – hoe persoonlijk en uitzonderlijk dit verhaal ook moge zijn – het toch de moeite loont om het te vertellen.

Roeping

Ik ben in 1976 geboren in een Nederlands Hervormd gezin. Van kindsbeen af was ik erg gevoelig voor het Absolute, en daardoor bijzonder geïnteresseerd in levensbeschouwing en religie. Dat wil overigens niet zeggen dat ik ook erg vroom was, en zeker niet dat ik erg braaf was. De beste omschrijving is misschien wel een hyperactief betwetertje (inclusief brilletje met ronde glaasjes) met een obsessie voor de grote vragen van het leven. Sommigen wijten dit aan het feit dat wij thuis een doodgraverij hadden, maar dat vind ik zelf onzin. Ik denk eerder aan een aangeboren fascinatie voor metafysica, al kende ik toen natuurlijk dat woord niet, en worstelde ik ook later met de filosofische taal ervan. Voor protestantisme heb ik nooit enig talent gehad, en een religieuze ervaring in de kapel van de Sterre der Zee in Maastricht zette mij op de weg naar het katholicisme. Na een periode van veel lezen en bidden (en puberaal gedweep) werd ik officieel katholiek toen ik veertien was. Ik zie nog het verbijsterde gezicht van mijn wiskundeleraar toen hij eens een boekje in beslag nam dat ik stiekem onder de les aan het lezen was. Het was een beduimeld exemplaar van ‘Lumen Gentium’ (de constitutie van het Tweede Vaticaanse Concilie over de Kerk) dat ik in de Haarlemse kathedraal uit een bak met weggevertjes had gevist. Terugkijkend weet ik nu dat er toen al een vaag beeld in mijn hoofd zat van het leven dat ik nu leid, maar ik was natuurlijk nog veel te jong, en ook te Drents, om zoiets in de praktijk na te streven. Ik besloot in plaats daarvan om naar het seminarie te gaan. Natuurlijk is parochiepriester een totaal andere roeping dan kluizenaar, en dat liep dan ook niet goed af. Toch ben ik het Bossche seminarie nog steeds dankbaar voor de vorming die ik daar gekregen heb. Ik werd er weliswaar geen priester, maar wel een volwaardige en goed toegeruste katholiek.

Kanttekening

Ik moet daar één kanttekening bij maken. Toen ik op het seminarie zat (we schrijven 1994) was de polarisatie in de Nederlandse Kerk nog niet voorbij. Je zou kunnen zeggen dat eigenlijk zelfs het dieptepunt daarvan nog niet voorbij was. Dat maakte ons, zowel studenten als docenten, tot op zekere hoogte onvrij. Het seminarie stond, net als het bisdom, bekend als ‘ultraconservatief.’ Dat moet met een korreltje zout worden genomen: je was in die tijd als geestelijke al ultraconservatief als je niet in een spijkerbroek onder het slaken van oerkreten puddingbroodjes consacreerde (die je na de ‘happening’ demonstratief aan de geiten voerde). Toch veroorzaakte dit label een zekere kramp bij de seminarieleiding, die er alles aan deed om te demonstreren dat wij ‘midden in de Kerk’ stonden. Zodoende heette het seminarie ‘Sint-Janscentrum’ in plaats van gewoon ‘seminarie,’ en lag er een soort groen biljartlaken in de kapel, die verder uitgerust was met een zo zakelijk mogelijke inrichting. Het toverwoord was ‘Vaticanum II.’ Alles moest ‘Vaticanum II.’ Nu vind ook ik veel verworvenheden van het concilie groots, en iets om dankbaar voor te zijn, maar je kunt ook overdrijven. Je overdrijft vooral als je het concilie gaat uitspelen tegen alles wat daarvóór kerkelijke cultuur was. Tegenwoordig noemen we een dergelijke concilie-interpretatie de ‘hermeneutiek van de breuk,’ in tegenstelling tot de ‘hermeneutiek van de continuïteit.’

Vooral bij de jongste seminaristen, waar ik ook bijhoorde, gaf dit een zekere reactie. De hele polarisatie was immers eigenlijk het probleem van de generatie vóór ons. Wij hadden de preconciliaire Kerk niet meegemaakt en er dus ook niet geleden aan de mythische martelingen die daar naar verluidt mee gepaard waren gegaan. Waar wij wel aan hadden geleden was de sfeer van grenzeloze lelijkheid, banaliteit, nietszeggendheid en linksig politieke agressie die in onze eigen tijd de parochies domineerde. Wij hadden – met andere woorden – geleden onder de ontheiliging van de Kerk. Dat klinkt zwaar, maar dat was het ook. Als je als bruisend jong mens gefascineerd bent door het heilige, en je wilt heel je leven daarin investeren, is een dergelijk klimaat het meest dodelijke dat je kunt treffen. Dus verloren wij ons wel eens in fantasieën over het rijke roomsche leven. Een gedeelte van de seminarieleiding ging daar begripvol en met een zekere humor mee om. Een gedeelte ook niet. Zodoende waren een aantal zaken taboe, waarvan de Tridentijnse liturgie wel de voornaamste was.

Onbedoeld was er een ideologie ontstaan, en die deed wat ideologieën nu eenmaal doen: het onmogelijk maken om in alle vrijheid de geesten te onderscheiden. Deze ideologie strekte zich uit over méér dan alleen liturgie, maar omdat dat het onderwerp van vandaag is beperk ik me daar nu toe. Wij werden opgevoed met ongeveer de volgende liturgische doctrine: het oude missaal…

  • … zit vol ‘Aanslibsels, herhalingen en ongezonde middeleeuwse devoties’ (en: alles wat middeleeuws is, is ongezond).
    • Klopt niet. Herhalingen zijn er nauwelijks en veel vondsten uit de middeleeuwen blijken wel degelijk een functie te hebben.
  • … is een ‘onoverzichtelijke chaos.’
    • Klopt niet. Inderdaad zitten er rudimenten in de structuur. Maar die zitten ook in de mens. Die rudimenten verbinden met het verleden en de toekomst.
  • … is ‘te weinig bijbels.’
    • Klopt niet. Weliswaar is de hoeveelheid teksten veel kleiner, maar die selectie draagt de christelijke boodschap veel helderder uit dan de zee van ontoegankelijke oude woorden in de nieuwe liturgie. Die vergt een studie exegese om er chocola van te kunnen maken.
  • … ‘bestaat uit barokliturgie’ (en: alles wat barok is is onecht).
    • Klopt niet. De tekst was min of meer klaar in het jaar 604. Wat er wel barok aan is (ongeveer één procent) hoort bij onze geschiedenis en is bovendien feestelijk en christelijk.
  • … is ‘klerikaal.’
    • Het ligt eraan hoe er gevierd wordt. Het blijkt in de huidige praktijk moeilijker voor de priester om ‘achter Christus te verdwijnen’ dan met een altaar op het oosten. In het oude missaal is er bovendien minder nood aan hoogstpersoonlijke inbreng.
  • … laat geen ‘participatio actuosa,’ werkelijke deelname aan de liturgie van de lekengelovigen toe.
    • Klopt niet. Doordat er geen stilte is en de (vertaalde) theologische begrippen de gewone gelovige boven de pet gaan is de situatie eerder verslechterd. Vroeger kon iedereen op zijn eigen niveau deelnemen. Nu is het voor velen te moeilijk, en die zitten te slapen. Dit brengt de priester in de verleiding Jip-en-Janneke-elementen in te brengen en andere zaken (Paulusbrieven!) weg te laten. Die manier van doen verstoort de sacraliteit, stoot de meer intelligente gelovigen af en bezorgt ze zelfs niet zelden geloofstwijfels.
  • Het missaal van 1969 zou daarentegen een herstel van de oude zuivere liturgie van de kerkvaders zijn, een terugkeer naar onschuldiger tijden.
    • Klopt niet: Het Missaal van 1969 geeft een beeld van hoe men in de zestiger jaren aankeek tegen de oude Kerk. Dit beeld is allang weer achterhaald. Het is oranje met bruine tegeltjes en paarse vloerbedekking.

Deel 2: Hier

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Enregistrer

Een reconstructie van de middeleeuwse Mis

Ik stuitte toevallig op deze Scandinavische reconstructie van de Mis zoals die (ongeveer) was in de Middeleeuwen. Mensen die gewend zijn in Warfhuizen te kerken zouden moeiteloos mee moeten kunnen doen.

Een video over vader Gabriël

Velen weten wel dat ik in feite een (zeer onnozele) leerling ben van Vader Gabriël Bunge, een beroemde Duitse kluizenaar, die zijn leven slijt op een Zwitserse berg in de buurt van Lugano. Op zijn oude dag werd hij orthodox, en ondertussen staat hij, vooral bij de Russen, bekend als één van hun ‘startsi’ of geestelijke vaders. Over dat soort vaders werd er door een Russisch televisiestation een serie gemaakt, waaronder een aflevering over vader Gabriël. Omdat mij nog vaak naar vader Gabriël wordt gevraagd, deel ik die aflevering hier graag.

Een stad vol Jantjes en Hendrikken?

Een engel bracht mij, Johannes, in de geest op een zeer hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, terwijl zij van God uit de hemel neerdaalde, stralend van de heerlijkheid Gods.’ Apokalyps 21, 10.

Als Jezus voor Pilatus staat vraagt die Hem of Hij Koning is. ‘Koning ben Ik,’ zegt Jezus, ‘maar mijn Rijk is niet van deze wereld. Jezus’ Rijk: de hemelse stad op de berg met de twaalf poorten, waarvan het Lam Gods zelf de tempel is.

Zoals zo vaak hangt de boodschap van Jezus weer eens van de schijnbare tegenstellingen aan elkaar. Dat maakt het vaak zo moeilijk er chocola van te maken, voor onszelf, en zeker als we op ons geloof worden aangesproken. Voor de joden een aanstoot, voor de heidenen belachelijk.

Waar is Jezus’ Rijk? Wanneer is Jezus’ Rijk? En wat moeten we doen om daar te komen, in het hemelse Jeruzalem?

Denk erom: Jezus zegt niet dat zijn Rijk niet op deze wereld is, of dat zijn Rijk iets is wat nog in de verre toekomst ligt. Weliswaar zegt Hij dat wij ons nog zullen verbazen als wij de Mensenzoon zullen zien komen op de wolken van de hemel, door engelen omringd, maar tegelijk zegt Hij: mijn Rijk: het is er al. Nu al ‘daalt de heilige Stad van God uit de hemel neer.’ ‘Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn Woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen.’

Wie mag bestijgen de berg van de Heer, wie mag staan in zijn heilig Domein? Psalm 24, 3.

Als er zoiets wordt geroepen voelen jullie het al aankomen: een lijstje met morele regeltjes. We hebben het al zo vaak gehoord. Wie mag bestijgen de berg van de Heer? ‘Wie rein is van handen en zuiver van hart, die zijn ziel aan valsheid niet biedt.’ De brave Hendrikken en de engeltjes, die mogen naar het hemelse Jeruzalem. Dus: Jantjes, laat uw pruimen hangen en engeltjes poetst uw aureooltjes op: ‘de Koning der Glorie moet binnengaan.’

Nee.

Dit is precies de manier van het neerzetten van Gods rechtvaardigheid die de halve wereld braakneigingen bezorgt, en terecht. Iedereen die wel eens zijn best heeft gedaan weet het volgende: Je kunt er duizend keer voor kiezen een engeltje te zijn, maar dat betekent nog niet dat je geschubde staart en je gevorkte tong ook vanzelf van je afvallen. Van je haren ben je zo af, maar je streken plakken als pek en veren aan je ziel. Op eigen kracht zullen wij de twaalf poorten van het hemelse Jeruzalem nooit te zien krijgen, laat staan er doorheen trekken.

‘In die tijd zei Jezus tegen zijn leerlingen: “als iemand Mij liefheeft zal hij mijn Woord onderhouden. Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem komen wonen. Wie mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet.’

‘Heer, wie kan dan nog worden gered?’ zullen de letterknechten dan roepen. Jezus zegt immers: ‘als iemand Mij liefheeft zal hij mijn Woord onderhouden,’ en ‘wie Mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet.’ Maar wat betekent dat ‘onderhouden?’ Betekent dat: ‘Ik geef jou een heel lijstje met regeltjes en die moet je nauwgezet precies zo opvolgen en als je er ook maar één keertje naastpiest…

…sluit ik je buiten als een dwaze maagd zonder olie,
als een gast zonder bruiloftskleren,
‘ga weg van Mij,
Ik ken u niet,
naar het dal van Gehenna met u,
wormen vuur en zwavel,
Vort,
kssst?’

Als dat zo zou zijn ga je je wel afvragen wat Jezus dan kwam doen. Zoiets was er namelijk al, en het heette de firma ‘Farizeeën en zonen’.

‘Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn Woord onderhouden.’

‘Onderhouden’ is eigenlijk helemaal niet zo’n slechte vertaling van het werkwoord dat er in het Grieks staat, maar eigenlijk staat er een woord dat drie begrippen min of meer in zich verenigt:

  • bewaren,
  • behoeden,
  • beschouwen

‘Onderhouden’ is dan een prima woord zolang je het verstaat in de zin van ‘een tuin onderhouden,’ of nog beter ‘een relatie onderhouden.’ Ook zeggen we wel eens over iemand: ‘hij is een zeer onderhoudend persoon.’ Dat wil zeggen: als je met hem spreekt heeft hij al zijn aandacht bij wat je zegt, hij is tijdens een gesprek helemaal op jou gericht en kijkt niet op zijn horloge, hij is echt in je geïnteresseerd en wat hij zegt maakt je aan het lachen of brengt je nieuwe inzichten. Dat kan alleen als er, ook al is het maar één conversatie lang, een echte verbinding ontstaat tussen jou en hem.

‘Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn Woord onderhouden.’

Dat is precies wat Jezus van ons vraagt. Hij wil dat wij, in deze betekenis, in onze relatie met Hem, onderhoudende personen zijn. Hij wil dat wij onze vriendschap met Hem onderhouden. Dat betekent dat wij naar Hem luisteren, tijd en aandacht geven en dan heel onze creativiteit, onze scheppingskracht, dat wat ons beeld van God maakt, gebruiken om iets te doen met zijn woorden. Hij wil dat wij zijn Woord, dat is, Hemzelf, als zaad in de tuin van onze ziel laten opkomen en tot wasdom laten komen.

Allereerst door het te beschouwen, erop te kauwen, ermee te leven, ermee bezig te zijn, er aandacht aan te schenken.

Vervolgens om dat woord, dat in de gebroken wereld die onze ziel is altijd gevaar loopt, te behoeden. Het niet uit te laten doven door angst, verbittering, verveling, moedeloosheid, onrust en begeerte.

Vervolgens door het te bewaren als een kostbare parel, het deel te laten worden van onze ziel, ermee te trouwen, het ons eigen te maken, net zo lang totdat we kunnen zeggen: ‘ik leef niet meer, Jezus is het die leeft in mij,’ en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem komen wonen.

‘Ik leef niet meer, Jezus is het die leeft in mij,’ het is waar: de meesten van ons zullen zijn overleden voor we zover zijn. Maar als Hij ons komt stelen als een Dief in de nacht zullen we wel onderweg zijn, ermee bezig, wakker en druk aan het werk. Zoals het kindje dat de heilige Theresia van Lisieux beschrijft, het kindje dat de trap probeert op te klauteren, maar daar niet in slaagt: God zijn moeite belonen, hem optillen en bovenaan neerzetten. ‘De Helper, de Heilige Geest die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb.’

Hoe nu hiermee concreet te beginnen? Het hoeft niet lastig te zijn.

Allereerst: als Jezus een feest organiseert op komen dagen. Er zijn geen smoezen geldig om niet naar de Mis te gaan, behalve verlamde benen of veertig graden koorts. Jezus had ook geen zin om zich voor ons aan het kruis te laten slaan, maar Hij was er trouw toen Hij er moest zijn.

Twee: geduld hebben met God betekent soms ook geduld hebben met je eigen zwakheden. Bid om ervan bevrijd te worden, maar geef niet op als dat niet binnen vijf minuten klaar is. Hulp zal komen, en anders vergeving en ontferming, maar niet als je de moed opgeeft, jezelf de bodem begint in te trappen of het allemaal wel gelooft.

Ten derde: de stad Gods heeft meer dan één inwoner. Zelfs God zelf is een gemeenschap van Vader, Zoon en Geest. Hij is niet in zijn Eentje zalig, en niemand wordt in zijn eentje zalig. Spreek over het geloof met andere katholieken, deel je zorgen en je dankbaarheid. Zoals je samen eet, zit zo ook samen aan de tafel van Gods woord. Besmet elkaar met liefde en dankbaarheid, en help elkaar als het donker wordt.

Jantjes en Hendrikken hoeven wij niet te worden om als engeltjes te worden. Als wij Gods Woord, onze relatie met de Heer, maar onderhouden.

Amen.

Boetepreek

Pater Hugo verzorgde dit jaar de boetpredicatie in de kathedraal. Hij baseerde die op het Evangelie van de verloren zoon.

Toen ik deze preek de vorige keer hield, liepen er vijf mensen huilend de kerk uit. Ik hoop dat dat deze keer niet nodig is: soms moeten dingen gezegd worden, ook al is het even slikken.

Die arme vader uit de parabel van Jezus… Van hem wordt een bijna hopeloze hoop vergeving gevraagd. Zijn jonste zoon geeft hem bijna letterlijk een rotschop in zijn eerbiedwaardige delen. Ten eerste smeert hij hem naar een ver land, en zegt dus eigenlijk: bij jou is het leven niet fijn. Ten tweede eist hij zijn erfdeel op, en zegt dus eigenlijk: wat jij me hebt gegeven was niet genoeg. Ten derde zet hij het in den vreemde op een hoereren, waarmee hij zegt: wat jij me hebt geleerd: ik spuug erop.

Wat deze vader moet vergeven is niet het verlies van de helft van zijn vermogen of het feit dat zijn zoon even zijn wilde haren kwijt moest. Hij moet moord vergeven. Moord op zijn eigen karakter. Niet spullen of principes worden in zijn gezicht teruggesmeten. Hijzelf wordt in zijn gezicht teruggesmeten. De relatie tussen vader en zoon is niet verstoord, maar door de zoon koud en liefdeloos doorgesneden. Met een kettingzaag. Vader en zoon kijken naar elkaar in een nieuw licht. Een licht dat duisternis is. Een duisternis die in dit geval door de zoon wordt opgetrokken om daarachter te kunnen doen waartoe zijn onderbuik hem drijft. Vreten. Zuipen. Hoereren.

Iedereen die wel eens langere tijd achter elkaar heeft gevreten, gezopen en gehoereerd, weet dat je daar niet gelukkig van wordt. Ten eerste gaan die dingen snel vervelen, en daarna stierlijk vervelen. Ze moeten dan in steeds extremere vormen worden genoten om nog interessant te blijven, en het resultaat is dat de mens verandert in een karikatuur, een schim van zichzelf. Men wordt een beklagenswaardig schepsel. En dat is dan alleen nog maar de buitenkant. Van binnen ontstaat er een leegte die geen stilte is, maar eerder een soort hongerig, zuigend vacuum. Het kwaad zuigt alle persoonlijkheid uit de ziel, ongeveer zoals een aborteur een kindje uit de baarmoeder zuigt. Het wordt eerst tot pulp vermaald, en daarna weggezogen. Zo gaat het ook met de ziel die zich voorover in de zonde stort. Een hongerig vacuum maalt alles wat het leven de moeite waard maakt eerst tot pulp, en laat het daarna in een gapend gat verdwijnen.

En dan kom je erachter dat je minder bent dan de varkens. Want dat is wat Jezus wil zeggen. Je zou deel willen hebben aan het deel van de varkens, want die hebben meer leven en liefde in zich dan jij. Je zou samen met hen je kop in de trog willen steken om schillen te eten. Maar niemand geeft ze je. De varkens zijn meer mens dan jij.

Wat heeft dit alles te maken met ons, zoals wij hier bij elkaar zijn? Ik denk niet dat er hier veel zitten die het in zich hebben om hun dierbaren te bestelen en van de opbrengsten in een ver land een slempend leven te gaan leiden. Toch is Jezus’ parabel op elk van ons in al onze schoonheid en gruwelijkheid volledig van toepassing.

Jezus’ parabel gaat over wat er gebeurt met de ziel die zondigt. En dan hebben we het niet alleen over moord, doodslag en de meer exotische varianten van seksuele ontucht, maar ook over dingen die ons allemaal dagelijks bedreigen.

Wat priesters tegenwoordig nogal eens horen, is ongeveer het volgende: ‘Ik hoef toch niet te biechten? Ik doe toch niks verkeerd? Ik ben toch een goed mens? Ik vermoord en mishandel geen mensen, ik steel niet en ik stort braaf op de giro als er een tsunami of een aardbeving is.’ Ondertussen gaan we ons te buiten aan dingen die op het eerste gezicht niet zo erg lijken, maar die onze ziel vernielen. We roddelen over mensen, in plaats van te spreken met mensen, en plegen zo moord op iemands karakter. We zijn voortdurend ontevreden, en uiten dat met scherpe tong, en maken het leven dat God geeft zo voor onszelf en anderen zuur. We verlangen steeds naar wat er niet is, en zijn niet dankbaar voor wat we wel hebben. We storten zeeën van kritiek over de wereld uit, maar als iemand iets op ons aan te merken heeft zijn we diep verontwaardigd. Daarbij begaan we de zonde van de hoogmoed omdat we het onze strot uit durven te persen dat we zulke goede mensen zijn.

De meesten van ons zijn geen goede mensen. De meesten van ons zijn kleine, bange, bekrompen, beperkte en tegenwoordig ook verwende mensen. We proberen wel ons best te doen, en dat lukt ook wel eens, maar topprestaties worden door de meesten van ons niet geleverd. We zijn vooral goed in het produceren van mislukte goede voornemens.

Doordat er niet meer gebiecht wordt, lopen de meesten van ons met een zondenlast van jaren rond te sjouwen, wat het alleen maar nog moeilijker maakt om het goede te doen, om de zurigheid en het donker van je af te werpen. Alsof je een hindernisbaan moet lopen met een zak met honderd kilo bakstenen op je rug. Omdat wij door ons kwaad verblind worden zitten zien we alles door een loodgrijze, cynische bril, en zitten we zelfs in de kerk nog op elkaar te letten, over elkaar te oordelen en aan dingen te denken die ons niet aangaan. We gaan afgeleid en slordig aan de Communie en voegen zo nog eens heiligschennis toe aan onze schuld.

En dat is dus niet nodig. De dingen die wij willens en wetens slecht doen snijden onze band met de vader door. Met een kettingzaag. Ze maken ons leeg en dood van binnen, en de wereld om ons heen lelijk, voor onszelf en anderen. Maar dat hoeft niet het einde van het verhaal te zijn. Laten we de verloren zoon navolgen in wat die wél goed deed:

Hij beseft dat hij verkeerd heeft gedaan, en durft dat hardop te zeggen, dat is één.

Hij keert terug uit het verre land. Hij maakt zich weer bereikbaar voor de vader, dat is twee.

Hij spreekt hardop uit dat zijn zonden van hem een ander mens hebben gemaakt – een mens die hij niet wil zijn: ‘vader, ik ben het niet meer waard uw zoon te heten.’ Dat is drie.

De vader ontkent al deze dingen niet. Hij zegt niet: ‘nou, jongen, het viel allemaal wel mee.’ In plaats daarvan zegt hij: mijn zoon, die dood was, leeft weer.’ En dan is er een gemest kalf, en feest, en opluchting.

Vertaald naar gewone nuchtere katholiekentaal moet de conclusie zijn: wees geen smiecht, ga te biecht.

Om het goede voorbeeld te geven zal ik dan zelf maar even beginnen.

De eerste zin van deze preek was…gelogen.

Amen.

Kerstpreek pater Hugo 2015: Ballen

Het ene jaar hebben we een mooiere kerstboom dan het andere. Soms ben je te laat bij de kerstbomenboer, of heb je even niet opgelet. Zoiets hadden we dit jaar, alleen konden de vrijwilligers die de boom hebben gezaagd er niks aan doen: ze hebben de hele dag als gekken gezocht, maar in het bos was er gewoon niet ééntje meer die helemaal naar de zin was. Dat kan een keer gebeuren. En toen viel hij bij het omhoogtakelen ook nog eens om, en brak er nog het één en ander af. Ook dat kan gebeuren. Shit happens.

Elk jaar helpt mijn moeder mij met het versieren van de kerk voor de kerstdagen. Toen ze dit jaar binnenkwam kreeg ze eerst een halve rolberoerte, en daarna de slappe lach. Zo zat als een Maleier, zo krom als een hoepel en zo scheef als de toren van Bedum (die boom dus, even voor de duidelijkheid, niet mijn moeder.)

‘Nou ja,’ zei ma, ‘we hebben een boom.’ En zo was dat. Want een kerstboom van dat formaat kunnen we bij de kerstbomenboer gewoon niet betalen, als die er trouwens al eentje heeft. Daarbij is een kerstboom een ding uit de natuur: hij groeit zoals hij groeit. Het heeft geen zin te proberen zo’n boom alsnog de vorm te geven die je graag wilt hebben. Je kunt er wel in gaan hakken en zagen, maar dan is hij binnen vijf minuten rijp voor het paasvuur. En al is het dan ook veertien graden buiten: pasen is het nog lang niet.

Als van zo’n boom iets wilt maken, dan zal je er iets van jezelf in moeten investeren, iets van je liefde, iets van je creativiteit. En dan beginnen we natuurlijk met lichtjes. Want al is het dan ook niet zo koud als het in december hoort te zijn: het is wel gewoon donker.

Kerstboomlichtjes zijn een raar ding. Als er één lichtje kapot is, blijft de rest ook donker. Kerstboomlichtjes zijn solidair met elkaar. Zo moet het in een dorpje als Warfhuizen eigenlijk ook zijn. We zouden het eigenlijk niet mogen accepteren als er – onder onze neus – mensen zitten te verkommeren en verslonzen omdat wij ze in de steek laten. Met kerstboomlichtjes is het bovendien zo dat je ze gelijkmatig moet verspreiden, anders is het geen gezicht. Dus niet alleen lichtjes op de mooie, groene takken, maar ook op de kale, bruine, en scheve. Niet alleen warmte investeren in die mensen die je toch al aardig vond, maar ook in die mensen die je mateloos irriteren. Of ze nou import of export zijn, schoon of vies, of ze nu te hard rijden of te langzaam, of ze nu veganist zijn of van biefstukken en bontkragen houden, of ze nu boer zijn of belastingambtenaar, of ze nu in God geloven of in FC Groningen of – zoals de meeste Nederlanders – vooral in hun eigen portemonnee. Aandacht en vriendelijkheid hebben ze allemaal nodig. Anders zitten alle lichtjes onder of boven, of links, of rechts, en staan we met onze kerstboom voor paal.

Zodra de lichtjes in de boom zitten, is het meest armetierige er al af. Geen reden meer om in janken uit te barsten. Maar het is natuurlijk ook nog niet klaar. Een kerstboom zonder ballen kan namelijk niet. Ballen worden nogal eens geassocieerd met een grote bek en een hoop lawaai. Echte ballen hebben echter niets met agressie te maken. Agressie kunnen we missen als kiespijn. De Russen komen voorlopig niet, al hebben we dan ook straks weer een prachtig opgeknapte luchtwachttoren om ze het hoofd te bieden. Moed heb je nodig om een ander het hoofd te bieden, maar er is nog veel meer moed nodig om jezelf het hoofd te bieden. Om een hard woord in te slikken. Er zelf korte metten mee te maken in plaats van er een ander mee op te zadelen. De moed om trouw te blijven aan een ideaal, een vereniging, je buren of gewoon aan je eigen gezin, ook als het niet gaat zoals je graag zou willen. Soms is er geen redden meer aan, we zijn allemaal maar mensen, maar je wilt toch in ieder kunnen zeggen dat je de ballen had om je best te doen. (Zeker als kerstboom zijnde).

De lichtjes en de ballen hangen erin, en als de boom perfect was geweest waren we nu klaar geweest. Helaas zijn geen van onze bomen perfect. Hier en daar is het bruin, en dood en armetierig en triestig. Gedeeltelijk kunnen we daar wat aan doen, maar gedeeltelijk moeten we het ermee doen. Maar we kunnen het wel dragelijk maken, door het een beetje te verstoppen. Niet om te vergeten dat het er is, dat zou dom zijn. Maar wel om te zorgen dat het ons niet verhindert ons kerstfeest te vieren. Daarvoor hebben we slingers. Slingers zijn melige dingen. Niet echt stijlvol, en meestal zou je er liever zonder kunnen, maar dat kan nu eenmaal niet. En ze lossen een hoop op als je kerstboom van die gebreken heeft waar je nu eenmaal echt niks aan kan doen. Slingers zijn voor een kerstboom wat zelfspot – en humor in het algemeen – zijn voor een mens. Want het kerstfeest is een serieus feest, maar als er niet gelachen zou mogen worden zou het helemáál geen feest zijn, of wel dan? Neem jezelf niet altijd zo serieus, en zeker niet ten koste van een ander. Durf te lachen.

En, wat heeft zo’n kerstboom nu met Jezus te maken? We zijn toch in de Kerk, niet bij de kerststukjesknutselwerkgroep? Toen God merkte dat wij een beetje scheef, lelijk en soms zelfs ronduit kwaadaardig waren, liet Hij ons niet in de steek. Dat was knap van Hem, want zo’n boom kan er niks aan doen, maar wij doen het vaak gewoon expres. Hij investeerde zichzelf in ons en werd kwetsbaar en klein geboren in een stal. Hij gaf zijn lichtjes niet alleen aan de lieverds, aan de mensen die van Hem hielden, maar ook aan de eikels, misdadigers en de minder spannende, meer doordeweekse mispunten zoals wij allemaal af en toe zijn. Toen wij Hem uiteindelijk aan het kruis sloegen begon Hij niet te vloeken en te schelden, maar bad Hij tot zijn Vader om ons te vergeven, want wij weten immers de helft van de tijd niet wat wij doen. Hij had de moed om ons trouw te blijven tot de dood, tot de dood aan het kruis, al was Hij de avond ervoor zó bang dat Hij bloed zweette in de hof van Olijven. Laten we nooit vergeten – hier bij het kribje, tussen de lichtjes en de ballen – wat dat tere Kindje voor ons deed. En laten we proberen om op deze wereld een beetje als een spiegeltje te zijn, dat zijn Licht weerkaatst in deze donkere, warme winter.

Gulden Mis op 8 december

MariaoverZegt het voort! Op dinsdagavond 8 december vieren we in de kluiskapel in Warfhuizen het hoogfeest van Maria onbevlekt ontvangen met een ‘Gulden Mis.’ Wij beginnen om 17.30 met stille aanbidding, om 18.00 gevolgd door de Vespers, om 18.30 bidden wij de rozenkrans en om 19.00 begint de Mis. Dit alles geheel bij kaarslicht. Iedereen die dat wil kan op elk van deze tijdstippen aansluiten.

Fotoverslag priesterwijding pater Hugo

Op de site van de Mariabroederschap is een fotoverslag verschenen van de priesterwijding van broeder Hugo.

Klik HIER