Geruis uit de Kluis

Een video over vader Gabriël

Velen weten wel dat ik in feite een (zeer onnozele) leerling ben van Vader Gabriël Bunge, een beroemde Duitse kluizenaar, die zijn leven slijt op een Zwitserse berg in de buurt van Lugano. Op zijn oude dag werd hij orthodox, en ondertussen staat hij, vooral bij de Russen, bekend als één van hun ‘startsi’ of geestelijke vaders. Over dat soort vaders werd er door een Russisch televisiestation een serie gemaakt, waaronder een aflevering over vader Gabriël. Omdat mij nog vaak naar vader Gabriël wordt gevraagd, deel ik die aflevering hier graag.

Een stad vol Jantjes en Hendrikken?

Een engel bracht mij, Johannes, in de geest op een zeer hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, terwijl zij van God uit de hemel neerdaalde, stralend van de heerlijkheid Gods.’ Apokalyps 21, 10.

Als Jezus voor Pilatus staat vraagt die Hem of Hij Koning is. ‘Koning ben Ik,’ zegt Jezus, ‘maar mijn Rijk is niet van deze wereld. Jezus’ Rijk: de hemelse stad op de berg met de twaalf poorten, waarvan het Lam Gods zelf de tempel is.

Zoals zo vaak hangt de boodschap van Jezus weer eens van de schijnbare tegenstellingen aan elkaar. Dat maakt het vaak zo moeilijk er chocola van te maken, voor onszelf, en zeker als we op ons geloof worden aangesproken. Voor de joden een aanstoot, voor de heidenen belachelijk.

Waar is Jezus’ Rijk? Wanneer is Jezus’ Rijk? En wat moeten we doen om daar te komen, in het hemelse Jeruzalem?

Denk erom: Jezus zegt niet dat zijn Rijk niet op deze wereld is, of dat zijn Rijk iets is wat nog in de verre toekomst ligt. Weliswaar zegt Hij dat wij ons nog zullen verbazen als wij de Mensenzoon zullen zien komen op de wolken van de hemel, door engelen omringd, maar tegelijk zegt Hij: mijn Rijk: het is er al. Nu al ‘daalt de heilige Stad van God uit de hemel neer.’ ‘Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn Woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen.’

Wie mag bestijgen de berg van de Heer, wie mag staan in zijn heilig Domein? Psalm 24, 3.

Als er zoiets wordt geroepen voelen jullie het al aankomen: een lijstje met morele regeltjes. We hebben het al zo vaak gehoord. Wie mag bestijgen de berg van de Heer? ‘Wie rein is van handen en zuiver van hart, die zijn ziel aan valsheid niet biedt.’ De brave Hendrikken en de engeltjes, die mogen naar het hemelse Jeruzalem. Dus: Jantjes, laat uw pruimen hangen en engeltjes poetst uw aureooltjes op: ‘de Koning der Glorie moet binnengaan.’

Nee.

Dit is precies de manier van het neerzetten van Gods rechtvaardigheid die de halve wereld braakneigingen bezorgt, en terecht. Iedereen die wel eens zijn best heeft gedaan weet het volgende: Je kunt er duizend keer voor kiezen een engeltje te zijn, maar dat betekent nog niet dat je geschubde staart en je gevorkte tong ook vanzelf van je afvallen. Van je haren ben je zo af, maar je streken plakken als pek en veren aan je ziel. Op eigen kracht zullen wij de twaalf poorten van het hemelse Jeruzalem nooit te zien krijgen, laat staan er doorheen trekken.

‘In die tijd zei Jezus tegen zijn leerlingen: “als iemand Mij liefheeft zal hij mijn Woord onderhouden. Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem komen wonen. Wie mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet.’

‘Heer, wie kan dan nog worden gered?’ zullen de letterknechten dan roepen. Jezus zegt immers: ‘als iemand Mij liefheeft zal hij mijn Woord onderhouden,’ en ‘wie Mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet.’ Maar wat betekent dat ‘onderhouden?’ Betekent dat: ‘Ik geef jou een heel lijstje met regeltjes en die moet je nauwgezet precies zo opvolgen en als je er ook maar één keertje naastpiest…

…sluit ik je buiten als een dwaze maagd zonder olie,
als een gast zonder bruiloftskleren,
‘ga weg van Mij,
Ik ken u niet,
naar het dal van Gehenna met u,
wormen vuur en zwavel,
Vort,
kssst?’

Als dat zo zou zijn ga je je wel afvragen wat Jezus dan kwam doen. Zoiets was er namelijk al, en het heette de firma ‘Farizeeën en zonen’.

‘Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn Woord onderhouden.’

‘Onderhouden’ is eigenlijk helemaal niet zo’n slechte vertaling van het werkwoord dat er in het Grieks staat, maar eigenlijk staat er een woord dat drie begrippen min of meer in zich verenigt:

  • bewaren,
  • behoeden,
  • beschouwen

‘Onderhouden’ is dan een prima woord zolang je het verstaat in de zin van ‘een tuin onderhouden,’ of nog beter ‘een relatie onderhouden.’ Ook zeggen we wel eens over iemand: ‘hij is een zeer onderhoudend persoon.’ Dat wil zeggen: als je met hem spreekt heeft hij al zijn aandacht bij wat je zegt, hij is tijdens een gesprek helemaal op jou gericht en kijkt niet op zijn horloge, hij is echt in je geïnteresseerd en wat hij zegt maakt je aan het lachen of brengt je nieuwe inzichten. Dat kan alleen als er, ook al is het maar één conversatie lang, een echte verbinding ontstaat tussen jou en hem.

‘Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn Woord onderhouden.’

Dat is precies wat Jezus van ons vraagt. Hij wil dat wij, in deze betekenis, in onze relatie met Hem, onderhoudende personen zijn. Hij wil dat wij onze vriendschap met Hem onderhouden. Dat betekent dat wij naar Hem luisteren, tijd en aandacht geven en dan heel onze creativiteit, onze scheppingskracht, dat wat ons beeld van God maakt, gebruiken om iets te doen met zijn woorden. Hij wil dat wij zijn Woord, dat is, Hemzelf, als zaad in de tuin van onze ziel laten opkomen en tot wasdom laten komen.

Allereerst door het te beschouwen, erop te kauwen, ermee te leven, ermee bezig te zijn, er aandacht aan te schenken.

Vervolgens om dat woord, dat in de gebroken wereld die onze ziel is altijd gevaar loopt, te behoeden. Het niet uit te laten doven door angst, verbittering, verveling, moedeloosheid, onrust en begeerte.

Vervolgens door het te bewaren als een kostbare parel, het deel te laten worden van onze ziel, ermee te trouwen, het ons eigen te maken, net zo lang totdat we kunnen zeggen: ‘ik leef niet meer, Jezus is het die leeft in mij,’ en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem komen wonen.

‘Ik leef niet meer, Jezus is het die leeft in mij,’ het is waar: de meesten van ons zullen zijn overleden voor we zover zijn. Maar als Hij ons komt stelen als een Dief in de nacht zullen we wel onderweg zijn, ermee bezig, wakker en druk aan het werk. Zoals het kindje dat de heilige Theresia van Lisieux beschrijft, het kindje dat de trap probeert op te klauteren, maar daar niet in slaagt: God zijn moeite belonen, hem optillen en bovenaan neerzetten. ‘De Helper, de Heilige Geest die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb.’

Hoe nu hiermee concreet te beginnen? Het hoeft niet lastig te zijn.

Allereerst: als Jezus een feest organiseert op komen dagen. Er zijn geen smoezen geldig om niet naar de Mis te gaan, behalve verlamde benen of veertig graden koorts. Jezus had ook geen zin om zich voor ons aan het kruis te laten slaan, maar Hij was er trouw toen Hij er moest zijn.

Twee: geduld hebben met God betekent soms ook geduld hebben met je eigen zwakheden. Bid om ervan bevrijd te worden, maar geef niet op als dat niet binnen vijf minuten klaar is. Hulp zal komen, en anders vergeving en ontferming, maar niet als je de moed opgeeft, jezelf de bodem begint in te trappen of het allemaal wel gelooft.

Ten derde: de stad Gods heeft meer dan één inwoner. Zelfs God zelf is een gemeenschap van Vader, Zoon en Geest. Hij is niet in zijn Eentje zalig, en niemand wordt in zijn eentje zalig. Spreek over het geloof met andere katholieken, deel je zorgen en je dankbaarheid. Zoals je samen eet, zit zo ook samen aan de tafel van Gods woord. Besmet elkaar met liefde en dankbaarheid, en help elkaar als het donker wordt.

Jantjes en Hendrikken hoeven wij niet te worden om als engeltjes te worden. Als wij Gods Woord, onze relatie met de Heer, maar onderhouden.

Amen.

Boetepreek

Pater Hugo verzorgde dit jaar de boetpredicatie in de kathedraal. Hij baseerde die op het Evangelie van de verloren zoon.

Toen ik deze preek de vorige keer hield, liepen er vijf mensen huilend de kerk uit. Ik hoop dat dat deze keer niet nodig is: soms moeten dingen gezegd worden, ook al is het even slikken.

Die arme vader uit de parabel van Jezus… Van hem wordt een bijna hopeloze hoop vergeving gevraagd. Zijn jonste zoon geeft hem bijna letterlijk een rotschop in zijn eerbiedwaardige delen. Ten eerste smeert hij hem naar een ver land, en zegt dus eigenlijk: bij jou is het leven niet fijn. Ten tweede eist hij zijn erfdeel op, en zegt dus eigenlijk: wat jij me hebt gegeven was niet genoeg. Ten derde zet hij het in den vreemde op een hoereren, waarmee hij zegt: wat jij me hebt geleerd: ik spuug erop.

Wat deze vader moet vergeven is niet het verlies van de helft van zijn vermogen of het feit dat zijn zoon even zijn wilde haren kwijt moest. Hij moet moord vergeven. Moord op zijn eigen karakter. Niet spullen of principes worden in zijn gezicht teruggesmeten. Hijzelf wordt in zijn gezicht teruggesmeten. De relatie tussen vader en zoon is niet verstoord, maar door de zoon koud en liefdeloos doorgesneden. Met een kettingzaag. Vader en zoon kijken naar elkaar in een nieuw licht. Een licht dat duisternis is. Een duisternis die in dit geval door de zoon wordt opgetrokken om daarachter te kunnen doen waartoe zijn onderbuik hem drijft. Vreten. Zuipen. Hoereren.

Iedereen die wel eens langere tijd achter elkaar heeft gevreten, gezopen en gehoereerd, weet dat je daar niet gelukkig van wordt. Ten eerste gaan die dingen snel vervelen, en daarna stierlijk vervelen. Ze moeten dan in steeds extremere vormen worden genoten om nog interessant te blijven, en het resultaat is dat de mens verandert in een karikatuur, een schim van zichzelf. Men wordt een beklagenswaardig schepsel. En dat is dan alleen nog maar de buitenkant. Van binnen ontstaat er een leegte die geen stilte is, maar eerder een soort hongerig, zuigend vacuum. Het kwaad zuigt alle persoonlijkheid uit de ziel, ongeveer zoals een aborteur een kindje uit de baarmoeder zuigt. Het wordt eerst tot pulp vermaald, en daarna weggezogen. Zo gaat het ook met de ziel die zich voorover in de zonde stort. Een hongerig vacuum maalt alles wat het leven de moeite waard maakt eerst tot pulp, en laat het daarna in een gapend gat verdwijnen.

En dan kom je erachter dat je minder bent dan de varkens. Want dat is wat Jezus wil zeggen. Je zou deel willen hebben aan het deel van de varkens, want die hebben meer leven en liefde in zich dan jij. Je zou samen met hen je kop in de trog willen steken om schillen te eten. Maar niemand geeft ze je. De varkens zijn meer mens dan jij.

Wat heeft dit alles te maken met ons, zoals wij hier bij elkaar zijn? Ik denk niet dat er hier veel zitten die het in zich hebben om hun dierbaren te bestelen en van de opbrengsten in een ver land een slempend leven te gaan leiden. Toch is Jezus’ parabel op elk van ons in al onze schoonheid en gruwelijkheid volledig van toepassing.

Jezus’ parabel gaat over wat er gebeurt met de ziel die zondigt. En dan hebben we het niet alleen over moord, doodslag en de meer exotische varianten van seksuele ontucht, maar ook over dingen die ons allemaal dagelijks bedreigen.

Wat priesters tegenwoordig nogal eens horen, is ongeveer het volgende: ‘Ik hoef toch niet te biechten? Ik doe toch niks verkeerd? Ik ben toch een goed mens? Ik vermoord en mishandel geen mensen, ik steel niet en ik stort braaf op de giro als er een tsunami of een aardbeving is.’ Ondertussen gaan we ons te buiten aan dingen die op het eerste gezicht niet zo erg lijken, maar die onze ziel vernielen. We roddelen over mensen, in plaats van te spreken met mensen, en plegen zo moord op iemands karakter. We zijn voortdurend ontevreden, en uiten dat met scherpe tong, en maken het leven dat God geeft zo voor onszelf en anderen zuur. We verlangen steeds naar wat er niet is, en zijn niet dankbaar voor wat we wel hebben. We storten zeeën van kritiek over de wereld uit, maar als iemand iets op ons aan te merken heeft zijn we diep verontwaardigd. Daarbij begaan we de zonde van de hoogmoed omdat we het onze strot uit durven te persen dat we zulke goede mensen zijn.

De meesten van ons zijn geen goede mensen. De meesten van ons zijn kleine, bange, bekrompen, beperkte en tegenwoordig ook verwende mensen. We proberen wel ons best te doen, en dat lukt ook wel eens, maar topprestaties worden door de meesten van ons niet geleverd. We zijn vooral goed in het produceren van mislukte goede voornemens.

Doordat er niet meer gebiecht wordt, lopen de meesten van ons met een zondenlast van jaren rond te sjouwen, wat het alleen maar nog moeilijker maakt om het goede te doen, om de zurigheid en het donker van je af te werpen. Alsof je een hindernisbaan moet lopen met een zak met honderd kilo bakstenen op je rug. Omdat wij door ons kwaad verblind worden zitten zien we alles door een loodgrijze, cynische bril, en zitten we zelfs in de kerk nog op elkaar te letten, over elkaar te oordelen en aan dingen te denken die ons niet aangaan. We gaan afgeleid en slordig aan de Communie en voegen zo nog eens heiligschennis toe aan onze schuld.

En dat is dus niet nodig. De dingen die wij willens en wetens slecht doen snijden onze band met de vader door. Met een kettingzaag. Ze maken ons leeg en dood van binnen, en de wereld om ons heen lelijk, voor onszelf en anderen. Maar dat hoeft niet het einde van het verhaal te zijn. Laten we de verloren zoon navolgen in wat die wél goed deed:

Hij beseft dat hij verkeerd heeft gedaan, en durft dat hardop te zeggen, dat is één.

Hij keert terug uit het verre land. Hij maakt zich weer bereikbaar voor de vader, dat is twee.

Hij spreekt hardop uit dat zijn zonden van hem een ander mens hebben gemaakt – een mens die hij niet wil zijn: ‘vader, ik ben het niet meer waard uw zoon te heten.’ Dat is drie.

De vader ontkent al deze dingen niet. Hij zegt niet: ‘nou, jongen, het viel allemaal wel mee.’ In plaats daarvan zegt hij: mijn zoon, die dood was, leeft weer.’ En dan is er een gemest kalf, en feest, en opluchting.

Vertaald naar gewone nuchtere katholiekentaal moet de conclusie zijn: wees geen smiecht, ga te biecht.

Om het goede voorbeeld te geven zal ik dan zelf maar even beginnen.

De eerste zin van deze preek was…gelogen.

Amen.

Kerstpreek pater Hugo 2015: Ballen

Het ene jaar hebben we een mooiere kerstboom dan het andere. Soms ben je te laat bij de kerstbomenboer, of heb je even niet opgelet. Zoiets hadden we dit jaar, alleen konden de vrijwilligers die de boom hebben gezaagd er niks aan doen: ze hebben de hele dag als gekken gezocht, maar in het bos was er gewoon niet ééntje meer die helemaal naar de zin was. Dat kan een keer gebeuren. En toen viel hij bij het omhoogtakelen ook nog eens om, en brak er nog het één en ander af. Ook dat kan gebeuren. Shit happens.

Elk jaar helpt mijn moeder mij met het versieren van de kerk voor de kerstdagen. Toen ze dit jaar binnenkwam kreeg ze eerst een halve rolberoerte, en daarna de slappe lach. Zo zat als een Maleier, zo krom als een hoepel en zo scheef als de toren van Bedum (die boom dus, even voor de duidelijkheid, niet mijn moeder.)

‘Nou ja,’ zei ma, ‘we hebben een boom.’ En zo was dat. Want een kerstboom van dat formaat kunnen we bij de kerstbomenboer gewoon niet betalen, als die er trouwens al eentje heeft. Daarbij is een kerstboom een ding uit de natuur: hij groeit zoals hij groeit. Het heeft geen zin te proberen zo’n boom alsnog de vorm te geven die je graag wilt hebben. Je kunt er wel in gaan hakken en zagen, maar dan is hij binnen vijf minuten rijp voor het paasvuur. En al is het dan ook veertien graden buiten: pasen is het nog lang niet.

Als van zo’n boom iets wilt maken, dan zal je er iets van jezelf in moeten investeren, iets van je liefde, iets van je creativiteit. En dan beginnen we natuurlijk met lichtjes. Want al is het dan ook niet zo koud als het in december hoort te zijn: het is wel gewoon donker.

Kerstboomlichtjes zijn een raar ding. Als er één lichtje kapot is, blijft de rest ook donker. Kerstboomlichtjes zijn solidair met elkaar. Zo moet het in een dorpje als Warfhuizen eigenlijk ook zijn. We zouden het eigenlijk niet mogen accepteren als er – onder onze neus – mensen zitten te verkommeren en verslonzen omdat wij ze in de steek laten. Met kerstboomlichtjes is het bovendien zo dat je ze gelijkmatig moet verspreiden, anders is het geen gezicht. Dus niet alleen lichtjes op de mooie, groene takken, maar ook op de kale, bruine, en scheve. Niet alleen warmte investeren in die mensen die je toch al aardig vond, maar ook in die mensen die je mateloos irriteren. Of ze nou import of export zijn, schoon of vies, of ze nu te hard rijden of te langzaam, of ze nu veganist zijn of van biefstukken en bontkragen houden, of ze nu boer zijn of belastingambtenaar, of ze nu in God geloven of in FC Groningen of – zoals de meeste Nederlanders – vooral in hun eigen portemonnee. Aandacht en vriendelijkheid hebben ze allemaal nodig. Anders zitten alle lichtjes onder of boven, of links, of rechts, en staan we met onze kerstboom voor paal.

Zodra de lichtjes in de boom zitten, is het meest armetierige er al af. Geen reden meer om in janken uit te barsten. Maar het is natuurlijk ook nog niet klaar. Een kerstboom zonder ballen kan namelijk niet. Ballen worden nogal eens geassocieerd met een grote bek en een hoop lawaai. Echte ballen hebben echter niets met agressie te maken. Agressie kunnen we missen als kiespijn. De Russen komen voorlopig niet, al hebben we dan ook straks weer een prachtig opgeknapte luchtwachttoren om ze het hoofd te bieden. Moed heb je nodig om een ander het hoofd te bieden, maar er is nog veel meer moed nodig om jezelf het hoofd te bieden. Om een hard woord in te slikken. Er zelf korte metten mee te maken in plaats van er een ander mee op te zadelen. De moed om trouw te blijven aan een ideaal, een vereniging, je buren of gewoon aan je eigen gezin, ook als het niet gaat zoals je graag zou willen. Soms is er geen redden meer aan, we zijn allemaal maar mensen, maar je wilt toch in ieder kunnen zeggen dat je de ballen had om je best te doen. (Zeker als kerstboom zijnde).

De lichtjes en de ballen hangen erin, en als de boom perfect was geweest waren we nu klaar geweest. Helaas zijn geen van onze bomen perfect. Hier en daar is het bruin, en dood en armetierig en triestig. Gedeeltelijk kunnen we daar wat aan doen, maar gedeeltelijk moeten we het ermee doen. Maar we kunnen het wel dragelijk maken, door het een beetje te verstoppen. Niet om te vergeten dat het er is, dat zou dom zijn. Maar wel om te zorgen dat het ons niet verhindert ons kerstfeest te vieren. Daarvoor hebben we slingers. Slingers zijn melige dingen. Niet echt stijlvol, en meestal zou je er liever zonder kunnen, maar dat kan nu eenmaal niet. En ze lossen een hoop op als je kerstboom van die gebreken heeft waar je nu eenmaal echt niks aan kan doen. Slingers zijn voor een kerstboom wat zelfspot – en humor in het algemeen – zijn voor een mens. Want het kerstfeest is een serieus feest, maar als er niet gelachen zou mogen worden zou het helemáál geen feest zijn, of wel dan? Neem jezelf niet altijd zo serieus, en zeker niet ten koste van een ander. Durf te lachen.

En, wat heeft zo’n kerstboom nu met Jezus te maken? We zijn toch in de Kerk, niet bij de kerststukjesknutselwerkgroep? Toen God merkte dat wij een beetje scheef, lelijk en soms zelfs ronduit kwaadaardig waren, liet Hij ons niet in de steek. Dat was knap van Hem, want zo’n boom kan er niks aan doen, maar wij doen het vaak gewoon expres. Hij investeerde zichzelf in ons en werd kwetsbaar en klein geboren in een stal. Hij gaf zijn lichtjes niet alleen aan de lieverds, aan de mensen die van Hem hielden, maar ook aan de eikels, misdadigers en de minder spannende, meer doordeweekse mispunten zoals wij allemaal af en toe zijn. Toen wij Hem uiteindelijk aan het kruis sloegen begon Hij niet te vloeken en te schelden, maar bad Hij tot zijn Vader om ons te vergeven, want wij weten immers de helft van de tijd niet wat wij doen. Hij had de moed om ons trouw te blijven tot de dood, tot de dood aan het kruis, al was Hij de avond ervoor zó bang dat Hij bloed zweette in de hof van Olijven. Laten we nooit vergeten – hier bij het kribje, tussen de lichtjes en de ballen – wat dat tere Kindje voor ons deed. En laten we proberen om op deze wereld een beetje als een spiegeltje te zijn, dat zijn Licht weerkaatst in deze donkere, warme winter.

Gulden Mis op 8 december

MariaoverZegt het voort! Op dinsdagavond 8 december vieren we in de kluiskapel in Warfhuizen het hoogfeest van Maria onbevlekt ontvangen met een ‘Gulden Mis.’ Wij beginnen om 17.30 met stille aanbidding, om 18.00 gevolgd door de Vespers, om 18.30 bidden wij de rozenkrans en om 19.00 begint de Mis. Dit alles geheel bij kaarslicht. Iedereen die dat wil kan op elk van deze tijdstippen aansluiten.

Fotoverslag priesterwijding pater Hugo

Op de site van de Mariabroederschap is een fotoverslag verschenen van de priesterwijding van broeder Hugo.

Klik HIER

Deze taal stuit ons tegen de borst.

Deze tekst zal sommige trouwe fans van mijn blog bekend voorkomen. Dit was precies wat ik vandaag tijdens mijn preek wilde zeggen. Ik dacht dus ‘dikke neus,’ en bakte een preek van oud brood. Beviel me best goed.

Joz. 24:1-2a, 15-17, 18b, Ef. 5:21-32, Joh. 6:60-69

Alle goden van het verleden tot nu toe waren redelijk rationele zakenpartners. Nog niet zo lang geleden hadden we er een heel stel. Die waren soms chagrijnig, maar wel consequent. Ze huldigden het principe do ut des, oftewel ‘jij geeft Mij wat, dan geef ik jou wat.’ In die zin waren het erg Hollandse goden (ze kwamen waarschijnlijk uit Purmerend of zo). Ik offer Jou een geit, en Jij zorgt dat ik de rest van mijn geiten met een goede winst verkoop. Deze goden vonden het niet erg als je af en toe ook bij één van de anderen kocht, zolang die maar niet in dezelfde branche zat. Als goede zakenlui waren het ook geen zedenmeesters. Het interesseerde ze gewoon niet zoveel wat je verder uitvrat, en ook niet hoe het verder met je ging. Ook in die zin waren het net Hollanders.

En dan ineens is er een God die zich niet gedraagt als een zakenpartner, maar als een minnaar voor zijn volk. Hij geeft zichzelf totaal, maar vraagt er ook alles voor terug. Hij geeft zich letterlijk met huid en haar, maar wil ons ook met huid en haar. Hij deinst er zelfs niet voor terug om zich helemaal van zijn majesteit te ontdoen, zichzelf helemaal leeg te scheppen om één van ons te worden, één vlees met ons te worden, zelfs.

Nou: prachtig toch? Wat willen we nog meer?

Met Jezus zijn er echter twee problemen:

Ten eerste zijn onooglijkheid. Wij mensen willen op het winnende team wedden. Wij willen een beetje glans en glamour. Wij hebben, met andere woorden ‘geen andere koning dan de keizer,’ namelijk de winnaars, het glanzende en het succesvolle. Wij willen cool zijn.

Waarom toch, God, die mottige timmerman die zich inlaat met sloebers, hoeren en belastingambtenaren en zich in een orgie van machteloosheid en smerigheid aan een kruis laat timmeren? ‘ziehier uw koning!’ Huh!?
Waarom geen ridder in een wit met gouden harnas die – rijdend op een gevleugeld ros – draken lek prikt?

Het tweede probleem is echter veel groter. Er is in de hele mensengeschiedenis nog nooit zo’n volslagen idiote morele leer verkondigd als die van Jezus. Wat Jezus van ons vraagt is niet alleen volslagen ondoenlijk, maar je moet je ook de vraag stellen of je het wel moet willen.

Deze taal stuit ons tegen de borst.

Jezus’ leer vloekt met ons gevoel voor eigenwaarde, onze overlevingsinstincten, ons gevoel voor rechtvaardigheid en ons gevoel voor logica.

Deze taal stuit ons tegen de borst.

‘Jullie hebben gehoord dat er gezegd werd: ‘Een oog voor een oog, een tand voor een tand.’ Maar Ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren. Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af.’

Een versleten tekst die we al duizend keer hebben gehoord? Lees hem maar eens tien keer over en kijk wat er nou echt staat, en je zult zien dat wat hier van je gevraagd wordt niet vanzelfsprekend, maar volslagen krankzinnig is.

Deze taal stuit ons tegen de borst.

“Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: ‘Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.’ Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel.”

Jezus drijft de spot met alles wat wij belangrijk en behaaglijk vinden.

Deze taal stuit ons tegen de borst.

De laatste halve eeuw hebben de “intelligentsia” hun uiterste best gedaan dit alles onschadelijk te maken door het neer te zetten als een geitenwollensokkenverhaal. De werkelijkheid is natuurlijk dat echt doen wat Jezus vraagt een fantastische heldenmoed vergt die nog niet één op de miljoen gegeven is.

Het Nijntje-gehalte van Jezus is nul.

Aan de andere kant wil dat niet zeggen dat we nu automatisch kunnen overstappen op “Jezus, de stoere en slimme held.” Als het iedereen zou lukken te doen wat Jezus vraagt zouden we in de hemel op aarde leven – tenminste gedurende de vijf minuten dat we nog niet zouden zijn bezet door vreemde mogendheden die zich aan Jezus niet storen.

Wat moeten we nu aan met deze lastige God van ons?

Laten we, om te beginnen, eens erkennen dat Gods bedoelingen ons ver boven de pet gaan. Onze logica kan zijn overwegingen niet bevatten. Daarom lijkt alles gekte wat Hij zegt en doet. ‘Gods wegen zijn mysterieus.’ Het is een platgetreden cliché. Iedereen roept het, niemand leeft er werkelijk naar. Laten we het nu eens niet alleen maar roepen, maar het ook eens serieus nemen. Sint-Paulus schreef het al: ‘Want de idioterie van God is wijzer dan de mensen en de zwakheid van God is sterker dan de mensen.’

Wat is hiervan nu het directe gevolg?
Christenen zijn altijd in gebreke, zelfs als ze in de ogen van een normale menselijke ethiek (‘fatsoen moet je doen’) volmaakte rechtvaardigen zijn.

Niets doen als ons kwaad wordt aangedaan? Zelfs de Kerk legt ons uit dat we soms niet anders kunnen dan terugschieten. Dat we bovendien verplicht zijn iets te doen als het recht wordt verkracht, ook als dat van ons geweld vereist. Dus halen we uit, als het moet.

…toch zullen we ons er nooit comfortabel bij voelen, omdat de schorre stem van onze kapotgeslagen God blijft jeuken in onze oren.

Niet alles weggeven? Dat is volmaakt te verdedigen, sterker nog, het wel doen zou voor de meesten van ons immoreel zijn (met de verantwoordelijkheid voor anderen die wij hebben).

…toch zullen we ons nooit comfortabel voelen bij protserige rijkdom, omdat de zeurende stem van onze straatarme God blijft jeuken in onze oren.

Eén van de dogma’s van het huidige politiek-correcte establishment is van een zekere meneer Feuerbach. Hij zei: “Niet God heeft de mens geschapen naar zijn evenbeeld, maar de mens heeft God geschapen naar zijn [gewenste] evenbeeld.”

Welke God?
In ieder geval niet die van ons! Die is niet gewenst. Hij is niet cool. Hij is veeleisend. Hij is dan ook niet reëel, Hij is de realiteit zelf. En Hij houdt van ons.

Naar wie zouden wij anders gaan?

De stem van de Heer scheurt het schors van de stammen…

 

Amos 7:12-15
Efeziërs 1:3-14
Marcus 6:7-13

Ik ben afgestudeerd op mystieke theologie.

Dat betekent dat ik nogal eens wat uit te leggen heb.

Mensen denken meestal dat ik me bezighoud met Mariaverschijningen en rondvliegende nonnen. Rondvliegende nonnen zijn echter maar een miniem onderdeeltje van het vakgebied, en Mariaverschijningen eigenlijk ook. Mystieke theologie gaat over hoe God zich aan de mens openbaart door middel van de ervaring.

Een groot probleem daarbij is dat wij voor onze ervaringen met God vaak maar moeilijk woorden kunnen vinden. God is ons een maatje te groot. God is een mysterie. Daarom lijkt de Bijbel zichzelf zo vaak tegen te spreken, en daarom beginnen we zo vaak te stamelen en te stotteren als we aan een ander proberen uit te leggen wat we met God hebben beleefd. In de lezingen van vandaag komen we bij uitstek zo’n tegenstelling tegen. Vandaag is de zondag van de schreeuwerige God.

Meestal loop ik mensen de hele dag te waarschuwen dat, als we God willen verstaan, we de stilte op moeten zoeken. Over het algemeen manifesteert Hij zich namelijk heel zachtjes en bescheiden, als een ondertoon, het suizen van een zachte bries. ‘Ik ben zachtmoedig en nederig van hart,’ zegt Jezus niet voor niets. God is stil, God is consequent (op zijn manier), God brengt orde, God brengt rust. Meestal is God het tegenovergestelde van lawaai. Maar er zijn uitzonderingen. Die uitzonderingen doen zich vooral voor wanneer God nieuw leven schept, en vervolgens eist dat wij daar ook verantwoordelijkheid voor nemen. Laten we eerst eens kijken naar de meest standaard manier waarop Hij dat doet:

Jonge mensen hebben zo hun manieren van doen. Eerst puberen ze, krijgen zo hun eerste liefdes, en uiteindelijk settelen ze zich en worden de helft van een stelletje. Laten we als voorbeeld ons stelletje …eeh… Hans en Grietje noemen (deze keer geen broer en zus, anders wordt het een slordig verhaal.) Hans en Grietje werken aan hun carrière, gaan uit, reizen, misschien trouwen ze ook nog (vooruit: ze zijn katholiek, dus ze trouwen.) Dit alles lukt ze allemaal tegelijk, terwijl ze ondertussen ook nog voortdurend op hun smartphone kijken. Het is een mirakel.

En dan komt het échte mirakel. Grietje voelt zich de laatste tijd ’s morgens een beetje misselijk, een beetje emotioneel ook, en het lijnen gaat ineens niet zo voorspoedig meer (niet in de laatste plaats omdat ze de hele dag zin heeft in chocoladeslagroombollen met ansjovis en loempiasaus). Negen maanden later ligt er een klein mensje in de wieg. Laten we het kleine mensje Truusje noemen. Truusje heeft kleine handjes, kleine beentjes, kleine oortjes, een klein neusje, kleine oogjes en…

…een enorme stem, een stem waar de bazuinen van het laatste oordeel nog iets van kunnen leren. Een gastoeter op speed waar de ramen van scheuren.

Stel je voor dat een apparaat plotseling zo’n lawaai zou maken: dan zouden we het het raam uitgooien. Gelukkig gooien Hans en Grietje Truusje niet het raam uit. Voor hen is Truusjes keiharde stem, die een mens door merg en been snijdt, de mooiste muziek ter wereld. Hun hele leven staat op zijn kop. Gisteren hadden ze het nog haast te druk om adem te halen met duizend en één belangrijke dingen. Ineens doen al die zogenaamd belangrijke dingen er niet meer toe en telt nog maar één ding. Hans en Grietje zijn namelijk geroepen. Ze zijn geroepen de vader en moeder van Truusje te zijn. Ze zijn geroepen de behoeders van nieuw leven te zijn. God heeft leven geschonken, en Hij doet het niet met stille trom.

Met nog meer geweld gaat Hij te werk wanneer Hij nieuw leven wil geven waar de dood is gaan heersen, waar geen vernieuwing en beweging meer is, omdat de mensen misbruik maken van het leven en dat wel best vinden zo.

Het verhaal van Amos uit de eerste lezing lijkt op dat van Hans en Grietje. Hij was rustig met zijn vijgen en zijn ossen bezig toen hij een stem hoorde waaraan hij niet kon weerstaan. Die stem was het leven zelf, en hij moest die stem doorgeven, die stem zijn eigen stem lenen. En dat was helemaal niet comfortabel. Die stem was namelijk helemaal geen lieflijke stem in de stilte, maar een rauwe aanklacht tegen alles wat de mensen belangrijk vonden. God was voor Amos als een baby die zijn sirene openzet: onmogelijk te negeren. Amos sprak: ‘De heer buldert vanuit Sion, vanuit Jeruzalem laat Hij zijn stem weerklinken. De weiden van de herders treuren, en de top van de Karmel verdort.’

Amos was geroepen om de verontwaardiging van God stem te geven, verontwaardiging over het egoïsme van het volk. De Israëlieten dachten dat ze het goed voor elkaar hadden. Ze boerden goed, ze aten en dronken goed, ze werden vet van het goede van het leven, voor hun gevoel was het zomer. Maar God wrijft ze onder de neus dat het een levenloze zomer is die ze genieten, een zomer van dorheid en dood, omdat ze de armen verdrukken, God vergeten en alleen met zichzelf bezig zijn. De Israëlieten leefden in een zomer die in werkelijkheid een bevroren vlakte was, smachtend naar nieuw leven, eerlijkheid, liefde. Amos was geroepen die valse zomer te ontmaskeren om een echte mogelijk te maken. Hij moest de mensen hun comfortabele illusie ontnemen. Niet om ze te kwellen, maar om een nieuw begin mogelijk te maken. En dat gaat met geweld gepaard. Psalm 29 zegt:

De stem van de HEER verbrijzelt de ceders,
de HEER verbrijzelt de ceders van de Libanon.
De stem van de HEER slaat in,
slaat in met vlammende schichten.
De stem van de HEER schudt de bomen,
scheurt de schors los van de stam.

De stem van de Heer schudt de keizer zijn nieuwe kleren van het lijf en toont hem dat hij in zijn blootje staat is, zou je kunnen zeggen.

Dat Amos deze boodschap brengt, wordt hem niet in dank afgenomen. Nota bene een priester zegt hem op te hoepelen met zijn lawaaierige boodschap. Maar Amos zegt dat hij simpelweg niet anders kan: hij is weggerukt van achter zijn ossen en vijgen door een kracht groter dan de zijne.

Welnu, wij christenen lijken bij uitstek op Amos. Ook wij hebben geen zin onze pleziertjes en onze agenda’s – met lucht overladen – achter ons te laten en ons bij een ander misschien onmogelijk of belachelijk te maken met een boodschap waar die ander misschien helemaal niet op zit te wachten.

Toch is dat wel wat Jezus van ons vraagt. Hij zegt:

Ik heb mijn majesteit achter mij gelaten, voor jou.
Ik ben in een ranzige stal geboren. Voor jou.
Ik heb mij aan het kruis laten spijkeren voor jou. Om jou uit de hopeloosheid te trekken waar jij jezelf en anderen elke dag weer in helpt. En nu vraag Ik van jou dat jij je dubbele hemd en je reiszak, je duizend belangrijke pleziertjes af en toe eens even laat voor wat ze zijn. Eerst om naar mij te luisteren. Daarna om mij te verkondigen.

Ook in een wereld die op mij niet zit te wachten. Amen.

Dagje Domie

Er was mij gevraagd om een dagje bij de protestanten te komen preken, eerst in de Nieuwe Kerk, daarna in de Martinikerk, beide in de stad. Dat vond ik wel leuk om een keertje te mogen doen. Ik geloof dat ze mij ook wel mochten. Hun preekstoel is trouwens een maatje groter dan die van mij.

Mijn verhaal is terug te lezen op de site van de Nieuwe Kerk in Groningen.

Eerste Zondagspreek: op wiens gezag?

Afgelopen zondag mocht ik mijn eerste zondagspreek houden in de Groninger kathedraal. Bij deze de tekst:

Deut. 18:15-20
1Kor.7:32-35
Mc.1:21-28

Mensen weten hoe langer hoe minder over religie, maar hebben er steeds onbeschaamder een mening over. We kennen het allemaal wel, het politiek correcte gezever op verjaardagspartijtjes.

  • Alle religies hebben evenveel wijsheid.
  • Protestant of katholiek: het maakt allemaal niks uit.
  • Je kunt ook wel geloven zonder de Kerk.

Ik ben dan altijd onmiddellijk geneigd om te zeggen: op wiens gezag? Wie zegt dat?

Net als de lezingen van vandaag. Die stellen de vraag: ‘Op wiens gezag?’

Wat is het toch met godsdienst? Als het om andere terreinen van het leven gaat eisen wij onverkort dat elke bewering wordt onderbouwd, het liefst met voetnoten. Als ik hier zou beweren dat je net zo goed benzine over je vanilleijs kunt gieten als bosbessensap, zou men mij voor gek verklaren, en terecht. Als ik beweer dat er op de heide in Odoorn leeuwen rondlopen die toeristen opvreten, zeggen jullie: ‘laat die dan eerst maar eens zien!’

Als het over religie gaat is het echter ineens een heel ander verhaal. Mensen die nog nooit een Koran in handen hebben gehad beweren met droge ogen dat de Islam de religie van de vrede is (of juist niet) en mensen die Jezus amper van een koelkast kunnen onderscheiden weten met net zulke droge ogen precies wat Hij wel of niet zou hebben goedgevonden.

Het klinkt meestal allemaal heel zoet en vredelievend, maar het is nergens op gebaseerd. Niet op studie. Niet op traditie. Niet op de ervaring van de gemeenschap. Helemaal nergens op. Drijfzand. Humbug.

Dit is waarom het boek Deuteronomium zo streng is tegen de valse profeten, mensen die over God spreken zonder dat het ergens op gebaseerd is. Valse profeten leren mensen te vertrouwen op een zelfgebakken God die niet bestaat, en bang te zijn voor een zelfgebakken God die niet bestaat. Tegelijk verduisteren ze de levende God die het bestaan schept en in stand houdt. Wie hen volgt gaat het schip in. En trouwens ook niet zomaar het schip in.

Want in tegenstelling tot wat de grachtengordel ons ongeveer dagelijks inpepert is je godsdienst van levensbelang. Godsdienst is zo ongeveer je meest wezenlijke taak in het leven na liefhebben en ademhalen. Daar kom je wel achter wanneer je met ouderdom, ziekte, dood of oorlog wordt geconfronteerd. En de meeste van die dingen kan niemand van ons ontlopen.

Als je dus straffe beweringen hoort doen over wie God is en wat Hij van je wil, wil je dus ook weten: op wiens gezag? Hoe betrouwbaar is dit?

Waarop moet gedegen kennis ten aanzien van God gebaseerd zijn? Op God zelf, zou je zeggen. Maar God is nogal bescheiden. Hoe kom ik erachter welke weg ik moet gaan? Naar wie moet ik luisteren?

‘Luister naar je hart, naar je eigen ervaring,’ roepen misschien de zwevers onder ons. ‘Maar,’ zegt dan een meisje van vijftien, ‘de jongen die vorige week nog mijn God en mijn alles was, vind ik deze week een puistenkop met een naar karakter.’

‘Luister naar je verstand,’ roepen de filosofen. Maar de God van de filosofen is een nogal abstracte, saaie figuur. Geen wonder ook eigenlijk: moet je een God willen aanbidden die klein genoeg is om in de anderhalve kilo grijze blubber te passen die je in je hoofd hebt?

‘De Bijbel is het enige antwoord,’ zegt het protestantisme. Dit was ook ongeveer de houding van de schriftgeleerden waar Jezus mee te maken kreeg. Maar de Bijbel is geen handleiding. Het is een kolossaal archief van al onze ervaringen met God, van onheuglijke tijden tot de eerste eeuw van onze jaartelling. Ook de vergissingen staan erin, en aan het begin van onze weg keken wij anders aan tegen wie God was dan aan het einde.

De God van Genesis is een andere dan die van Johannes. Daaruit volgt dat de Bijbel zichzelf voortdurend tegenspreekt. Ik ben er van overtuigd dat dat een geluk is. God heeft ons de Bijbel niet gegeven om Hem te vervangen. Hij is niet de God IKEA, die je naar huis stuurt met een plat pakket en een handleiding om de boel zelf verder in elkaar te schroeven. De Bijbel is één van de kostbaarste schatten van de Kerk, maar mag nooit verafgood worden, en nooit op eigen houtje met arrogantie worden geïnterpreteerd. De schriftgeleerden in de synagoge wisten alles van de Bijbel, maar konden het kwaad uit de bezetene niet verjagen. Jezus had daarvoor aan een enkel woord genoeg. Hij was immers niet als de schriftgeleerden, staat er, maar als iemand die gezag bezit. Dat is duidelijk niet hetzelfde…

Daarin zit ook gelijk de oplossing van ons probleem. Het antwoord is namelijk dat een mens er niet alleen voor hoeft te staan.

Vorige week lazen we al hoe Jezus zijn leerlingen riep en zo de Kerk stichtte. Op hun getuigenis, het getuigenis van de apostelen, mogen wij vertrouwen, en bij hun familie mogen wij horen.

De garantie daarvoor is de eenheid met hun opvolgers. Dat zijn ook maar mensen, die fouten maken, maar als geheel, als gemeenschap, kunnen zij niet falen. Op Petrus heeft de Heer zijn Kerk gebouwd, en tegelijk beloofd dat de poorten van de hel haar nooit zouden overweldigen.

Door de eenheid die wij op die manier vormen worden al onze ervaringen en inzichten gebundeld met die van de heiligen in de hemel. Samen vormen wij het Lichaam van Christus dat hemel en aarde omspant. Hij leeft in ons, want Hij schept ons elk moment van ons leven, en geeft ons zijn Woord en voedt ons met zijn eigen Lichaam en Bloed. Door Hem en met Hem en in Hem bezitten wij samen het gezag om de demonen van deze wereld te bevelen te verdwijnen. Als dat niet onmiddellijk lukt, komt dat omdat wij tegelijk maar onnozele mensen zijn, die onszelf tegenwerken. Toch wanhopen wij nooit, want langzamerhand komen wij, ook al is het niet altijd even elegant, steeds dichter bij ons doel: het Hart van de Heer die de Liefde zelf is, en voor wiens Licht en Warmte elke duisternis moet wijken. Op wiens gezag? Op zijn gezag. Amen