Geruis uit de Kluis

Deze taal stuit ons tegen de borst.

Deze tekst zal sommige trouwe fans van mijn blog bekend voorkomen. Dit was precies wat ik vandaag tijdens mijn preek wilde zeggen. Ik dacht dus ‘dikke neus,’ en bakte een preek van oud brood. Beviel me best goed.

Joz. 24:1-2a, 15-17, 18b, Ef. 5:21-32, Joh. 6:60-69

Alle goden van het verleden tot nu toe waren redelijk rationele zakenpartners. Nog niet zo lang geleden hadden we er een heel stel. Die waren soms chagrijnig, maar wel consequent. Ze huldigden het principe do ut des, oftewel ‘jij geeft Mij wat, dan geef ik jou wat.’ In die zin waren het erg Hollandse goden (ze kwamen waarschijnlijk uit Purmerend of zo). Ik offer Jou een geit, en Jij zorgt dat ik de rest van mijn geiten met een goede winst verkoop. Deze goden vonden het niet erg als je af en toe ook bij één van de anderen kocht, zolang die maar niet in dezelfde branche zat. Als goede zakenlui waren het ook geen zedenmeesters. Het interesseerde ze gewoon niet zoveel wat je verder uitvrat, en ook niet hoe het verder met je ging. Ook in die zin waren het net Hollanders.

En dan ineens is er een God die zich niet gedraagt als een zakenpartner, maar als een minnaar voor zijn volk. Hij geeft zichzelf totaal, maar vraagt er ook alles voor terug. Hij geeft zich letterlijk met huid en haar, maar wil ons ook met huid en haar. Hij deinst er zelfs niet voor terug om zich helemaal van zijn majesteit te ontdoen, zichzelf helemaal leeg te scheppen om één van ons te worden, één vlees met ons te worden, zelfs.

Nou: prachtig toch? Wat willen we nog meer?

Met Jezus zijn er echter twee problemen:

Ten eerste zijn onooglijkheid. Wij mensen willen op het winnende team wedden. Wij willen een beetje glans en glamour. Wij hebben, met andere woorden ‘geen andere koning dan de keizer,’ namelijk de winnaars, het glanzende en het succesvolle. Wij willen cool zijn.

Waarom toch, God, die mottige timmerman die zich inlaat met sloebers, hoeren en belastingambtenaren en zich in een orgie van machteloosheid en smerigheid aan een kruis laat timmeren? ‘ziehier uw koning!’ Huh!?
Waarom geen ridder in een wit met gouden harnas die – rijdend op een gevleugeld ros – draken lek prikt?

Het tweede probleem is echter veel groter. Er is in de hele mensengeschiedenis nog nooit zo’n volslagen idiote morele leer verkondigd als die van Jezus. Wat Jezus van ons vraagt is niet alleen volslagen ondoenlijk, maar je moet je ook de vraag stellen of je het wel moet willen.

Deze taal stuit ons tegen de borst.

Jezus’ leer vloekt met ons gevoel voor eigenwaarde, onze overlevingsinstincten, ons gevoel voor rechtvaardigheid en ons gevoel voor logica.

Deze taal stuit ons tegen de borst.

‘Jullie hebben gehoord dat er gezegd werd: ‘Een oog voor een oog, een tand voor een tand.’ Maar Ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren. Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af.’

Een versleten tekst die we al duizend keer hebben gehoord? Lees hem maar eens tien keer over en kijk wat er nou echt staat, en je zult zien dat wat hier van je gevraagd wordt niet vanzelfsprekend, maar volslagen krankzinnig is.

Deze taal stuit ons tegen de borst.

“Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: ‘Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.’ Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel.”

Jezus drijft de spot met alles wat wij belangrijk en behaaglijk vinden.

Deze taal stuit ons tegen de borst.

De laatste halve eeuw hebben de “intelligentsia” hun uiterste best gedaan dit alles onschadelijk te maken door het neer te zetten als een geitenwollensokkenverhaal. De werkelijkheid is natuurlijk dat echt doen wat Jezus vraagt een fantastische heldenmoed vergt die nog niet één op de miljoen gegeven is.

Het Nijntje-gehalte van Jezus is nul.

Aan de andere kant wil dat niet zeggen dat we nu automatisch kunnen overstappen op “Jezus, de stoere en slimme held.” Als het iedereen zou lukken te doen wat Jezus vraagt zouden we in de hemel op aarde leven – tenminste gedurende de vijf minuten dat we nog niet zouden zijn bezet door vreemde mogendheden die zich aan Jezus niet storen.

Wat moeten we nu aan met deze lastige God van ons?

Laten we, om te beginnen, eens erkennen dat Gods bedoelingen ons ver boven de pet gaan. Onze logica kan zijn overwegingen niet bevatten. Daarom lijkt alles gekte wat Hij zegt en doet. ‘Gods wegen zijn mysterieus.’ Het is een platgetreden cliché. Iedereen roept het, niemand leeft er werkelijk naar. Laten we het nu eens niet alleen maar roepen, maar het ook eens serieus nemen. Sint-Paulus schreef het al: ‘Want de idioterie van God is wijzer dan de mensen en de zwakheid van God is sterker dan de mensen.’

Wat is hiervan nu het directe gevolg?
Christenen zijn altijd in gebreke, zelfs als ze in de ogen van een normale menselijke ethiek (‘fatsoen moet je doen’) volmaakte rechtvaardigen zijn.

Niets doen als ons kwaad wordt aangedaan? Zelfs de Kerk legt ons uit dat we soms niet anders kunnen dan terugschieten. Dat we bovendien verplicht zijn iets te doen als het recht wordt verkracht, ook als dat van ons geweld vereist. Dus halen we uit, als het moet.

…toch zullen we ons er nooit comfortabel bij voelen, omdat de schorre stem van onze kapotgeslagen God blijft jeuken in onze oren.

Niet alles weggeven? Dat is volmaakt te verdedigen, sterker nog, het wel doen zou voor de meesten van ons immoreel zijn (met de verantwoordelijkheid voor anderen die wij hebben).

…toch zullen we ons nooit comfortabel voelen bij protserige rijkdom, omdat de zeurende stem van onze straatarme God blijft jeuken in onze oren.

Eén van de dogma’s van het huidige politiek-correcte establishment is van een zekere meneer Feuerbach. Hij zei: “Niet God heeft de mens geschapen naar zijn evenbeeld, maar de mens heeft God geschapen naar zijn [gewenste] evenbeeld.”

Welke God?
In ieder geval niet die van ons! Die is niet gewenst. Hij is niet cool. Hij is veeleisend. Hij is dan ook niet reëel, Hij is de realiteit zelf. En Hij houdt van ons.

Naar wie zouden wij anders gaan?

De stem van de Heer scheurt het schors van de stammen…

 

Amos 7:12-15
Efeziërs 1:3-14
Marcus 6:7-13

Ik ben afgestudeerd op mystieke theologie.

Dat betekent dat ik nogal eens wat uit te leggen heb.

Mensen denken meestal dat ik me bezighoud met Mariaverschijningen en rondvliegende nonnen. Rondvliegende nonnen zijn echter maar een miniem onderdeeltje van het vakgebied, en Mariaverschijningen eigenlijk ook. Mystieke theologie gaat over hoe God zich aan de mens openbaart door middel van de ervaring.

Een groot probleem daarbij is dat wij voor onze ervaringen met God vaak maar moeilijk woorden kunnen vinden. God is ons een maatje te groot. God is een mysterie. Daarom lijkt de Bijbel zichzelf zo vaak tegen te spreken, en daarom beginnen we zo vaak te stamelen en te stotteren als we aan een ander proberen uit te leggen wat we met God hebben beleefd. In de lezingen van vandaag komen we bij uitstek zo’n tegenstelling tegen. Vandaag is de zondag van de schreeuwerige God.

Meestal loop ik mensen de hele dag te waarschuwen dat, als we God willen verstaan, we de stilte op moeten zoeken. Over het algemeen manifesteert Hij zich namelijk heel zachtjes en bescheiden, als een ondertoon, het suizen van een zachte bries. ‘Ik ben zachtmoedig en nederig van hart,’ zegt Jezus niet voor niets. God is stil, God is consequent (op zijn manier), God brengt orde, God brengt rust. Meestal is God het tegenovergestelde van lawaai. Maar er zijn uitzonderingen. Die uitzonderingen doen zich vooral voor wanneer God nieuw leven schept, en vervolgens eist dat wij daar ook verantwoordelijkheid voor nemen. Laten we eerst eens kijken naar de meest standaard manier waarop Hij dat doet:

Jonge mensen hebben zo hun manieren van doen. Eerst puberen ze, krijgen zo hun eerste liefdes, en uiteindelijk settelen ze zich en worden de helft van een stelletje. Laten we als voorbeeld ons stelletje …eeh… Hans en Grietje noemen (deze keer geen broer en zus, anders wordt het een slordig verhaal.) Hans en Grietje werken aan hun carrière, gaan uit, reizen, misschien trouwen ze ook nog (vooruit: ze zijn katholiek, dus ze trouwen.) Dit alles lukt ze allemaal tegelijk, terwijl ze ondertussen ook nog voortdurend op hun smartphone kijken. Het is een mirakel.

En dan komt het échte mirakel. Grietje voelt zich de laatste tijd ’s morgens een beetje misselijk, een beetje emotioneel ook, en het lijnen gaat ineens niet zo voorspoedig meer (niet in de laatste plaats omdat ze de hele dag zin heeft in chocoladeslagroombollen met ansjovis en loempiasaus). Negen maanden later ligt er een klein mensje in de wieg. Laten we het kleine mensje Truusje noemen. Truusje heeft kleine handjes, kleine beentjes, kleine oortjes, een klein neusje, kleine oogjes en…

…een enorme stem, een stem waar de bazuinen van het laatste oordeel nog iets van kunnen leren. Een gastoeter op speed waar de ramen van scheuren.

Stel je voor dat een apparaat plotseling zo’n lawaai zou maken: dan zouden we het het raam uitgooien. Gelukkig gooien Hans en Grietje Truusje niet het raam uit. Voor hen is Truusjes keiharde stem, die een mens door merg en been snijdt, de mooiste muziek ter wereld. Hun hele leven staat op zijn kop. Gisteren hadden ze het nog haast te druk om adem te halen met duizend en één belangrijke dingen. Ineens doen al die zogenaamd belangrijke dingen er niet meer toe en telt nog maar één ding. Hans en Grietje zijn namelijk geroepen. Ze zijn geroepen de vader en moeder van Truusje te zijn. Ze zijn geroepen de behoeders van nieuw leven te zijn. God heeft leven geschonken, en Hij doet het niet met stille trom.

Met nog meer geweld gaat Hij te werk wanneer Hij nieuw leven wil geven waar de dood is gaan heersen, waar geen vernieuwing en beweging meer is, omdat de mensen misbruik maken van het leven en dat wel best vinden zo.

Het verhaal van Amos uit de eerste lezing lijkt op dat van Hans en Grietje. Hij was rustig met zijn vijgen en zijn ossen bezig toen hij een stem hoorde waaraan hij niet kon weerstaan. Die stem was het leven zelf, en hij moest die stem doorgeven, die stem zijn eigen stem lenen. En dat was helemaal niet comfortabel. Die stem was namelijk helemaal geen lieflijke stem in de stilte, maar een rauwe aanklacht tegen alles wat de mensen belangrijk vonden. God was voor Amos als een baby die zijn sirene openzet: onmogelijk te negeren. Amos sprak: ‘De heer buldert vanuit Sion, vanuit Jeruzalem laat Hij zijn stem weerklinken. De weiden van de herders treuren, en de top van de Karmel verdort.’

Amos was geroepen om de verontwaardiging van God stem te geven, verontwaardiging over het egoïsme van het volk. De Israëlieten dachten dat ze het goed voor elkaar hadden. Ze boerden goed, ze aten en dronken goed, ze werden vet van het goede van het leven, voor hun gevoel was het zomer. Maar God wrijft ze onder de neus dat het een levenloze zomer is die ze genieten, een zomer van dorheid en dood, omdat ze de armen verdrukken, God vergeten en alleen met zichzelf bezig zijn. De Israëlieten leefden in een zomer die in werkelijkheid een bevroren vlakte was, smachtend naar nieuw leven, eerlijkheid, liefde. Amos was geroepen die valse zomer te ontmaskeren om een echte mogelijk te maken. Hij moest de mensen hun comfortabele illusie ontnemen. Niet om ze te kwellen, maar om een nieuw begin mogelijk te maken. En dat gaat met geweld gepaard. Psalm 29 zegt:

De stem van de HEER verbrijzelt de ceders,
de HEER verbrijzelt de ceders van de Libanon.
De stem van de HEER slaat in,
slaat in met vlammende schichten.
De stem van de HEER schudt de bomen,
scheurt de schors los van de stam.

De stem van de Heer schudt de keizer zijn nieuwe kleren van het lijf en toont hem dat hij in zijn blootje staat is, zou je kunnen zeggen.

Dat Amos deze boodschap brengt, wordt hem niet in dank afgenomen. Nota bene een priester zegt hem op te hoepelen met zijn lawaaierige boodschap. Maar Amos zegt dat hij simpelweg niet anders kan: hij is weggerukt van achter zijn ossen en vijgen door een kracht groter dan de zijne.

Welnu, wij christenen lijken bij uitstek op Amos. Ook wij hebben geen zin onze pleziertjes en onze agenda’s – met lucht overladen – achter ons te laten en ons bij een ander misschien onmogelijk of belachelijk te maken met een boodschap waar die ander misschien helemaal niet op zit te wachten.

Toch is dat wel wat Jezus van ons vraagt. Hij zegt:

Ik heb mijn majesteit achter mij gelaten, voor jou.
Ik ben in een ranzige stal geboren. Voor jou.
Ik heb mij aan het kruis laten spijkeren voor jou. Om jou uit de hopeloosheid te trekken waar jij jezelf en anderen elke dag weer in helpt. En nu vraag Ik van jou dat jij je dubbele hemd en je reiszak, je duizend belangrijke pleziertjes af en toe eens even laat voor wat ze zijn. Eerst om naar mij te luisteren. Daarna om mij te verkondigen.

Ook in een wereld die op mij niet zit te wachten. Amen.

Dagje Domie

Er was mij gevraagd om een dagje bij de protestanten te komen preken, eerst in de Nieuwe Kerk, daarna in de Martinikerk, beide in de stad. Dat vond ik wel leuk om een keertje te mogen doen. Ik geloof dat ze mij ook wel mochten. Hun preekstoel is trouwens een maatje groter dan die van mij.

Mijn verhaal is terug te lezen op de site van de Nieuwe Kerk in Groningen.

Eerste Zondagspreek: op wiens gezag?

Afgelopen zondag mocht ik mijn eerste zondagspreek houden in de Groninger kathedraal. Bij deze de tekst:

Deut. 18:15-20
1Kor.7:32-35
Mc.1:21-28

Mensen weten hoe langer hoe minder over religie, maar hebben er steeds onbeschaamder een mening over. We kennen het allemaal wel, het politiek correcte gezever op verjaardagspartijtjes.

  • Alle religies hebben evenveel wijsheid.
  • Protestant of katholiek: het maakt allemaal niks uit.
  • Je kunt ook wel geloven zonder de Kerk.

Ik ben dan altijd onmiddellijk geneigd om te zeggen: op wiens gezag? Wie zegt dat?

Net als de lezingen van vandaag. Die stellen de vraag: ‘Op wiens gezag?’

Wat is het toch met godsdienst? Als het om andere terreinen van het leven gaat eisen wij onverkort dat elke bewering wordt onderbouwd, het liefst met voetnoten. Als ik hier zou beweren dat je net zo goed benzine over je vanilleijs kunt gieten als bosbessensap, zou men mij voor gek verklaren, en terecht. Als ik beweer dat er op de heide in Odoorn leeuwen rondlopen die toeristen opvreten, zeggen jullie: ‘laat die dan eerst maar eens zien!’

Als het over religie gaat is het echter ineens een heel ander verhaal. Mensen die nog nooit een Koran in handen hebben gehad beweren met droge ogen dat de Islam de religie van de vrede is (of juist niet) en mensen die Jezus amper van een koelkast kunnen onderscheiden weten met net zulke droge ogen precies wat Hij wel of niet zou hebben goedgevonden.

Het klinkt meestal allemaal heel zoet en vredelievend, maar het is nergens op gebaseerd. Niet op studie. Niet op traditie. Niet op de ervaring van de gemeenschap. Helemaal nergens op. Drijfzand. Humbug.

Dit is waarom het boek Deuteronomium zo streng is tegen de valse profeten, mensen die over God spreken zonder dat het ergens op gebaseerd is. Valse profeten leren mensen te vertrouwen op een zelfgebakken God die niet bestaat, en bang te zijn voor een zelfgebakken God die niet bestaat. Tegelijk verduisteren ze de levende God die het bestaan schept en in stand houdt. Wie hen volgt gaat het schip in. En trouwens ook niet zomaar het schip in.

Want in tegenstelling tot wat de grachtengordel ons ongeveer dagelijks inpepert is je godsdienst van levensbelang. Godsdienst is zo ongeveer je meest wezenlijke taak in het leven na liefhebben en ademhalen. Daar kom je wel achter wanneer je met ouderdom, ziekte, dood of oorlog wordt geconfronteerd. En de meeste van die dingen kan niemand van ons ontlopen.

Als je dus straffe beweringen hoort doen over wie God is en wat Hij van je wil, wil je dus ook weten: op wiens gezag? Hoe betrouwbaar is dit?

Waarop moet gedegen kennis ten aanzien van God gebaseerd zijn? Op God zelf, zou je zeggen. Maar God is nogal bescheiden. Hoe kom ik erachter welke weg ik moet gaan? Naar wie moet ik luisteren?

‘Luister naar je hart, naar je eigen ervaring,’ roepen misschien de zwevers onder ons. ‘Maar,’ zegt dan een meisje van vijftien, ‘de jongen die vorige week nog mijn God en mijn alles was, vind ik deze week een puistenkop met een naar karakter.’

‘Luister naar je verstand,’ roepen de filosofen. Maar de God van de filosofen is een nogal abstracte, saaie figuur. Geen wonder ook eigenlijk: moet je een God willen aanbidden die klein genoeg is om in de anderhalve kilo grijze blubber te passen die je in je hoofd hebt?

‘De Bijbel is het enige antwoord,’ zegt het protestantisme. Dit was ook ongeveer de houding van de schriftgeleerden waar Jezus mee te maken kreeg. Maar de Bijbel is geen handleiding. Het is een kolossaal archief van al onze ervaringen met God, van onheuglijke tijden tot de eerste eeuw van onze jaartelling. Ook de vergissingen staan erin, en aan het begin van onze weg keken wij anders aan tegen wie God was dan aan het einde.

De God van Genesis is een andere dan die van Johannes. Daaruit volgt dat de Bijbel zichzelf voortdurend tegenspreekt. Ik ben er van overtuigd dat dat een geluk is. God heeft ons de Bijbel niet gegeven om Hem te vervangen. Hij is niet de God IKEA, die je naar huis stuurt met een plat pakket en een handleiding om de boel zelf verder in elkaar te schroeven. De Bijbel is één van de kostbaarste schatten van de Kerk, maar mag nooit verafgood worden, en nooit op eigen houtje met arrogantie worden geïnterpreteerd. De schriftgeleerden in de synagoge wisten alles van de Bijbel, maar konden het kwaad uit de bezetene niet verjagen. Jezus had daarvoor aan een enkel woord genoeg. Hij was immers niet als de schriftgeleerden, staat er, maar als iemand die gezag bezit. Dat is duidelijk niet hetzelfde…

Daarin zit ook gelijk de oplossing van ons probleem. Het antwoord is namelijk dat een mens er niet alleen voor hoeft te staan.

Vorige week lazen we al hoe Jezus zijn leerlingen riep en zo de Kerk stichtte. Op hun getuigenis, het getuigenis van de apostelen, mogen wij vertrouwen, en bij hun familie mogen wij horen.

De garantie daarvoor is de eenheid met hun opvolgers. Dat zijn ook maar mensen, die fouten maken, maar als geheel, als gemeenschap, kunnen zij niet falen. Op Petrus heeft de Heer zijn Kerk gebouwd, en tegelijk beloofd dat de poorten van de hel haar nooit zouden overweldigen.

Door de eenheid die wij op die manier vormen worden al onze ervaringen en inzichten gebundeld met die van de heiligen in de hemel. Samen vormen wij het Lichaam van Christus dat hemel en aarde omspant. Hij leeft in ons, want Hij schept ons elk moment van ons leven, en geeft ons zijn Woord en voedt ons met zijn eigen Lichaam en Bloed. Door Hem en met Hem en in Hem bezitten wij samen het gezag om de demonen van deze wereld te bevelen te verdwijnen. Als dat niet onmiddellijk lukt, komt dat omdat wij tegelijk maar onnozele mensen zijn, die onszelf tegenwerken. Toch wanhopen wij nooit, want langzamerhand komen wij, ook al is het niet altijd even elegant, steeds dichter bij ons doel: het Hart van de Heer die de Liefde zelf is, en voor wiens Licht en Warmte elke duisternis moet wijken. Op wiens gezag? Op zijn gezag. Amen

Fotoverslag diakenwijding op site broederschap

Er is ondertussen hier een fotoverslag te vinden op de site van de Mariabroederschap.

Foutieve datum Lof!

In het Katholiek Nieuwsblad van deze week staat aangekondigd dat er op zondag 18 januari in Warfhuizen een plechtig Lof is ter ere van Gerlachus en Antonius. Dat moet zijn: 25 januari. Het is verschoven in verband met de diakenwijding van broeder Hugo.

Kerstoverweging broeder Hugo 2014

Wij christenen van de oude Kerk, de Grieken zowel als de Latijnen noemen Maria, de moeder van God, ook wel de morgenster.

Als je niet hebt kunnen slapen, koorts had of nare dromen; als je zwetend hebt liggen draaien en de godganse nacht door het huis hebt lopen spoken; als je de avond tevoren een feestje had en je slaapkamer wilde maar niet ophouden met draaien en je eindigde met je hoofd in de WC, als zorgen en angsten je al die donkere uren hebben liggen klieren, dan is daar ineens aan de oostelijke horizon die ene hele heldere ster. Niet alleen troost de aanblik daarvan al alleen door haar schoonheid, maar bovendien weet je dat die ster altijd direct gevolgd wordt door de zon, de ochtend, de bevrijding. In sommige van de hier aangehaalde gevallen gaat die gepaard met koppijn, maar zelfs dan is dat altijd nog minder erg dan een misselijke nacht.

Maria wijst de Weg, is de bron die het Leven baart, zij is de oorzaak van onze Blijdschap, de poort van de Hemel, de morgenster. Als zij zich vertoont is de verlossing nabij.

Christus moeten wij navolgen, maar dat kunnen wij eigenlijk niet fatsoenlijk. Wij zijn van nature geen goden, maar arme, zwakke mensen. Wij kunnen niet Christus zijn zoals Christus Christus was. Maar misschien kunnen wij wel Christus voortbrengen zoals Maria dat deed. Maria was immers ook maar een mens zoals wij het zijn. Eigenlijk zijn wij allemaal geroepen om Maria’s te zijn. En hoe dan?

Toen de engel aan Maria verscheen om haar de geboorte van Jezus aan te kondigen zei zij: ‘Mij geschiede naar uw woord.’ Zij stribbelde niet tegen, wierp geen tegenwerpingen op, natuurlijk was zij bang, maar – zo jong als ze was – toch ook moedig genoeg om zich over te geven. Want soms is het moediger om je over te geven dan om je te verzetten. Wanneer in ons het idee opkomt om eens een ander te helpen, iets van onszelf weg te geven, eens een handje toe te steken, laten we ons zo vaak tegenhouden door een bang stemmetje dat in ons roept ‘jamaar!’ ‘Jamaar!’

Stel je voor dat Maria tegen Gabriël had gezegd: ‘scheer je weg, enge man, of ik bel de politie!’ of zelfs alleen maar ‘jamaar!’ dan waren wij allen hier aanwezig ongelooflijk de klos geweest.

Sinds in de jaren zestig onze westerse wereld haar ziel heeft losgelaten, is verzet per definitie beter dan overgave. We moeten overal een kritische mening over hebben, ook over zaken waar we helemaal geen verstand van hebben. We moeten niet alleen onszelf, maar ook onze medemens, voortdurend beoordelen en met rapportcijfers beplakken. Daarbij geldt een ijzeren politieke correctheid die zegt dat alles wat je gezond verstand zegt per definitie verkeerd is. Als je daarin niet gelooft ben je achterlijk en heb je geen recht op je eigen mening. Deze vreemde wetten dreigen ons langzamerhand immuun te maken voor elke vorm van ontroering. Ontroering vraagt namelijk om overgave en die is onmogelijk als je overal gelijk een oordeel over klaar hebt.

Toen de herders het pasgeboren Kind verheerlijkten, bewaarde Maria al deze dingen in haar hart, en bleef erover nadenken. Naarmate Jezus ouder werd, begon het haar duidelijker te worden dat zijn leven zeker niet alleen maar over rozen zou gaan. Toch raakte zij niet in paniek, maar bewaarde alles in haar hart. Kijk maar naar het genadebeeld van Onze Lieve Vrouw hier in Warfhuizen: haar hart steekt vol zwaarden, maar het is ook omkranst met rozen. Alles wordt erin bewaard. Het heeft aandacht. Het neemt de tijd. Het is geduldig. Zo kon zij de moed opbrengen om uiteindelijk onder het kruis te blijven staan waaraan haar Kind te sterven hing. Daar schonk Hij haar aan de wereld. “Moeder, daar is je zoon,” zei Hij tegen haar, “Moeder, daar zijn je kinderen.” Haar doorstoken hart is een beeld van al onze harten. We kunnen het voor die zwaarden niet behoeden, maar als we er goed op passen zullen wij – mede door die wonden – wijze oude mensen worden, mensen die zijn als kinderen, met een meer en meer open blik, met meer en meer geduld en verdraagzaamheid, met meer en meer verwondering over vooral kleine dingen die jongere mensen niet waarderen omdat ze teveel haast hebben, te snel oordelen en voortdurend overal kritisch over moeten zijn.

Als we oud en nieuw bewaren in ons hart, de moed hebben om niet gelijk te oordelen maar halt te houden voor het mysterie van elkaar, als we de moed hebben de Liefde in ons te laten nestelen zullen wij allen voor elkaar moeders van God worden. Als dan iemand wanhopig zijn toevlucht tot ons komt nemen, zullen wij niet met lege handen staan, maar een stralend Kind van troost, bemoediging, opluchting en nieuw leven kunnen schenken. En net zoals Maria kunnen wij dan zeggen: “Doe maar wat Hij je zeggen zal.” Amen.

Diakenwijding

Ik kan het nu dan toch bevestigen: ik zal binnenkort – op verzoek van de oudvader van het heremietenverband van Frauenbründl – gewijd worden tot transeunt diaken van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Ik hoef er waarschijnlijk niet bij te vermelden hoe gelukkig ik daarmee ben. De wijding zal plaatsvinden in de Sint Jozefkathedraal in Groningen op vrijdag 23 januari 2015 om 19.00, en toegediend worden door Mgr. de Korte, bisschop van Groningen-Leeuwarden.

Om misverstanden te voorkomen: ik word diaken (en uiteindelijk Deo volente priester) van het bisdom, maar geen pastoor of kapelaan. Ik blijf dus gewoon kluizenaar in Warfhuizen.

Bij deze wil ik iedereen die dit feest met mij wil meevieren van harte uitnodigen om bij de wijding aanwezig te zijn (Officiële uitnodigingen zullen niet worden verstuurd.)

Biechtstoel

Al sinds 2006 waren er – steeds wisselende – plannen om in de kluiskapel een biechtstoel te plaatsen. Is dat nodig, tegenwoordig? Ja, dat is gelukkig weer nodig, tegenwoordig.

Telkens als er groepen met een priester waren moest er buiten worden biechtgehoord, en dat was met vies weer geen pretje. De akoestiek van de kapel is echter dusdanig dat er geen enkele hoek te vinden is waar niet elk woord in het hele gebouw letterlijk te verstaan is (en met een beetje mazzel ook nog buiten op straat). Dat dat rare taferelen kan geven bij het biechten, spreekt vanzelf.

Een biechtstoel is echter geen sinecure, ten eerste omdat ze er bij de HEMA of de V&D geen verkopen, en zelfs bij de IKEA was mijn zoektocht vergeefs, zelfs als ik zocht op ‘Bichtstøl’ of Könfessiønell. Daarbij zijn die krengen over het algemeen GROOT. En de kapel van het lieve vrouwke van Warfhuizen is klein. En VOL. Er sluiten weliswaar de nodige kerken, maar de meeste biechtstoelen die we kregen aangeboden hadden het formaat van een kleine bungalow.

Zodoende waren er sinds 2006 steeds weer nieuwe plannen, tot en met een biechtstoel buiten, geïntegreerd met een nieuwe schuur voor de grasmaaier en de brommer. Uiteindelijk was het allemaal niet nodig. In Waspik-boven, in Noord-Brabant, moest de kerk worden gesloten, en zocht men nog een goede bestemming voor… biechtstoelen. Hele kleintjes. Van twee met open zijkanten kon er één helemaal dichte worden gemaakt.

Dat is gebeurd bij de familie Meijer in Valthermond, die de nieuwe biechtstoel op een zaterdag in augustus hebben geïnstalleerd. Nu is ook de elektriciteit en de beglazing klaar, zodat er tijdens het volgende bedevaartseizoen gebruik van kan worden gemaakt.

 

 

Warfhuizen Beiers !?

Kluizenaars zijn mensen. Als je in ze knijpt zeggen ze ‘au,’ als je ze volgiet met cola beginnen ze te boeren, en ook kunnen ze – net als ieder ander mens – van de brommer worden gereden of ziek worden. Normaal is dat geen probleem: de betreffende kluis wordt opgeheven en verkocht of afgebroken. In Warfhuizen gaat het echter ondertussen al lang niet meer alleen om een kluis, maar ook om het enige functionerende Mariaheiligdom in de wijde omtrek. Daarom begon het zo langzamerhand verstandig te worden na te denken over de continuïteit van kerk en kluis in Warfhuizen. Wie zorgt ervoor dat het doorgaat? Kluizenaars zijn immers maar zelden in de aanbieding bij de V&D, en ook groeien ze niet aan pruimenbomen. Nu functioneert de Groninger Kerk waarschijnlijk ook zonder Mariakapel waarschijnlijk wel gewoon door, maar gezelliger wordt het er natuurlijk niet op…

Hierop hebben wij het volgende gevonden! Warfhuizen wordt Beiers!

Nou ja… een beetje toch.

In Beieren bestaan al sinds de contrareformatie, zeg maar de zestiende eeuw, zogenaamde ‘Eremitenverbrüderungen,’ gezelschappen van kluizenaars. Die functioneerden oorspronkelijk als een soort van congregaties en tegelijk als vakbond (‘Eremitenberufsverein’) en woningbouwvereniging (funda.nl maar dan anders) voor kluizenaars. Deze gezelschappen waren meestal georganiseerd per bisdom, en hadden aan het hoofd een ‘oudvader’ die als abt fungeerde. Hij woonde in het moederhuis, waar ook de kapittels werden gehouden en de novicen werden opgeleid. Zo ontstond bijvoorbeeld voor het bisdom Regensburg het heremietenverband van Frauenbründl, genoemd naar de kluis en bedevaartplaats bij Bad Abbach die het moederhuis was. Na het Tweede Vaticaanse Concilie vielen de kluizenaars direct onder de plaatselijke bisschop, en waren de heremietenverbanden dus – strikt gesproken – niet meer nodig. In de praktijk bleef ondersteuning echter toch noodzakelijk, en de meeste heremietenverbanden werden dus niet opgeheven maar omgevormd. Zo ook dat van Frauenbründl (in 1992). Het is geen congregatie meer, maar de ‘vakbondsfunctie’ en de ‘woningbouwfunctie’ (welke kluizenaar in welke kluis?) zijn nog net zo actueel als vroeger. De oudvader heeft niet meer de rol van overste, maar – veel belangrijker – de rol van spiritueel leider. Zijn gezag is eerder vergroot dan verkleind, zij het ook van een totaal andere aard.

Welnu: De kluis van Warfhuizen maakt sinds de afgelopen zomer deel uit van dit heremietenverband, ook al ligt hij duizend kilometer van Regensburg en is hij ongeveer net zo Beiers als een poffert. Het was in theorie al mogelijk geworden om kluizen buiten de bisdomgrenzen van Regensburg op te nemen sinds de laatste hervorming, maar hier was nog nooit gebruik van gemaakt. Dat Warfhuizen het eerste aan de beurt is, is te danken aan de goedheid van de oudvader en de andere heremieten van het verband van Frauenbründl. Zij beseffen dat een kluis in de diaspora extra kwetsbaar is, en willen een bijdrage leveren om het kluizenaarsleven en de devotie voor de Moeder Gods in het noorden te ondersteunen.

Moeten we nu kerk en kluis van Warfhuizen als een soort Beierse enclave in het bisdom beschouwen?

Ja en nee.

Nee: broeder Hugo blijft gewoon kluizenaar van het bisdom Groningen, onder het gezag van de bisschop en in zijn handen geprofest. Ook aan de jurisdictie over de kerk verandert helemaal niets.

Ja: De oudvader en de andere kluizenaars van Frauenbründl hebben de heremiet van Warfhuizen als een van hen aanvaard, en kluis en heiligdom zullen hun een zorg zijn. Dat wil zeggen dat een Groninger bisschop die ooit eens met een lege kluis van Warfhuizen komt te zitten er niet meer alleen voor staat. Bisschoppen zijn immers geen contemplatieven, laat staan oudvaders. Het zou oneerlijk zijn een bisschop op te zadelen met de taak een kluis bezet te krijgen met de juiste kluisbroeder.

Hoe dit alles in de praktijk uit zal pakken zullen we hopelijk nog een hele tijd niet weten. Maar het is voor iedereen een fijne gedachte dat erover nagedacht is.