Geruis uit de Kluis

Eerste Zondagspreek: op wiens gezag?

Afgelopen zondag mocht ik mijn eerste zondagspreek houden in de Groninger kathedraal. Bij deze de tekst:

Deut. 18:15-20
1Kor.7:32-35
Mc.1:21-28

Mensen weten hoe langer hoe minder over religie, maar hebben er steeds onbeschaamder een mening over. We kennen het allemaal wel, het politiek correcte gezever op verjaardagspartijtjes.

  • Alle religies hebben evenveel wijsheid.
  • Protestant of katholiek: het maakt allemaal niks uit.
  • Je kunt ook wel geloven zonder de Kerk.

Ik ben dan altijd onmiddellijk geneigd om te zeggen: op wiens gezag? Wie zegt dat?

Net als de lezingen van vandaag. Die stellen de vraag: ‘Op wiens gezag?’

Wat is het toch met godsdienst? Als het om andere terreinen van het leven gaat eisen wij onverkort dat elke bewering wordt onderbouwd, het liefst met voetnoten. Als ik hier zou beweren dat je net zo goed benzine over je vanilleijs kunt gieten als bosbessensap, zou men mij voor gek verklaren, en terecht. Als ik beweer dat er op de heide in Odoorn leeuwen rondlopen die toeristen opvreten, zeggen jullie: ‘laat die dan eerst maar eens zien!’

Als het over religie gaat is het echter ineens een heel ander verhaal. Mensen die nog nooit een Koran in handen hebben gehad beweren met droge ogen dat de Islam de religie van de vrede is (of juist niet) en mensen die Jezus amper van een koelkast kunnen onderscheiden weten met net zulke droge ogen precies wat Hij wel of niet zou hebben goedgevonden.

Het klinkt meestal allemaal heel zoet en vredelievend, maar het is nergens op gebaseerd. Niet op studie. Niet op traditie. Niet op de ervaring van de gemeenschap. Helemaal nergens op. Drijfzand. Humbug.

Dit is waarom het boek Deuteronomium zo streng is tegen de valse profeten, mensen die over God spreken zonder dat het ergens op gebaseerd is. Valse profeten leren mensen te vertrouwen op een zelfgebakken God die niet bestaat, en bang te zijn voor een zelfgebakken God die niet bestaat. Tegelijk verduisteren ze de levende God die het bestaan schept en in stand houdt. Wie hen volgt gaat het schip in. En trouwens ook niet zomaar het schip in.

Want in tegenstelling tot wat de grachtengordel ons ongeveer dagelijks inpepert is je godsdienst van levensbelang. Godsdienst is zo ongeveer je meest wezenlijke taak in het leven na liefhebben en ademhalen. Daar kom je wel achter wanneer je met ouderdom, ziekte, dood of oorlog wordt geconfronteerd. En de meeste van die dingen kan niemand van ons ontlopen.

Als je dus straffe beweringen hoort doen over wie God is en wat Hij van je wil, wil je dus ook weten: op wiens gezag? Hoe betrouwbaar is dit?

Waarop moet gedegen kennis ten aanzien van God gebaseerd zijn? Op God zelf, zou je zeggen. Maar God is nogal bescheiden. Hoe kom ik erachter welke weg ik moet gaan? Naar wie moet ik luisteren?

‘Luister naar je hart, naar je eigen ervaring,’ roepen misschien de zwevers onder ons. ‘Maar,’ zegt dan een meisje van vijftien, ‘de jongen die vorige week nog mijn God en mijn alles was, vind ik deze week een puistenkop met een naar karakter.’

‘Luister naar je verstand,’ roepen de filosofen. Maar de God van de filosofen is een nogal abstracte, saaie figuur. Geen wonder ook eigenlijk: moet je een God willen aanbidden die klein genoeg is om in de anderhalve kilo grijze blubber te passen die je in je hoofd hebt?

‘De Bijbel is het enige antwoord,’ zegt het protestantisme. Dit was ook ongeveer de houding van de schriftgeleerden waar Jezus mee te maken kreeg. Maar de Bijbel is geen handleiding. Het is een kolossaal archief van al onze ervaringen met God, van onheuglijke tijden tot de eerste eeuw van onze jaartelling. Ook de vergissingen staan erin, en aan het begin van onze weg keken wij anders aan tegen wie God was dan aan het einde.

De God van Genesis is een andere dan die van Johannes. Daaruit volgt dat de Bijbel zichzelf voortdurend tegenspreekt. Ik ben er van overtuigd dat dat een geluk is. God heeft ons de Bijbel niet gegeven om Hem te vervangen. Hij is niet de God IKEA, die je naar huis stuurt met een plat pakket en een handleiding om de boel zelf verder in elkaar te schroeven. De Bijbel is één van de kostbaarste schatten van de Kerk, maar mag nooit verafgood worden, en nooit op eigen houtje met arrogantie worden geïnterpreteerd. De schriftgeleerden in de synagoge wisten alles van de Bijbel, maar konden het kwaad uit de bezetene niet verjagen. Jezus had daarvoor aan een enkel woord genoeg. Hij was immers niet als de schriftgeleerden, staat er, maar als iemand die gezag bezit. Dat is duidelijk niet hetzelfde…

Daarin zit ook gelijk de oplossing van ons probleem. Het antwoord is namelijk dat een mens er niet alleen voor hoeft te staan.

Vorige week lazen we al hoe Jezus zijn leerlingen riep en zo de Kerk stichtte. Op hun getuigenis, het getuigenis van de apostelen, mogen wij vertrouwen, en bij hun familie mogen wij horen.

De garantie daarvoor is de eenheid met hun opvolgers. Dat zijn ook maar mensen, die fouten maken, maar als geheel, als gemeenschap, kunnen zij niet falen. Op Petrus heeft de Heer zijn Kerk gebouwd, en tegelijk beloofd dat de poorten van de hel haar nooit zouden overweldigen.

Door de eenheid die wij op die manier vormen worden al onze ervaringen en inzichten gebundeld met die van de heiligen in de hemel. Samen vormen wij het Lichaam van Christus dat hemel en aarde omspant. Hij leeft in ons, want Hij schept ons elk moment van ons leven, en geeft ons zijn Woord en voedt ons met zijn eigen Lichaam en Bloed. Door Hem en met Hem en in Hem bezitten wij samen het gezag om de demonen van deze wereld te bevelen te verdwijnen. Als dat niet onmiddellijk lukt, komt dat omdat wij tegelijk maar onnozele mensen zijn, die onszelf tegenwerken. Toch wanhopen wij nooit, want langzamerhand komen wij, ook al is het niet altijd even elegant, steeds dichter bij ons doel: het Hart van de Heer die de Liefde zelf is, en voor wiens Licht en Warmte elke duisternis moet wijken. Op wiens gezag? Op zijn gezag. Amen

Fotoverslag diakenwijding op site broederschap

Er is ondertussen hier een fotoverslag te vinden op de site van de Mariabroederschap.

Foutieve datum Lof!

In het Katholiek Nieuwsblad van deze week staat aangekondigd dat er op zondag 18 januari in Warfhuizen een plechtig Lof is ter ere van Gerlachus en Antonius. Dat moet zijn: 25 januari. Het is verschoven in verband met de diakenwijding van broeder Hugo.

Kerstoverweging broeder Hugo 2014

Wij christenen van de oude Kerk, de Grieken zowel als de Latijnen noemen Maria, de moeder van God, ook wel de morgenster.

Als je niet hebt kunnen slapen, koorts had of nare dromen; als je zwetend hebt liggen draaien en de godganse nacht door het huis hebt lopen spoken; als je de avond tevoren een feestje had en je slaapkamer wilde maar niet ophouden met draaien en je eindigde met je hoofd in de WC, als zorgen en angsten je al die donkere uren hebben liggen klieren, dan is daar ineens aan de oostelijke horizon die ene hele heldere ster. Niet alleen troost de aanblik daarvan al alleen door haar schoonheid, maar bovendien weet je dat die ster altijd direct gevolgd wordt door de zon, de ochtend, de bevrijding. In sommige van de hier aangehaalde gevallen gaat die gepaard met koppijn, maar zelfs dan is dat altijd nog minder erg dan een misselijke nacht.

Maria wijst de Weg, is de bron die het Leven baart, zij is de oorzaak van onze Blijdschap, de poort van de Hemel, de morgenster. Als zij zich vertoont is de verlossing nabij.

Christus moeten wij navolgen, maar dat kunnen wij eigenlijk niet fatsoenlijk. Wij zijn van nature geen goden, maar arme, zwakke mensen. Wij kunnen niet Christus zijn zoals Christus Christus was. Maar misschien kunnen wij wel Christus voortbrengen zoals Maria dat deed. Maria was immers ook maar een mens zoals wij het zijn. Eigenlijk zijn wij allemaal geroepen om Maria’s te zijn. En hoe dan?

Toen de engel aan Maria verscheen om haar de geboorte van Jezus aan te kondigen zei zij: ‘Mij geschiede naar uw woord.’ Zij stribbelde niet tegen, wierp geen tegenwerpingen op, natuurlijk was zij bang, maar – zo jong als ze was – toch ook moedig genoeg om zich over te geven. Want soms is het moediger om je over te geven dan om je te verzetten. Wanneer in ons het idee opkomt om eens een ander te helpen, iets van onszelf weg te geven, eens een handje toe te steken, laten we ons zo vaak tegenhouden door een bang stemmetje dat in ons roept ‘jamaar!’ ‘Jamaar!’

Stel je voor dat Maria tegen Gabriël had gezegd: ‘scheer je weg, enge man, of ik bel de politie!’ of zelfs alleen maar ‘jamaar!’ dan waren wij allen hier aanwezig ongelooflijk de klos geweest.

Sinds in de jaren zestig onze westerse wereld haar ziel heeft losgelaten, is verzet per definitie beter dan overgave. We moeten overal een kritische mening over hebben, ook over zaken waar we helemaal geen verstand van hebben. We moeten niet alleen onszelf, maar ook onze medemens, voortdurend beoordelen en met rapportcijfers beplakken. Daarbij geldt een ijzeren politieke correctheid die zegt dat alles wat je gezond verstand zegt per definitie verkeerd is. Als je daarin niet gelooft ben je achterlijk en heb je geen recht op je eigen mening. Deze vreemde wetten dreigen ons langzamerhand immuun te maken voor elke vorm van ontroering. Ontroering vraagt namelijk om overgave en die is onmogelijk als je overal gelijk een oordeel over klaar hebt.

Toen de herders het pasgeboren Kind verheerlijkten, bewaarde Maria al deze dingen in haar hart, en bleef erover nadenken. Naarmate Jezus ouder werd, begon het haar duidelijker te worden dat zijn leven zeker niet alleen maar over rozen zou gaan. Toch raakte zij niet in paniek, maar bewaarde alles in haar hart. Kijk maar naar het genadebeeld van Onze Lieve Vrouw hier in Warfhuizen: haar hart steekt vol zwaarden, maar het is ook omkranst met rozen. Alles wordt erin bewaard. Het heeft aandacht. Het neemt de tijd. Het is geduldig. Zo kon zij de moed opbrengen om uiteindelijk onder het kruis te blijven staan waaraan haar Kind te sterven hing. Daar schonk Hij haar aan de wereld. “Moeder, daar is je zoon,” zei Hij tegen haar, “Moeder, daar zijn je kinderen.” Haar doorstoken hart is een beeld van al onze harten. We kunnen het voor die zwaarden niet behoeden, maar als we er goed op passen zullen wij – mede door die wonden – wijze oude mensen worden, mensen die zijn als kinderen, met een meer en meer open blik, met meer en meer geduld en verdraagzaamheid, met meer en meer verwondering over vooral kleine dingen die jongere mensen niet waarderen omdat ze teveel haast hebben, te snel oordelen en voortdurend overal kritisch over moeten zijn.

Als we oud en nieuw bewaren in ons hart, de moed hebben om niet gelijk te oordelen maar halt te houden voor het mysterie van elkaar, als we de moed hebben de Liefde in ons te laten nestelen zullen wij allen voor elkaar moeders van God worden. Als dan iemand wanhopig zijn toevlucht tot ons komt nemen, zullen wij niet met lege handen staan, maar een stralend Kind van troost, bemoediging, opluchting en nieuw leven kunnen schenken. En net zoals Maria kunnen wij dan zeggen: “Doe maar wat Hij je zeggen zal.” Amen.

Diakenwijding

Ik kan het nu dan toch bevestigen: ik zal binnenkort – op verzoek van de oudvader van het heremietenverband van Frauenbründl – gewijd worden tot transeunt diaken van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Ik hoef er waarschijnlijk niet bij te vermelden hoe gelukkig ik daarmee ben. De wijding zal plaatsvinden in de Sint Jozefkathedraal in Groningen op vrijdag 23 januari 2015 om 19.00, en toegediend worden door Mgr. de Korte, bisschop van Groningen-Leeuwarden.

Om misverstanden te voorkomen: ik word diaken (en uiteindelijk Deo volente priester) van het bisdom, maar geen pastoor of kapelaan. Ik blijf dus gewoon kluizenaar in Warfhuizen.

Bij deze wil ik iedereen die dit feest met mij wil meevieren van harte uitnodigen om bij de wijding aanwezig te zijn (Officiële uitnodigingen zullen niet worden verstuurd.)

Images Religieuses 2: Ecce Mater Tua!

Tijdens het opruimen van de bibliotheek vond ik een boekje met gravures waaraan ik erg gehecht ben. Ik laat ze zien en laat mijn associaties de vrije loop.

Onder de vorige gravure – waarop Jezus stond als Man van smarten – stond: ‘Ecce Regem vestrum.’ Onder deze  ‘Mater dolorosa,’ (‘droeve moeder’) had kunnen staan: ‘Ecce Mater tua!’ “Zie hier, je moeder!”

Dit thema behandelen is in Warfhuizen zoiets als een open deur intrappen. Toch is het niet zo simpel. Nog regelmatig ontmoet ik aan het clausuurhek protestantse christenen die zeggen: “we hebben de Zoon toch al, waarom hebben we die moeder dan nodig?” Ik ben dan altijd geneigd te zeggen: “als we de moeder niet nodig hebben, waarom heeft de Zoon ons haar dan gegeven?”

De Evangelies lopen niet over van onnodige details. Het zijn eigenlijk nogal kale verslagen. Alles wat erin staat heeft een functie. Zo staat er bijvoorbeeld niet in wat Jezus’ lievelingseten was, maar ook niet hoe Hij eruit zag. Er staat niet in hoe vaak Hij zijn haar liet knippen en bij welke Vietnamees Hij zijn loempia’s kocht. Er staat alleen in wat er écht in moet staan. Dat wat niet gemist kan worden.

Zo staat er bijvoorbeeld in dat Jezus zijn eigen moeder als moeder aan de geliefde leerling geeft, en hem aan haar als zoon. Waarom? Als daar niets méér bedoeld werd dan dat Jezus zijn moeder graag goed verzorgd wilde zien, zou het wel zijn weggelaten. Aan privé-regelingen doen de Evangelieën immers niet.

Zoals Jezus de Eucharistie niet instelde voor de apostelen alleen, zo gaf Hij zijn moeder ook niet alleen aan Johannes, maar aan de hele Kerk.

Op het kruis gaf Jezus de Geest, zoals er staat geschreven. Hij goot zich letterlijk helemaal uit, en op de aarde die het water en bloed uit zijn zijde ontving ontsproot even later de Kerk.

Maria’s leven vertelt ons bij uitstek wat die Kerk eigenlijk is. Zij smeekte – ‘er is geen wijn  meer!’ (met andere woorden: er is geen leven, blijdschap en licht meer. Zo gaf zij stem aan de dorst van de mensheid naar Gods Liefde. Dat doet ook de Kerk). Zij ontving met vreugde Gods aanwezigheid in haar diepste binnenste en verheerlijkte Hem (‘Hoog verheft nu mijn ziel de Heer!’) Zo doet ook de Kerk. Maria leert ons hoe te handelen en verwijst daarbij naar haar Zoon (‘Doe maar wat Hij je zeggen zal’). Zij bewaarde alles in haar hart, bleef trouw tot onder het kruis, en de apostelen waren met haar verzameld toen zij de Heilige Geest ontvingen. Ook de Kerk bewaart in haar hart het geloofsgoed en spreekt toch steeds weer nieuwe woorden daarover, bevrucht door de Geest. Zo maakt zij alle gelovigen steeds weer tot ‘moeders van God,’ doordat zij Christus een gelaat geven op aarde. En handen. En voeten. En een stem.

Later nog veel meer over Maria. Over Maria zeggen wij immers niet voor niets: ‘De Maria numquam satis,’ oftewel: ‘Nooit zijn wij Maria zat!’

 

 

 

 

Biechtstoel

Al sinds 2006 waren er – steeds wisselende – plannen om in de kluiskapel een biechtstoel te plaatsen. Is dat nodig, tegenwoordig? Ja, dat is gelukkig weer nodig, tegenwoordig.

Telkens als er groepen met een priester waren moest er buiten worden biechtgehoord, en dat was met vies weer geen pretje. De akoestiek van de kapel is echter dusdanig dat er geen enkele hoek te vinden is waar niet elk woord in het hele gebouw letterlijk te verstaan is (en met een beetje mazzel ook nog buiten op straat). Dat dat rare taferelen kan geven bij het biechten, spreekt vanzelf.

Een biechtstoel is echter geen sinecure, ten eerste omdat ze er bij de HEMA of de V&D geen verkopen, en zelfs bij de IKEA was mijn zoektocht vergeefs, zelfs als ik zocht op ‘Bichtstøl’ of Könfessiønell. Daarbij zijn die krengen over het algemeen GROOT. En de kapel van het lieve vrouwke van Warfhuizen is klein. En VOL. Er sluiten weliswaar de nodige kerken, maar de meeste biechtstoelen die we kregen aangeboden hadden het formaat van een kleine bungalow.

Zodoende waren er sinds 2006 steeds weer nieuwe plannen, tot en met een biechtstoel buiten, geïntegreerd met een nieuwe schuur voor de grasmaaier en de brommer. Uiteindelijk was het allemaal niet nodig. In Waspik-boven, in Noord-Brabant, moest de kerk worden gesloten, en zocht men nog een goede bestemming voor… biechtstoelen. Hele kleintjes. Van twee met open zijkanten kon er één helemaal dichte worden gemaakt.

Dat is gebeurd bij de familie Meijer in Valthermond, die de nieuwe biechtstoel op een zaterdag in augustus hebben geïnstalleerd. Nu is ook de elektriciteit en de beglazing klaar, zodat er tijdens het volgende bedevaartseizoen gebruik van kan worden gemaakt.

 

 

Warfhuizen Beiers !?

Kluizenaars zijn mensen. Als je in ze knijpt zeggen ze ‘au,’ als je ze volgiet met cola beginnen ze te boeren, en ook kunnen ze – net als ieder ander mens – van de brommer worden gereden of ziek worden. Normaal is dat geen probleem: de betreffende kluis wordt opgeheven en verkocht of afgebroken. In Warfhuizen gaat het echter ondertussen al lang niet meer alleen om een kluis, maar ook om het enige functionerende Mariaheiligdom in de wijde omtrek. Daarom begon het zo langzamerhand verstandig te worden na te denken over de continuïteit van kerk en kluis in Warfhuizen. Wie zorgt ervoor dat het doorgaat? Kluizenaars zijn immers maar zelden in de aanbieding bij de V&D, en ook groeien ze niet aan pruimenbomen. Nu functioneert de Groninger Kerk waarschijnlijk ook zonder Mariakapel waarschijnlijk wel gewoon door, maar gezelliger wordt het er natuurlijk niet op…

Hierop hebben wij het volgende gevonden! Warfhuizen wordt Beiers!

Nou ja… een beetje toch.

In Beieren bestaan al sinds de contrareformatie, zeg maar de zestiende eeuw, zogenaamde ‘Eremitenverbrüderungen,’ gezelschappen van kluizenaars. Die functioneerden oorspronkelijk als een soort van congregaties en tegelijk als vakbond (‘Eremitenberufsverein’) en woningbouwvereniging (funda.nl maar dan anders) voor kluizenaars. Deze gezelschappen waren meestal georganiseerd per bisdom, en hadden aan het hoofd een ‘oudvader’ die als abt fungeerde. Hij woonde in het moederhuis, waar ook de kapittels werden gehouden en de novicen werden opgeleid. Zo ontstond bijvoorbeeld voor het bisdom Regensburg het heremietenverband van Frauenbründl, genoemd naar de kluis en bedevaartplaats bij Bad Abbach die het moederhuis was. Na het Tweede Vaticaanse Concilie vielen de kluizenaars direct onder de plaatselijke bisschop, en waren de heremietenverbanden dus – strikt gesproken – niet meer nodig. In de praktijk bleef ondersteuning echter toch noodzakelijk, en de meeste heremietenverbanden werden dus niet opgeheven maar omgevormd. Zo ook dat van Frauenbründl (in 1992). Het is geen congregatie meer, maar de ‘vakbondsfunctie’ en de ‘woningbouwfunctie’ (welke kluizenaar in welke kluis?) zijn nog net zo actueel als vroeger. De oudvader heeft niet meer de rol van overste, maar – veel belangrijker – de rol van spiritueel leider. Zijn gezag is eerder vergroot dan verkleind, zij het ook van een totaal andere aard.

Welnu: De kluis van Warfhuizen maakt sinds de afgelopen zomer deel uit van dit heremietenverband, ook al ligt hij duizend kilometer van Regensburg en is hij ongeveer net zo Beiers als een poffert. Het was in theorie al mogelijk geworden om kluizen buiten de bisdomgrenzen van Regensburg op te nemen sinds de laatste hervorming, maar hier was nog nooit gebruik van gemaakt. Dat Warfhuizen het eerste aan de beurt is, is te danken aan de goedheid van de oudvader en de andere heremieten van het verband van Frauenbründl. Zij beseffen dat een kluis in de diaspora extra kwetsbaar is, en willen een bijdrage leveren om het kluizenaarsleven en de devotie voor de Moeder Gods in het noorden te ondersteunen.

Moeten we nu kerk en kluis van Warfhuizen als een soort Beierse enclave in het bisdom beschouwen?

Ja en nee.

Nee: broeder Hugo blijft gewoon kluizenaar van het bisdom Groningen, onder het gezag van de bisschop en in zijn handen geprofest. Ook aan de jurisdictie over de kerk verandert helemaal niets.

Ja: De oudvader en de andere kluizenaars van Frauenbründl hebben de heremiet van Warfhuizen als een van hen aanvaard, en kluis en heiligdom zullen hun een zorg zijn. Dat wil zeggen dat een Groninger bisschop die ooit eens met een lege kluis van Warfhuizen komt te zitten er niet meer alleen voor staat. Bisschoppen zijn immers geen contemplatieven, laat staan oudvaders. Het zou oneerlijk zijn een bisschop op te zadelen met de taak een kluis bezet te krijgen met de juiste kluisbroeder.

Hoe dit alles in de praktijk uit zal pakken zullen we hopelijk nog een hele tijd niet weten. Maar het is voor iedereen een fijne gedachte dat erover nagedacht is.

Katten in de kerk

Als pastoors klagen over ‘katten in de kerk’ hebben ze het meestal over een bepaald model vrijwilligster waarvan iedereen zich afvraagt waarom dat ooit in de mode is geraakt. Daar heb ik hier echter nooit last van gehad.

Ik bedoel ‘katten in de kerk’ dan ook letterlijk. Trouwe bezoekers van Onze Lieve Vrouw van Warfhuizen weten wel dat het hier een beestenboel is. Zelf heb ik geen huisdieren, maar die van de buren bewijzen dat alles wat leeft in de grond katholiek is: ze zijn dol op het huis van de Heer. Ik moet me daarbij neerleggen, want de deur staat hier principieel open, en ik ga niet de godganse dag op wacht zitten om beesten de kerk uit te bonjouren.

De meest vertrouwde gast is de oude grijze poes van mijn buurman, die luistert naar de naam ‘Zusje’ (de kat, niet de buurman). Alle bidzielen die hier regelmatig Maria komen opzoeken kennen Zusje. Zusje is gesteld op rust, en bleek onder het Sacramentsaltaar te zijn gaan wonen op het moment dat buurmanlief zich een vriendin met hond had verworven. Daar kwamen we een aantal jaren geleden plotseling achter toen zij tijdens een plechtig Sacramentslof – een ware diva – haar entree maakte van tussen de altaardwalen. (Vervolgens verstijfde ze, omdat de hele kerk stampvol studenten zat. Ze wilde niet meer voor- of achteruit.  Uiteindelijk moest ze door een misdienaar plechtig de kerk uitgedragen worden).

De vriendin van de buurman is er nog, de hond ondertussen niet meer, maar Zusje zit nog steeds het grootste deel van de tijd onder het Sacramentsaltaar. Als het niet al te druk is sjokt ze gemoedelijk van het heremietenkoor naar beneden, en gaat pal voor het centrale altaar op het middelste knielkussen liggen. Daar steelt ze dan alle harten, vooral die van damestoeristen van middelbare leeftijd, die dan lawaaierig gaan staan smelten voor het clausuurhek, wat mevrouw zich spinnend laat welgevallen. Enfin, ik moet onze Grande Dame haar kwartiertje aanbidding maar gunnen…

Met Zusje kan ik wel leven.

Nu hebben we echter een nieuw probleem in de vorm van een rooie kater, die volgens mij van de Jehova’s getuigen aan de overkant is. Nu zijn dat uiterst lieve mensen, maar anders zou ik ze er serieus van hebben verdacht dat ze het beest speciaal hebben getraind om verderfelijke Roomse erediensten (“valse religie”) te verstoren. Ik noem hem ‘Proetsie’ (geen idee hoe hij eigenlijk heet) omdat hij – waarschijnlijk heeft hij ooit de niesziekte gehad – bij het spinnen een geluid maakt dat nog het beste te beschrijven is als PPRRRROEETT (niet voor niks met hoofdletters). Dat is echter nog niet de voornaamste oorzaak van de overlast die hij veroorzaakt. Wat een veel groter probleem is, is dat Proetsie het meest aanhankelijke beest is dat ik ooit heb gezien. En hij stoort zich niet aan liturgische conventies. Als ik geknield zit voor het uitgestelde Allerheiligste is dat voor hem geen enkele reden om zijn vrijages te staken. Daarbij begint hij uiterst klaaglijk  – hij vindt zelf waarschijnlijk: uiterst virtuoos – te zingen zoals alleen katers dat kunnen. Daarbij maakt hij misbruik van het feit dat ik in een dergelijke liturgische setting natuurlijk moeilijk kattenverjagende maatregelen kan nemen. KKKSSSSSTTTT, WEG, KKSSSST staat niet in de Laus Deo, en al zeker niet tussen het Ave Verum en het Tantum Ergo in.

Een volmaakte agent van het Wachttorengenootschap, dit perfide beest.

Images Religieuses 1: Ecce Regem vestrum!

Tijdens het opruimen van de bibliotheek vond ik een boekje met gravures waaraan ik erg gehecht ben. Ik laat ze zien en laat mijn associaties de vrije loop.

Het Boekje begint waar katholieke boekjes horen te beginnen: het begint met Jezus Christus, en smijt ons gelijk de moeilijk verteerbare kern van zijn boodschap in het gezicht. Hij staat er in al zijn onvertoonbaarheid lelijk en verschopt te zijn. ‘Ecce Regem vestrum’ staat eronder: ‘Zie hier uw Koning!’

Het is verbazingwekkend dat de meeste mensen dit een oudbakken en vanzelfsprekend verhaal vinden, terwijl deze boodschap nog steeds even belachelijk is als toen hij voor het eerst werd geuit door Pilatus.

‘Joden eisen wonderen, Grieken verlangen wijsheid. Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden shockerend, voor heidenen idioterie’ (Sint Paulus in de eerste brief aan de Korinthiërs)

Pilatus laat Jezus naar buiten brengen op het “mozaïekterras” (in het Hebreeuws “Gabbata.”) Jezus is zojuist door en door kapotgeslagen, Hij zit onder het bloed, de vellen hangen erbij, Hij is goor en Hij stinkt. Het terras is als een theaterbühne of een etalage: Hij staat daar naakter dan naakt voor een opgewonden troep mensen.
Pilatus roept, ongetwijfeld met een theatraal gebaar: ‘Zie hier, jullie Koning!’

‘Weg met Hem!’ roept de menigte. ‘Aan het kruis met Hem!’ en ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’

Elke Goede Vrijdag en Palmzondag, wanneer dit in de kerk wordt voorgelezen, zitten we met zijn allen deze opgezweepte troep mensen collectief te verafschuwen. Het is echter niet voor niets dat het juist deze woorden zijn – Weg met Hem,  en Kruisig Hem! – die door het hele verzamelde kerkvolk hardop moeten worden meegelezen. De woede van het volk dat Jezus gekruisigd wil zien heeft namelijk weinig te maken met “de joden,” “de vervolgers” of “de ander” in het algemeen. Het gepeupel dat samengedromd was voor het Mozaïekterras is allang door het schuren van de tijd tot stof vergaan en vergeten. Het gaat er niet om wie deze mensen precies waren (God hebbe hun zielen).

Als dit verhaal iets te vertellen heeft, dan is het juist over de verhouding van de christenen met hun God.

Die is namelijk op zijn minst problematisch. Periodiek proberen we Hem te verbouwen tot iets waar je beter mee voor de dag kunt komen (bijvoorbeeld door Hem wat koninklijker te maken), of proberen we Hem zelfs gewoon zonder meer te dumpen. Het is echter verbazingwekkend hoe kleverig Hij is. Hij is geen smerig korstje, dat je zo maar even weg kunt krabben. Op de één of andere manier gaat elke poging om van Hem af te komen de laatste eeuwen met torenhoge stapels lijken gepaard, en na zo’n exercitie duikt Hij altijd binnen vijf minuten weer op. Toch proberen we het elke keer opnieuw.

En neem het ons eens kwalijk. In tegenstelling tot wat het politiek correcte dogma van dit moment ons wijs wil maken is de Timmerman-God van de christenen namelijk volstrekt uniek. En wel vooral door zijn onooglijkheid en zijn veeleisendheid. Niet alleen ziet Hij er niet uit, Hij is ook nog eens de meest strenge en lastige Godheid waarmee ooit het firmament was opgesierd.

Jezus de toffe knuffelheiland? Yeah, right…

Een stukje geschiedenis

Alle goden van het verleden tot nu toe waren redelijk rationele zakenpartners. Nog niet zo lang geleden hadden we er een heel stel. Die waren soms chagrijnig, maar wel consequent. Ze huldigden het principe do ut des, oftewel ‘jij geeft Mij wat, dan geef ik jou wat.’ In die zin waren het erg Hollandse goden. Ik offer Jou een geit, en Jij zorgt dat ik de rest van mijn geiten met een goede winst verkoop. Deze goden vonden het niet erg als je af en toe ook bij één van de anderen kocht, zolang die maar niet in dezelfde branche zat. Als goede zakenlui waren het ook geen zedenmeesters. Het interesseerde ze gewoon niet zoveel wat je verder uitvrat, noch ook hoe het verder met je ging. Ook in die zin waren het net Hollanders.

Toen de vele goden werden onttroond, en er nog maar Eentje over was, verschilden zijn mores in het begin nog niet zo van die van het oude management. Ook zijn morele eisen waren redelijk. Als iemand je een klap voor je kop verkoopt, mag je hem er ééntje terugverkopen, maar niet meer. Je mag hem die klap ook laten afkopen. De rest is van gelijke aard: een beetje voorzichtig zijn met andermans goede naam, niet overdrijven met het uitbuiten van arme sloebers, niet teveel liggen te hoeren en snoeren, en als je je vrouw de deur uitdoet moet je haar een fatsoenlijke referentie geven, zodat ze vooruit kan. Enzovoort, enzovoort. ‘Fatsoen moet je doen,’ zo zou je het samen kunnen vatten.

Op den duur begon deze ene God echter, zakelijk gesproken, wat vreemde trekjes te ontwikkelen. Hij werd wel erg dol op zijn gelovigen. Hij gedroeg zich tegenover zijn volk alsof Hij een vrouw het hof maakte. Af en toe liet Hij doorschemeren dat Hij eigenlijk verliefd was op de mensheid in het algemeen. In plaats van zich bezig te houden met een vette winst in de vorm van brand- en slachtoffers maakte Hij zich druk over het levensgeluk van zijn clientèle. Hij wilde zich geliefd maken in plaats van gevreesd, bezongen in plaats van bezworen, dienstbaar in plaats van gediend. Dit liep gierend uit de klauwen:

“En kijk, een maagd wordt zwanger, en baart een Zoon, en wij noemen Hem Immanuël, God met ons.”

Goddelijke gekte

Dat God mens wordt is – in tegenstelling tot wat velen denken – in de geschiedenis van de godsdienst op aarde niet uniek (in India lusten ze er wel pap van). Met Jezus zijn er echter twee problemen.

Ten eerste zijn al genoemde onooglijkheid. Wij mensen willen op het winnende team wedden. Wij willen een beetje glans en glamour. (Wij mopperen op de rijkdom van ons koninklijk huis, maar zelfs de ergste republikein onder ons is stiekem trots dat onze gouden koets harder glittert dan die van de Belgen.) Wij hebben, met andere woorden geen andere koning dan de keizer, namelijk de winnaars, het glanzende en het succesvolle. Wij willen cool zijn.

Waarom toch, God, die mottige timmerman die zich inlaat met sloebers, hoeren en belastingambtenaren en zich in een orgie van machteloosheid en smerigheid aan een kruis laat timmeren? Ecce Regem vestrum, “ziehier uw koning!” Huh!?

Waarom geen ridder in een wit met gouden harnas die – rijdend op een gevleugeld ros – draken lek prikt?

Het tweede probleem is echter veel groter. Er is in de hele mensengeschiedenis nog nooit zo’n volslagen idiote morele leer verkondigd als die van Jezus. Wat Jezus van ons vraagt is niet alleen volslagen ondoenlijk, maar je moet je ook de vraag stellen of je het wel moet willen.

Jezus’ leer vloekt met ons gevoel voor eigenwaarde, onze overlevingsinstincten, ons gevoel voor rechtvaardigheid en ons gevoel voor logica.

“Jullie hebben gehoord dat er gezegd werd: ‘Een oog voor een oog, een tand voor een tand.’ Maar Ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren. Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af.”

Een versleten tekst die we al duizend keer hebben gehoord? Lees hem maar eens tien keer over en kijk wat er nou echt staat, en je zult zien dat wat hier van je gevraagd wordt niet vanzelfsprekend, maar volslagen krankzinnig is.

“Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: ‘Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel.”

Hallo, voel je je wel helemaal lekker?

Hetzelfde gaat op voor de zaligsprekingen, die even eerder in hetzelfde hoofdstuk van Mattheüs staan (5). Omdat we ze al zo vaak hebben gehoord zien we niet meer hoe volslagen gestoord deze teksten eigenlijk zijn. Zalig de nederigen, de treurenden, de vervolgden.

Hè!?

De laatste halve eeuw heeft de grachtengordel (en in het buitenland andere ‘elites’) zijn uiterste best gedaan dit alles onschadelijk te maken door het te framen als een geitenwollensokkenverhaal. De werkelijkheid is natuurlijk dat werkelijk doen wat Jezus vraagt een fantastische heldenmoed vergt die nog niet één op de miljoen gegeven is.

Het Nijntje-gehalte van Jezus is nul.

Aan de andere kant wil dat niet zeggen dat we nu automatisch kunnen overstappen op ‘Jezus, de stoere en slimme held.’ Als het iedereen zou lukken te doen wat Jezus vraagt zouden we in de hemel op aarde leven – tenminste gedurende de vijf minuten dat we nog niet zouden zijn bezet door vreemde mogendheden die zich aan Jezus niet storen (precies zo’n mogendheid waarin we zelf op dit moment ook aan het veranderen zijn).

Is het godslasterlijk om voor de Bergrede (waaruit deze passages genomen zijn) woorden als debiel, idioot en krankzinnig te gebruiken? Nee, wel eerlijk. We erkennen daarmee dat Gods motieven ons ver boven de pet gaan. Onze logica kan zijn overwegingen niet bevatten. Daarom lijkt het dwaasheid wat Hij zegt en doet:

“Want de idioterie van God is wijzer dan de mensen en de zwakheid van God is sterker dan de mensen.” (Sint Paulus in de eerste brief aan de Korinthiërs)

Wat is hiervan nu het directe gevolg?

Christenen zijn altijd in gebreke, zelfs als ze in de ogen van een normale menselijke ethiek (‘fatsoen moet je doen’) volmaakte rechtvaardigen zijn.

Niets doen als ons kwaad wordt aangedaan? Zelfs de Kerk legt ons uit dat we soms niet anders kunnen dan terugschieten. Dat we bovendien verplicht zijn iets te doen als het recht wordt verkracht, ook als dat van ons geweld vereist. Dus halen we uit, als het moet. Toch voelen we ons zelfs dan bijzonder ongemakkelijk. Dan zeggen we: in deze situatie mag het, moet het…

…toch zullen we ons er nooit comfortabel bij voelen, omdat de schorre stem van onze kapotgeslagen God blijft jeuken in onze oren.

Niet alles weggeven? Dat is volmaakt te verdedigen, sterker nog, het wel doen zou voor de meesten van ons immoreel zijn (met de verantwoordelijkheid voor anderen die wij hebben). Bovendien zou uiteindelijk niemand er iets mee opschieten…

…toch zullen we ons nooit comfortabel voelen bij al te overdreven materiële rijkdom, omdat de zeurende stem van onze straatarme God blijft jeuken in onze oren.

enzovoort, enzovoort.

Eén van de dogma’s van het huidige politiek-correcte establishment is van een zekere meneer Feuerbach. Hij zei: “Niet God heeft de mens geschapen naar zijn evenbeeld, maar de mens heeft God geschapen naar zijn [gewenste] evenbeeld.” 

Welke God?

In ieder geval niet die van ons!