Geruis uit de Kluis

Warfhuizen Beiers !?

Kluizenaars zijn mensen. Als je in ze knijpt zeggen ze ‘au,’ als je ze volgiet met cola beginnen ze te boeren, en ook kunnen ze – net als ieder ander mens – van de brommer worden gereden of ziek worden. Normaal is dat geen probleem: de betreffende kluis wordt opgeheven en verkocht of afgebroken. In Warfhuizen gaat het echter ondertussen al lang niet meer alleen om een kluis, maar ook om het enige functionerende Mariaheiligdom in de wijde omtrek. Daarom begon het zo langzamerhand verstandig te worden na te denken over de continuïteit van kerk en kluis in Warfhuizen. Wie zorgt ervoor dat het doorgaat? Kluizenaars zijn immers maar zelden in de aanbieding bij de V&D, en ook groeien ze niet aan pruimenbomen. Nu functioneert de Groninger Kerk waarschijnlijk ook zonder Mariakapel waarschijnlijk wel gewoon door, maar gezelliger wordt het er natuurlijk niet op…

Hierop hebben wij het volgende gevonden! Warfhuizen wordt Beiers!

Nou ja… een beetje toch.

In Beieren bestaan al sinds de contrareformatie, zeg maar de zestiende eeuw, zogenaamde ‘Eremitenverbrüderungen,’ gezelschappen van kluizenaars. Die functioneerden oorspronkelijk als een soort van congregaties en tegelijk als vakbond (‘Eremitenberufsverein’) en woningbouwvereniging (funda.nl maar dan anders) voor kluizenaars. Deze gezelschappen waren meestal georganiseerd per bisdom, en hadden aan het hoofd een ‘oudvader’ die als abt fungeerde. Hij woonde in het moederhuis, waar ook de kapittels werden gehouden en de novicen werden opgeleid. Zo ontstond bijvoorbeeld voor het bisdom Regensburg het heremietenverband van Frauenbründl, genoemd naar de kluis en bedevaartplaats bij Bad Abbach die het moederhuis was. Na het Tweede Vaticaanse Concilie vielen de kluizenaars direct onder de plaatselijke bisschop, en waren de heremietenverbanden dus – strikt gesproken – niet meer nodig. In de praktijk bleef ondersteuning echter toch noodzakelijk, en de meeste heremietenverbanden werden dus niet opgeheven maar omgevormd. Zo ook dat van Frauenbründl (in 1992). Het is geen congregatie meer, maar de ‘vakbondsfunctie’ en de ‘woningbouwfunctie’ (welke kluizenaar in welke kluis?) zijn nog net zo actueel als vroeger. De oudvader heeft niet meer de rol van overste, maar – veel belangrijker – de rol van spiritueel leider. Zijn gezag is eerder vergroot dan verkleind, zij het ook van een totaal andere aard.

Welnu: De kluis van Warfhuizen maakt sinds de afgelopen zomer deel uit van dit heremietenverband, ook al ligt hij duizend kilometer van Regensburg en is hij ongeveer net zo Beiers als een poffert. Het was in theorie al mogelijk geworden om kluizen buiten de bisdomgrenzen van Regensburg op te nemen sinds de laatste hervorming, maar hier was nog nooit gebruik van gemaakt. Dat Warfhuizen het eerste aan de beurt is, is te danken aan de goedheid van de oudvader en de andere heremieten van het verband van Frauenbründl. Zij beseffen dat een kluis in de diaspora extra kwetsbaar is, en willen een bijdrage leveren om het kluizenaarsleven en de devotie voor de Moeder Gods in het noorden te ondersteunen.

Moeten we nu kerk en kluis van Warfhuizen als een soort Beierse enclave in het bisdom beschouwen?

Ja en nee.

Nee: broeder Hugo blijft gewoon kluizenaar van het bisdom Groningen, onder het gezag van de bisschop en in zijn handen geprofest. Ook aan de jurisdictie over de kerk verandert helemaal niets.

Ja: De oudvader en de andere kluizenaars van Frauenbründl hebben de heremiet van Warfhuizen als een van hen aanvaard, en kluis en heiligdom zullen hun een zorg zijn. Dat wil zeggen dat een Groninger bisschop die ooit eens met een lege kluis van Warfhuizen komt te zitten er niet meer alleen voor staat. Bisschoppen zijn immers geen contemplatieven, laat staan oudvaders. Het zou oneerlijk zijn een bisschop op te zadelen met de taak een kluis bezet te krijgen met de juiste kluisbroeder.

Hoe dit alles in de praktijk uit zal pakken zullen we hopelijk nog een hele tijd niet weten. Maar het is voor iedereen een fijne gedachte dat erover nagedacht is.

Katten in de kerk

Als pastoors klagen over ‘katten in de kerk’ hebben ze het meestal over een bepaald model vrijwilligster waarvan iedereen zich afvraagt waarom dat ooit in de mode is geraakt. Daar heb ik hier echter nooit last van gehad.

Ik bedoel ‘katten in de kerk’ dan ook letterlijk. Trouwe bezoekers van Onze Lieve Vrouw van Warfhuizen weten wel dat het hier een beestenboel is. Zelf heb ik geen huisdieren, maar die van de buren bewijzen dat alles wat leeft in de grond katholiek is: ze zijn dol op het huis van de Heer. Ik moet me daarbij neerleggen, want de deur staat hier principieel open, en ik ga niet de godganse dag op wacht zitten om beesten de kerk uit te bonjouren.

De meest vertrouwde gast is de oude grijze poes van mijn buurman, die luistert naar de naam ‘Zusje’ (de kat, niet de buurman). Alle bidzielen die hier regelmatig Maria komen opzoeken kennen Zusje. Zusje is gesteld op rust, en bleek onder het Sacramentsaltaar te zijn gaan wonen op het moment dat buurmanlief zich een vriendin met hond had verworven. Daar kwamen we een aantal jaren geleden plotseling achter toen zij tijdens een plechtig Sacramentslof – een ware diva – haar entree maakte van tussen de altaardwalen. (Vervolgens verstijfde ze, omdat de hele kerk stampvol studenten zat. Ze wilde niet meer voor- of achteruit.  Uiteindelijk moest ze door een misdienaar plechtig de kerk uitgedragen worden).

De vriendin van de buurman is er nog, de hond ondertussen niet meer, maar Zusje zit nog steeds het grootste deel van de tijd onder het Sacramentsaltaar. Als het niet al te druk is sjokt ze gemoedelijk van het heremietenkoor naar beneden, en gaat pal voor het centrale altaar op het middelste knielkussen liggen. Daar steelt ze dan alle harten, vooral die van damestoeristen van middelbare leeftijd, die dan lawaaierig gaan staan smelten voor het clausuurhek, wat mevrouw zich spinnend laat welgevallen. Enfin, ik moet onze Grande Dame haar kwartiertje aanbidding maar gunnen…

Met Zusje kan ik wel leven.

Nu hebben we echter een nieuw probleem in de vorm van een rooie kater, die volgens mij van de Jehova’s getuigen aan de overkant is. Nu zijn dat uiterst lieve mensen, maar anders zou ik ze er serieus van hebben verdacht dat ze het beest speciaal hebben getraind om verderfelijke Roomse erediensten (“valse religie”) te verstoren. Ik noem hem ‘Proetsie’ (geen idee hoe hij eigenlijk heet) omdat hij – waarschijnlijk heeft hij ooit de niesziekte gehad – bij het spinnen een geluid maakt dat nog het beste te beschrijven is als PPRRRROEETT (niet voor niks met hoofdletters). Dat is echter nog niet de voornaamste oorzaak van de overlast die hij veroorzaakt. Wat een veel groter probleem is, is dat Proetsie het meest aanhankelijke beest is dat ik ooit heb gezien. En hij stoort zich niet aan liturgische conventies. Als ik geknield zit voor het uitgestelde Allerheiligste is dat voor hem geen enkele reden om zijn vrijages te staken. Daarbij begint hij uiterst klaaglijk  – hij vindt zelf waarschijnlijk: uiterst virtuoos – te zingen zoals alleen katers dat kunnen. Daarbij maakt hij misbruik van het feit dat ik in een dergelijke liturgische setting natuurlijk moeilijk kattenverjagende maatregelen kan nemen. KKKSSSSSTTTT, WEG, KKSSSST staat niet in de Laus Deo, en al zeker niet tussen het Ave Verum en het Tantum Ergo in.

Een volmaakte agent van het Wachttorengenootschap, dit perfide beest.

Images Religieuses 1: Ecce Regem vestrum!

Tijdens het opruimen van de bibliotheek vond ik een boekje met gravures waaraan ik erg gehecht ben. Ik laat ze zien en laat mijn associaties de vrije loop.

Het Boekje begint waar katholieke boekjes horen te beginnen: het begint met Jezus Christus, en smijt ons gelijk de moeilijk verteerbare kern van zijn boodschap in het gezicht. Hij staat er in al zijn onvertoonbaarheid lelijk en verschopt te zijn. ‘Ecce Regem vestrum’ staat eronder: ‘Zie hier uw Koning!’

Het is verbazingwekkend dat de meeste mensen dit een oudbakken en vanzelfsprekend verhaal vinden, terwijl deze boodschap nog steeds even belachelijk is als toen hij voor het eerst werd geuit door Pilatus.

‘Joden eisen wonderen, Grieken verlangen wijsheid. Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden shockerend, voor heidenen idioterie’ (Sint Paulus in de eerste brief aan de Korinthiërs)

Pilatus laat Jezus naar buiten brengen op het “mozaïekterras” (in het Hebreeuws “Gabbata.”) Jezus is zojuist door en door kapotgeslagen, Hij zit onder het bloed, de vellen hangen erbij, Hij is goor en Hij stinkt. Het terras is als een theaterbühne of een etalage: Hij staat daar naakter dan naakt voor een opgewonden troep mensen.
Pilatus roept, ongetwijfeld met een theatraal gebaar: ‘Zie hier, jullie Koning!’

‘Weg met Hem!’ roept de menigte. ‘Aan het kruis met Hem!’ en ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’

Elke Goede Vrijdag en Palmzondag, wanneer dit in de kerk wordt voorgelezen, zitten we met zijn allen deze opgezweepte troep mensen collectief te verafschuwen. Het is echter niet voor niets dat het juist deze woorden zijn – Weg met Hem,  en Kruisig Hem! – die door het hele verzamelde kerkvolk hardop moeten worden meegelezen. De woede van het volk dat Jezus gekruisigd wil zien heeft namelijk weinig te maken met “de joden,” “de vervolgers” of “de ander” in het algemeen. Het gepeupel dat samengedromd was voor het Mozaïekterras is allang door het schuren van de tijd tot stof vergaan en vergeten. Het gaat er niet om wie deze mensen precies waren (God hebbe hun zielen).

Als dit verhaal iets te vertellen heeft, dan is het juist over de verhouding van de christenen met hun God.

Die is namelijk op zijn minst problematisch. Periodiek proberen we Hem te verbouwen tot iets waar je beter mee voor de dag kunt komen (bijvoorbeeld door Hem wat koninklijker te maken), of proberen we Hem zelfs gewoon zonder meer te dumpen. Het is echter verbazingwekkend hoe kleverig Hij is. Hij is geen smerig korstje, dat je zo maar even weg kunt krabben. Op de één of andere manier gaat elke poging om van Hem af te komen de laatste eeuwen met torenhoge stapels lijken gepaard, en na zo’n exercitie duikt Hij altijd binnen vijf minuten weer op. Toch proberen we het elke keer opnieuw.

En neem het ons eens kwalijk. In tegenstelling tot wat het politiek correcte dogma van dit moment ons wijs wil maken is de Timmerman-God van de christenen namelijk volstrekt uniek. En wel vooral door zijn onooglijkheid en zijn veeleisendheid. Niet alleen ziet Hij er niet uit, Hij is ook nog eens de meest strenge en lastige Godheid waarmee ooit het firmament was opgesierd.

Jezus de toffe knuffelheiland? Yeah, right…

Een stukje geschiedenis

Alle goden van het verleden tot nu toe waren redelijk rationele zakenpartners. Nog niet zo lang geleden hadden we er een heel stel. Die waren soms chagrijnig, maar wel consequent. Ze huldigden het principe do ut des, oftewel ‘jij geeft Mij wat, dan geef ik jou wat.’ In die zin waren het erg Hollandse goden. Ik offer Jou een geit, en Jij zorgt dat ik de rest van mijn geiten met een goede winst verkoop. Deze goden vonden het niet erg als je af en toe ook bij één van de anderen kocht, zolang die maar niet in dezelfde branche zat. Als goede zakenlui waren het ook geen zedenmeesters. Het interesseerde ze gewoon niet zoveel wat je verder uitvrat, noch ook hoe het verder met je ging. Ook in die zin waren het net Hollanders.

Toen de vele goden werden onttroond, en er nog maar Eentje over was, verschilden zijn mores in het begin nog niet zo van die van het oude management. Ook zijn morele eisen waren redelijk. Als iemand je een klap voor je kop verkoopt, mag je hem er ééntje terugverkopen, maar niet meer. Je mag hem die klap ook laten afkopen. De rest is van gelijke aard: een beetje voorzichtig zijn met andermans goede naam, niet overdrijven met het uitbuiten van arme sloebers, niet teveel liggen te hoeren en snoeren, en als je je vrouw de deur uitdoet moet je haar een fatsoenlijke referentie geven, zodat ze vooruit kan. Enzovoort, enzovoort. ‘Fatsoen moet je doen,’ zo zou je het samen kunnen vatten.

Op den duur begon deze ene God echter, zakelijk gesproken, wat vreemde trekjes te ontwikkelen. Hij werd wel erg dol op zijn gelovigen. Hij gedroeg zich tegenover zijn volk alsof Hij een vrouw het hof maakte. Af en toe liet Hij doorschemeren dat Hij eigenlijk verliefd was op de mensheid in het algemeen. In plaats van zich bezig te houden met een vette winst in de vorm van brand- en slachtoffers maakte Hij zich druk over het levensgeluk van zijn clientèle. Hij wilde zich geliefd maken in plaats van gevreesd, bezongen in plaats van bezworen, dienstbaar in plaats van gediend. Dit liep gierend uit de klauwen:

“En kijk, een maagd wordt zwanger, en baart een Zoon, en wij noemen Hem Immanuël, God met ons.”

Goddelijke gekte

Dat God mens wordt is – in tegenstelling tot wat velen denken – in de geschiedenis van de godsdienst op aarde niet uniek (in India lusten ze er wel pap van). Met Jezus zijn er echter twee problemen.

Ten eerste zijn al genoemde onooglijkheid. Wij mensen willen op het winnende team wedden. Wij willen een beetje glans en glamour. (Wij mopperen op de rijkdom van ons koninklijk huis, maar zelfs de ergste republikein onder ons is stiekem trots dat onze gouden koets harder glittert dan die van de Belgen.) Wij hebben, met andere woorden geen andere koning dan de keizer, namelijk de winnaars, het glanzende en het succesvolle. Wij willen cool zijn.

Waarom toch, God, die mottige timmerman die zich inlaat met sloebers, hoeren en belastingambtenaren en zich in een orgie van machteloosheid en smerigheid aan een kruis laat timmeren? Ecce Regem vestrum, “ziehier uw koning!” Huh!?

Waarom geen ridder in een wit met gouden harnas die – rijdend op een gevleugeld ros – draken lek prikt?

Het tweede probleem is echter veel groter. Er is in de hele mensengeschiedenis nog nooit zo’n volslagen idiote morele leer verkondigd als die van Jezus. Wat Jezus van ons vraagt is niet alleen volslagen ondoenlijk, maar je moet je ook de vraag stellen of je het wel moet willen.

Jezus’ leer vloekt met ons gevoel voor eigenwaarde, onze overlevingsinstincten, ons gevoel voor rechtvaardigheid en ons gevoel voor logica.

“Jullie hebben gehoord dat er gezegd werd: ‘Een oog voor een oog, een tand voor een tand.’ Maar Ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren. Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af.”

Een versleten tekst die we al duizend keer hebben gehoord? Lees hem maar eens tien keer over en kijk wat er nou echt staat, en je zult zien dat wat hier van je gevraagd wordt niet vanzelfsprekend, maar volslagen krankzinnig is.

“Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: ‘Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel.”

Hallo, voel je je wel helemaal lekker?

Hetzelfde gaat op voor de zaligsprekingen, die even eerder in hetzelfde hoofdstuk van Mattheüs staan (5). Omdat we ze al zo vaak hebben gehoord zien we niet meer hoe volslagen gestoord deze teksten eigenlijk zijn. Zalig de nederigen, de treurenden, de vervolgden.

Hè!?

De laatste halve eeuw heeft de grachtengordel (en in het buitenland andere ‘elites’) zijn uiterste best gedaan dit alles onschadelijk te maken door het te framen als een geitenwollensokkenverhaal. De werkelijkheid is natuurlijk dat werkelijk doen wat Jezus vraagt een fantastische heldenmoed vergt die nog niet één op de miljoen gegeven is.

Het Nijntje-gehalte van Jezus is nul.

Aan de andere kant wil dat niet zeggen dat we nu automatisch kunnen overstappen op ‘Jezus, de stoere en slimme held.’ Als het iedereen zou lukken te doen wat Jezus vraagt zouden we in de hemel op aarde leven – tenminste gedurende de vijf minuten dat we nog niet zouden zijn bezet door vreemde mogendheden die zich aan Jezus niet storen (precies zo’n mogendheid waarin we zelf op dit moment ook aan het veranderen zijn).

Is het godslasterlijk om voor de Bergrede (waaruit deze passages genomen zijn) woorden als debiel, idioot en krankzinnig te gebruiken? Nee, wel eerlijk. We erkennen daarmee dat Gods motieven ons ver boven de pet gaan. Onze logica kan zijn overwegingen niet bevatten. Daarom lijkt het dwaasheid wat Hij zegt en doet:

“Want de idioterie van God is wijzer dan de mensen en de zwakheid van God is sterker dan de mensen.” (Sint Paulus in de eerste brief aan de Korinthiërs)

Wat is hiervan nu het directe gevolg?

Christenen zijn altijd in gebreke, zelfs als ze in de ogen van een normale menselijke ethiek (‘fatsoen moet je doen’) volmaakte rechtvaardigen zijn.

Niets doen als ons kwaad wordt aangedaan? Zelfs de Kerk legt ons uit dat we soms niet anders kunnen dan terugschieten. Dat we bovendien verplicht zijn iets te doen als het recht wordt verkracht, ook als dat van ons geweld vereist. Dus halen we uit, als het moet. Toch voelen we ons zelfs dan bijzonder ongemakkelijk. Dan zeggen we: in deze situatie mag het, moet het…

…toch zullen we ons er nooit comfortabel bij voelen, omdat de schorre stem van onze kapotgeslagen God blijft jeuken in onze oren.

Niet alles weggeven? Dat is volmaakt te verdedigen, sterker nog, het wel doen zou voor de meesten van ons immoreel zijn (met de verantwoordelijkheid voor anderen die wij hebben). Bovendien zou uiteindelijk niemand er iets mee opschieten…

…toch zullen we ons nooit comfortabel voelen bij al te overdreven materiële rijkdom, omdat de zeurende stem van onze straatarme God blijft jeuken in onze oren.

enzovoort, enzovoort.

Eén van de dogma’s van het huidige politiek-correcte establishment is van een zekere meneer Feuerbach. Hij zei: “Niet God heeft de mens geschapen naar zijn evenbeeld, maar de mens heeft God geschapen naar zijn [gewenste] evenbeeld.” 

Welke God?

In ieder geval niet die van ons!

 

Images religieuses: inleiding

We hebben net het feest van Maria Koningin gevierd, maar het weer doet alsof het al Allerheiligen is. Tijd dus om de kachel op te stoken en de bibliotheek op te ruimen. De afgelopen drie jaar hebben me immers niet de rust gelaten om orde te houden in de alsmaar meer om zich heen grijpende boekenzee. ‘Boekenzee’ bedoel ik maar gedeeltelijk figuurlijk. Ze klotst, ze golft en als je niks tegen haar onderneemt slaat ze de dijken weg. Boeken zijn net konijnen. Elke ochtend zijn het er méér.

Als je zo’n klusje aanpakt, is het grootste gevaar altijd … vroeger. Je bent immers aan het graven in je verleden, en onvermijdelijk kom je personen of zaken tegen die je bij de strot pakken. Op zich is dat geen ramp, maar opschieten doet het natuurlijk ook niet.

Soit. Ik ben er immers aan begonnen omdat ik eindelijk weer eens tijd heb. Laten we daar dan maar eens wat van verspillen aan zoete en zure herinneringen. Die vormen immers ook een soort bibliotheek, die net als de papieren versie af en toe moet worden opgeschoond en opgeruimd.

Deze keer is het al snel raak, als ik een groen boekje uit de negentiende eeuw tegenkom, met in verweerde gouden lettertjes het opschrift ‘Images religieuses.’ Het is één van mijn meest gekoesterde bezittingen, en altijd als ik het in handen krijg is dat een garantie voor uren vertraging. Dat komt omdat het een bom van atmosfeer is. Ik ben gevoelig voor atmosfeer.

Het ruikt zoet. Het is zoet. Het heeft een stijf kaft dat maar moeilijk open wil. Het is een oesterig boekje. Het heeft nu een voorname moskleur, maar ik vermoed dat het honderdvijftig jaar geleden groener dan groen was. Het bevat alleen heiligenprentjes, met als enige tekst de onderschriften. Net als de titel al doet vermoeden is het boekje nogal Fransig: de prentjes zijn in de stijl die men Saint-Sulpice noemt, vernoemd naar een wijk in Parijs rond een beroemde kerk waar veel drukkers van dit soort vroom drukwerk woonden.

Dat is echter bedrog. Het boekje is net zo Frans als de dom van Keulen: de spitsbogen nog spitser, de luchtbogen nog luchtiger, het glas in lood nog glaziger, de lievevrouwen nog liever. Het is, met andere woorden, gründlich Frans. Het is een uitgave van de ‘Verein zur Verbreitung religiöser Bilder’ in … Düsseldorf.

Nog niet zo lang geleden werd er op deze kunst met dedain neergekeken: pastiche, kitsch. Tegenwoordig worden deze plaatjes weer meer en meer herkend voor wat ze zijn: geweldig werk van geweldige graveurs. Ik ga jullie er de komende tijd wat van laten zien. Daarbij gaat het me echter niet om de kunstzinnige waarde, maar om de verhalen achter de afbeeldingen. En om de geur. Ondanks het feit dat ruikende weblogs nog wel even toekomstmuziek zullen blijven hoop ik daarvan toch iets over te kunnen brengen.

De gunstige tijd…

Zet geen sjachrijnig gezicht op, als je gaat vasten, zegt de Heer. De laatste jaren vraag ik me steeds vaker af waarom je dat überhaupt zou moeten doen. De vasten zijn geen tijd om met gebogen hoofd te ondergaan. Meer en meer krijg ik het vermoeden dat deze veertig dagen juist uitnodigen om het leven met meer tederheid tegemoet te treden.

Ja, dit is een tijd om onze smerigheid in de ogen te kijken.

Ja, dit is een tijd om onze gemakzucht te bevechten.

Ja, dit is een tijd om – desnoods met een beetje geweld – onze vaak zo kleverige misselijke gewoontes van onze ziel te trekken.

Maar het resultaat van al die inspanning zou juist moeten zijn dat we al die dingen dan ook – minstens voor een stukje – achter ons mogen laten. Niet omdat we ons ervan af hebben gevochten. Dat lukt bijna nooit. Juist op het moment dat we tot het besef komen dat we daar zelf niet toe in staat zijn, juist op het moment dat we moeten erkennen dat we zwak en krakkemikkig zijn, juist dan kan ons de genade overvallen. We hoeven niet meer te ontkennen, te verbergen, goed te praten, allemaal dingen die doodvermoeiend zijn, net als de zonde zelf.

De grond van de zaak is immers niet dat we niet mogen kwaadspreken, liegen, zeuren en hoereren. De grond van de zaak is dat we al die dingen niet hoeven. Niemand vindt ze namelijk eigenlijk echt van harte leuk of gelooft werkelijk dat hij er gelukkiger van wordt. Zonde is slavenwerk.

Maakt dat het hele gebeuren gemakkelijk, een tripje in het park? Nee: het vergt wel degelijk moed om onze verrotting aan de Dokter te tonen en Hem zodanig te leren vertrouwen dat we Hem onze zere plekken aan laten raken.

Maar dan is er ook een nieuw begin. Vasten doen we niet voor niets in de lente!

Versterking van het broederschapsteam: Dennis van der Beek (18) en Erik Wories (17)

Namens de broederschap:

We hebben er twee broedermeesters (zo heten de bobo’s van broederschappen) bij, en wel Dennis van der Beek en Erik Wories. Waarschijnlijk zijn zij de jongste broedermeesters van Nederland, en dat komt ons precies goed uit. Dennis en Erik zullen zich namelijk bezighouden met de jongerenactiviteiten van de broederschap. Ook zullen zij vanaf nu namens de broederschap de contacten met het jongerenplatform van het bisdom Groningen-Leeuwarden onderhouden.

Erik en Dennis zijn alle twee volwassen katholieken die de afgelopen jaren hebben bewezen dat je als jongere allerminst een wereldvreemd ei hoeft te zijn om je religie serieus te nemen. Daarnaast staan beiden bekend als gangmakers, en dat moet ook. Bedevaarten zijn immers altijd ook feestjes en ook bij processies is het belangrijk dat de gang erin blijft.

Wij wensen Erik en Dennis veel succes en plezier bij hun nieuwe uitdaging!

Op deze foto staan ze toevallig alle twee, Erik op de voorgrond en Dennis daarachter met broeder Hugo.

Houd mij niet vast

Als kleine handreiking in verband met een ontmoeting vandaag herplaats ik hier een stukje uit het oude ‘Geruis uit de kluis,’ uit 2008. De directe aanleiding was toen een reportage over de ontmoeting tussen Andries Knevel en Boele Ytsma (in die tijd de ‘apostel van de twijfel,’ tegenwoordig de ‘apostel van het groenvoer’) die ik had gezien. Volgens mij had Boele iets meegemaakt dat vergelijkbaar was met mijn eigen ervaringen, maar ik durfde toen al niet te pretenderen dat ik in zijn ziel kon schouwen. Dat durf ik nog steeds niet, zodoende moet het volgende los worden gezien van die uitzending. Dit gaat puur over mijn eigen ervaringen.

2008

Aan het begin van deze advent speelt mij weer eens een thema door het hoofd dat mij met enige regelmaat bezighoudt: het sterven en verrijzen van ons geloof. Misschien dat sommigen van jullie daar vreemd tegenaan kijken, maar ik denk dat iedereen die serieus met geloven bezig is wel begrijpt wat ik ermee bedoel.

Inderdaad: ons geloof moet, net als de Heer zelf gedaan heeft, sterven en verrijzen, anders verandert het in beton en drukt ons terneer, het verandert in een gesneden beeld, het verandert in afgodendienst. De momenten dat je ‘geloof sterft’ zijn de angstigste maar ook de meest vruchtbare momenten in het leven van een gelovige. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft brengt zij geen vruchten voort…

Natuurlijk loopt dit niet altijd goed af. De sleutel is de nederigheid die niemand ooit werkelijk bezit, maar die velen van ons gelukkig soms mogen lenen. Als je geloof sterft is het van levensbelang dat je de neiging tot verzet, de hoogmoedige neiging naar autonomie, het God zelf willen zijn, overwint.

Nederigheid en godsvertrouwen horen namelijk bij elkaar. Wie hoogmoedig wordt en meer op de hersenspinsels van zijn eigen ‘wijsheid’ vertrouwt dan op God, hij zal zijn geloof verliezen. Het sterft en staat niet (vanzelf) meer op. Hetzelfde geldt voor mensen die hun geloof niet láten sterven, die zich vastklampen aan hun verdorde, versteende geloof. Na lange of korte tijd verkruimelt het als de reus met de lemen voeten, en ze blijven met lege handen achter.

Hoe kan dat: je geloof laten sterven terwijl je toch op God blijft vertrouwen?

Als al die dingen die heilig leken, maar eigenlijk bouwsels van je eigen verbeelding waren, beginnen te wankelen, treedt er een reflex van overgave aan God op die recht op de kern afgaat met weglating van alle constructen. Persoonlijk geloof ik dat deze reflex ingeschapen is, maar wel mede wordt gevormd door je opvoeding en levenswijze. Wat sterft in het hele proces is niet de kern van het geloof, de sprakeloze intieme band die jou aan God bindt (al wordt die wel volkomen onzichtbaar en tijdelijk onervaarbaar zolang het versleten godsbeeld nog in de weg staat.) Het hoeft zelfs niet eens te betekenen dat je bepaalde formele geloofswaarheden loslaat. Wat sterft zijn jouw persoonlijke percepties van God, ontstaan uit je gedachten en ervaringen, vruchtbaar gemaakt voor je groei, en nu uitgebloeid en klaar om te sterven.

Tijdens zo’n ’sterven van het geloof’ kan je het gevoel hebben razend te zijn op God, je kan innerlijk op Hem schelden en tieren, je kan er een stroom van blasfemieën uitkramen, maar het onderwerp van je woede zal altijd het godsbeeld zijn dat je zelf geschapen hebt, niet de werkelijke, levende God.

Wen je eraan, dat sterven van het geloof? Wordt het niet makkelijker op den duur om dit alles te ondergaan? Nee. Elk godsbeeld dat eraan gaat heb je lang genoeg gekoesterd om er vreselijk mee vergroeid te zijn. Daarbij lijkt elk godsbeeld dat moet sterven een beetje meer op wie God werkelijk is dan het vorige. Zodoende voelt het alsof we werkelijk van ons geloof vallen. ‘Vallen’ is voor die ervaring een goede metafoor, vind ik persoonlijk. Verzuipen in een schijnbaar leeg heelal zou een andere kunnen zijn.

Ik denk dat deze pijn een vermomde genade is. Om de beperktheid van ons godsbeeld werkelijk te ervaren, en zodoende te voorkomen dat we het gaan ‘aanbidden’ alsof het werkelijk God zelf was, moet het van tijd tot tijd voor onze ogen kapot vallen, zonder enige reverentie afgebroken worden. ‘In brand gestoken en met de schop uitgeslagen worden,’ zouden ze in zuid-oost Brabant zeggen. ‘Gekruisigd,’ zouden de oude Romeinen zeggen, want dat had in hun dagen dezelfde gevoelswaarde.

Het volk dat in het duister wandelt, heeft een groot Licht gezien, profeteert Jesaja. Maar om dat nieuwe Licht te zien moet je dus soms eerst in het duister durven wandelen. En dan zie je niet waar je loopt. Dan moet je vertrouwen.

Toen sprak Jezus: ‘Houd mij niet vast, want ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader.’ Joh.20:17

Overweging bij het feest van Sinte Lucia 2013

In deze donkerste tijd van het jaar schenkt het kerkelijke jaar ons het feest van de heilige Lucia. Vooral de Zweden hebben gemaakt dat dat feest voor ons een lieflijke associatie heeft: een jong meisje, gekroond met kaarsen, brengt het licht onder de gelovigen en gaat rond met warmte: vroeger in grote huishoudens zoals kastelen een beker warme gekruide wijn.

Dat doet ons licht vergeten dat het levensverhaal van de heilige Lucia allesbehalve lieflijk is. Sterker nog: in onze ogen is het een typisch voorbeeld van antieke smakeloosheid.

Volgens de legende leefde Sint Lucia in de tijd van de christenvervolgingen door keizer Diocletianus (regeerde 284-305). Ze was de dochter van een Romeins burger in Syracuse, die haar vader op jonge leeftijd had verloren. Haar moeder, Eutychia, leed al vier jaar aan dysenterie. Beide vrouwen brachten een nacht biddend bij de tombe van de christelijke heilige Sint Agatha door, de beschermheilige van Catania. Aan het einde van de nacht verscheen de heilige voor Lucia in een visioen. De heilige voorspelde Lucia daarin dat zij de glorie van Syracuse zou worden, zoals Agatha dat van Catania was. Ook was haar moeder terstond op wonderbaarlijke wijze genezen.

Eutychia regelde een heidense echtgenoot voor haar dochter, maar Lucia haalde haar moeder over het huwelijk niet door te laten gaan de bruidsschat als aalmoezen onder de armen te verdelen. Lucia had echter Christus als bruidegom gekozen en wilde eeuwig maagd blijven. De beoogde echtgenoot kwam op de hoogte van het uitdelen van de bruidsschat. Hij gaf Lucia daarop als christen aan bij de magistraat Paschasius. Deze verzocht haar een offer aan de keizer te brengen, wat ze weigerde. Daarop werd ze veroordeeld tot tewerkstelling in een bordeel, maar op wonderbaarlijke wijze bleken de wachters haar niet te kunnen afvoeren, ook nadat men een ossenspan had ingezet. Later probeert men haar levend de verbranden, maar ook van de brandstapel leek zij geen last te hebben. Daarop werd ze met zwaardsteken om het leven gebracht. De fatale wond zou zijn toegebracht door met een zwaard door haar hals te steken.

Een andere legende verhaalt hoe Lucia haar ogen verloor. Eén versie van dit verhaal is dat een heidense minnaar naar haar hand dong. Hij maakte haar een compliment over haar mooie ogen, waarna ze haar ogen uitstak en hem deze toezond op een schaal, met de boodschap haar verder met rust te laten.

Wat wil nu eigenlijk de boodschap zijn van dit verhaal?

Wanneer wij bijzonder van iemand houden noemen we zo iemand wel een ‘oogappel,’ of vroeger ‘het licht van mijn ogen.’ Ogen zijn de poorten van één van onze belangrijkste zintuigen. Die zintuigen bepalen hoe we de wereld zien, en hoe we ons leven ervaren. Niet voor niets zeggen we wel, als iemand gedeprimeerd is: ‘Hij ziet het leven door een donkere bril.’ Aan de andere kant zeggen we dan weer voor iemand die blind is voor het kwaad in de wereld: ‘Die heeft een roze bril op.’

De ogen nemen niet alleen het licht waar, maar stralen ook onze eigen persoonlijkheid naar buiten toe. ‘Pretlichtjes’ of juist een ‘donkere blik,’ verraden van alles over ons gemoed.

Daarnaast zijn de ogen al sinds onheuglijke tijden de poorten van het verlangen. Dan hebben we het over een ‘hongerige blik.’ De beoogde bruidegom van Lucia bekijkt haar met een hongerige blik. Hij wil haar niet beminnen, maar bezitten.

Zonder dat we dat in de gaten hebben, leven we allemaal wel eens met een hongerige blik. Deze drang om dingen niet alleen te genieten maar ook te bezitten is zelfs de basis onder onze huidige wereldeconomie. De reclame spiegelt ons dingen voor, en is erop gemaakt om in ons een ‘hongerige blik’ op te wekken, het gevoel dat ons iets ontbreekt, en dat er ook iets aan ons ontbreekt. Er wordt in ons een vacuum gecreëerd dat opgevuld moet worden, niet om ons beter te voelen, maar om ons ons weer ‘gewoon,’ weer onszelf te laten voelen. Deze zucht heeft niets te maken met het genieten van wat ons gegeven is, laat staan met dankbaarheid of echte vreugde. Het is een voortdurende bron van jaloezie en leidt tot chronische ontevredenheid: als de ene impuls is bevredigd dient de volgende zich alweer aan.

Lucia’s beoogde bruidegom bemint haar oppervlakkig: hij heeft het niet over haar, maar om haar ‘mooie ogen.’ Zij heeft haar hart echter al aan die andere Bruidegom, de Liefde zelf, verpand, die haar bemint om wie zij ten diepste is, en die niets van haar vraagt maar juist vooral wil geven in plaats van hebben. Hij is die Bruidegom die ook in elk van ons met een zachte stem uitnodigt en nooit dwingt. Als wij warme en liefdevolle mensen zijn is het zijn licht dat uit onze ogen naar buiten schijnt. Wij bezitten immers in dit leven niets, en hoe minder wij menen te bezitten, hoe rijker wij zijn. Hoe minder wij menen te bezitten, hoe meer vrede wij wij kennen.

Wij zijn immers niet eens van onszelf: Hij is het die ons ieder moment van ons leven dat leven schenkt.

Lucia gaf haar ogen, laten wij ook onze ogen geven. Laten we dat doen door niet met een hongerige blik, maar met een open blik elkaar aan te zien. Elkaar in het juiste licht zien, namelijk het licht van Christus, die niet is gekomen om te nemen, maar om zich voor ons prijs te geven, niet om te oordelen maar om te redden.

Allerheiligen 2013

Op verzoek alsnog de preek van broeder Hugo op het feest van Allerheiligen, 1 November 2013.

Sinds het einde van de zestiende eeuw is er in Nederland weinig religieus genie meer.

In het algemeen zijn we zelfs weinig tolerant jegens mensen die zich helemaal storten op het Absolute. Alle soorten obsessies vinden we normaal, of het nu een passie voor fierljeppen of kerstmannenpoppetjes verzamelen is. Zolang God er maar niet bij komt kijken.

We mogen door alles ons leven laten bepalen, behalve door wat allesbepalend is. Zelfs mensen die naar de Kerk gaan vinden iemand die heel zijn zinnen zet op de grote vragen van het leven en zijn relatie met God al snel een aansteller, een ‘kwezel,’ zoals we dat zo lelijk noemen. Eén rozenkrans teveel en je komt nooit meer van dat stempel af. Je hoort dan bij dát soort mensen. Bij de kwezels.

Vandaag gaat het om dat soort mensen. Als Nederlanders het feest van vandaag een naam hadden moeten geven, hadden ze het “Allerkwezels” genoemd.

Dit is niet altijd zo geweest. In de hoofdstroom van de theologie (de zgn. ‘dogmatiek’) lijkt het weliswaar of ons kikkerlandje nooit erg veel te melden heeft gehad, maar in de contemplatieve theologie – zeg maar de theologie over de relatie tussen God en de mens – kwam ongeveer de helft van de grote namen van Nederlandse bodem. Hun theologie was niet alleen gebaseerd op speculatie, op logisch nadenken over theologische problemen, maar ook op hun eigen ervaring. Contemplatieve – men zegt ook wel ‘mystieke’ – theologie is de enige tak van theologie die experimenteel is, die – met andere woorden – mede op ervaring is gebaseerd. En de Nederlanders waren daar goed in. Ja, werkelijk. Nee, ik houd u echt niet voor het lapje.

En wat zeggen die contemplatieve theologen over heiligheid en heiligen? Ze zeggen in feite dat je het woordje ‘heilig’ als synoniem zou moeten zien van het woordje ‘persoon-zijn’ of zelfs mens-zijn. Wie niet heilig is, is geen persoon. Wie niet heilig is, is geen mens.

Dat lijkt niet bemoedigend. Zoals we hier bij elkaar zitten zijn we best aardige mensen, maar we geven nu ook weer geen licht in het donker. Zijn we nu niet onszelf? Geen mens? Geen persoon?

Een aantal contemplatieve theologen leggen dat ongeveer als volgt uit:

Wij zijn geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. Alleen op die manier, lijkend op en bezield door de liefde zelf, zijn wij wie we zijn.

Onze ziel weerspiegelt Gods éénheid en zijn Drie-eenheid. Het geheugen lijkt op de Vader en wordt bezield door de Vader. Op dezelfde manier heeft ons verstand een relatie met de Zoon, en onze wil met de Heilige Geest.

Nu zijn we altijd beeld van God gebleven, maar de gelijkenis – en dus ook de relatie – is voor een deel verloren gegaan, door de zonde en de duisternis. Het kwaad.

Dat klinkt tegenstrijdig en onlogisch, maar dat is het niet. Denk aan een heiligenbeeld – laten we zeggen een gezellige gipsen Antonius met een Kindje Jezus en blozende bolle wangetjes en een glimmende kale kop. Nu pak ik dat beeld, en sla er een paar keer hard mee tegen de verwarming. Vervolgens ga ik er een keer of wat met de schuurmachien tegen te keer en smeer ik er ook nog een dikke laag paarse verf overheen.

Het is nog steeds een Antoniusbeeld. Of het nog als zodanig te herkennen is, is een ander verhaal.

Extreem voorbeeld? Helemaal niet! Dat is nu precies wat duisternis en kwaad, leugen, pijn, bedrog, jaloezie, woede, verwaandheid, vraatzucht, nieuwsgierigheid en trots in ons leven met ons doen.

Als wij zijn geschapen naar het beeld van God, maar zijn gelijkenis gedeeltelijk hebben verloren, dan is het onze taak om in ons leven die gelijkenis zo veel mogelijk te herstellen, om zoveel mogelijk onszelf te worden. Op eigen kracht kunnen wij dat niet, maar gelukkig komt God ons daarin tegemoet. Ten eerste door ons voortdurend in het bestaan en in het leven te houden. Onze existentie, ons leven is niet ons eigen bezit. We ontvangen het voortdurend uit God.

Ten tweede is Hij mens geworden in Christus, die zich helemaal in ons leven en mens-zijn uitstort. In het gebed en de Sacramenten mogen wij Hem dichter naderen dan onszelf.

De heiligen die wij vandaag vieren zijn simpelweg de gelovigen die ons daarin zijn voorgegaan, onze familie, onze context. Zij hebben God in deze wereld al eerder handen en voeten gegeven, zijn zijn beeld en gelijkenis geweest. Nu leven ze niet meer alleen bij Hem, maar nemen bovendien volmaakt deel aan de liefdesband die er is tussen de Personen van de Drieëenheid. Ze leven met God in een gemeenschap die hechter en heftiger is dan alles wat wij ons kunnen voorstellen.

God leeft in ons eigen hart, ook als Hij van ons niet altijd de gelegenheid krijgt dat te tonen. Wij zijn er om voor Hem een hemel te zijn om in te wonen, ook als wij Hem vaak een hel bereiden. Als wij Hem niet kunnen bereiken, omdat onze eigen obstakels dat soms onmogelijk maken, willen de heiligen helpen door hun gebed en nabijheid. Daarom is het zo wezenlijk voor een christen om een band op te bouwen met een paar van hen. Allereerst met Maria, natuurlijk, maar ook – en dat gebeurt tegenwoordig echt te weinig – met een paar van die andere. Wie precies? Lees eens een boek met heiligenlevens en kies er een paar uit. Jaloers worden ze niet in de hemel, dus het is niet nodig ze alle 30.000 (of zo) evenveel aandacht te geven.

Waarom alleen ploeteren als wij niet alleen elkaar gegeven zijn, maar ook nog eens een zolder vol vrienden en wijze raadgevers, de heiligen, in ons eigen hart met ons meedragen?

Kerstoverweging van broeder Hugo 2013

We leven in een babbelzieke tijd. Voortdurend worden wij van alles op de hoogte gebracht. Dat wordt ook wel eens een beetje veel van het goede. Daar klaagden de mensen twintig jaar geleden al over. ‘Weer een hond met twee staarten geboren. Het is komkommertijd,’ zeiden we dan. Sinds de uitvinding van het internet worden we ongeveer verzopen in de komkommers, en bedelven we ook anderen onder de komkommers. Kijk maar eens op je Facebook-pagina. ‘Vandaag heb ik een snotneus,’ meldt zich iemand. ‘Ik had een knoop in mijn veters, die ik er maar niet uitkreeg,’ zegt een ander. ‘Alweer aan het werk,’ ‘eindelijk weekend,’ ‘gootsteen verstopt,’ ‘kat aan de schijterij,’ ‘tuinkabouter omgewaaid,’ en natuurlijk: ‘lekker weertje vandaag,’ of, nog vaker: ‘snertweer.’ We wonen per slot van rekening in Nederland.

Het lijkt wel alsof sinds de eeuwwisseling ineens alles belangrijk genoeg is om gepubliceerd te worden. Aan de andere kant merken we ook heel goed dat wanneer alles belangrijk is, eigenlijk niets nog belangrijk is. Informatie lijdt aan inflatie, zouden we kunnen zeggen. Inflatie is eigenlijk Latijn, en betekent letterlijk opgeblazen. Duizend opgeblazen boodschappen worden samen één grote boodschap, maar dan in de figuurlijke zin van het woord. Het stinkt en je wordt er een beetje weeig van in je maag. Wat een bagger, allemaal. Wat een verspilde aandacht.

En je aandacht, dat ben jijzelf. Elke minuut dat jouw aandacht, jouw bewustzijn, zich met bagger bezighoudt, is het zelf ook bagger. Je ziet bagger. Je ruikt bagger. Je proeft bagger. Je bent bagger. ‘Je bent wat je eet,’ zegt het voedingscentrum. Dat zal wel zo zijn, maar in het hier en nu ben je toch vooral wat je ziet, leest, hoort, ruikt, proeft en voelt.

Op dit moment zit je in de kerstzangdienst in Warfhuizen, en ben je dus dennenboom, kerk, orgel, familie, lichtjes, Kindje Jezus, kerstlied, leuterende man in zwarte soepjurk, dorp, Maria, kaarsen. Zometeen, ik waarschuw maar alvast, ben je ‘Kijk uit, Dieuwer Mulder met collectezak.’ Daarna ben je warme chocolademelk. Je bent waar je je aandacht bij hebt. En jouw aandacht, daar moet je zuinig mee zijn, want je hebt er maar een beperkte hoeveelheid van. Een jaar of tachtig op zijn hoogst, de meesten van ons minder.

Tegenwoordig hebben de meesten van ons moeite met God. Zelfs de meest gelovige kerkgangers en meest doorgewinterde bidzielen kunnen Hem maar moeilijk omschrijven, ook al ervaren ze Hem, (of Haar, of zo,) iedere dag. ‘Dinges-van Dingetje,’ zoiets wordt het nogal eens.

Gelukkig heeft God zijn eigen Facebook-pagina. De Bijbel, noemen we dat. Die staat echter vooral vol met opmerkingen van anderen óver God. Daarbij is de pagina zo’n tweeduizend jaar geleden voor verdere bewerking gesloten, zodat de taal die erop gebezigd wordt wel eens wat onbegrijpelijk is geworden. ‘Je haar is als een kudde geiten,’ staat er bijvoorbeeld ergens op. Ik zou het niet aanraden als openingszin, beste heren hier aanwezig.

Berichten, in Facebooktaal ‘statussen,’ van God zelf, zijn op de pagina maar zeldzaam. In ieder geval zul je Hem (of Haar of Jeweetwel) niet zien schrijven: ‘zere teen vandaag,’ of ‘alweer een engel die zijn richtingaanwijzer niet kan vinden.’ Dat soort berichten vindt Hij onze aandacht gewoon niet waard.

‘Ik ben er voor jou,’ staat er wel ergens prominent op, en ‘wees niet bang,’ zelfs verschillende keren.

En nog vaker zegt Hij niks, maar is Hij er gewoon. Voor jou.

Deze nacht, de op één na belangrijkste van het jaar, is het feest dat we vieren dat Hij er, zomaar ineens gewoon is, en wel juist daar waar we Hem het minst verwachten. Een onderdrukt volk, arme mensen, nergens welkom, een stal, tussen de beesten, en daar is Hij. Hij, het Kindje in de kribbe, is de verwondering, de onverwachte zachtmoedigheid, de hulp die je niet aan ziet komen, de opluchting, de verzoening.

Wij zijn naar zijn beeld en gelijkenis geschapen, staat er helemaal vooraan op zijn Facebook-pagina. Dat wil niet zeggen dat de goede God een neus en oren heeft, en naar de wc moet. Dat wil wel zeggen dat de goede God ten diepste Aandacht is. Liefdevolle Aandacht. ‘Ik ben er.’ Ik ben niet aan het bellen, ik ben niet aan het twitteren, ik ben niet aan het werk en ik moet niet naar mijn volgende afspraak. Ik kijk niet met één oog naar het voetbal terwijl je tegen me praat, en ik denk niet aan hamlappen terwijl jij me iets probeert uit te leggen. Ik ben er, voor jou.

In deze nacht wordt Hij een Kind, één brok aandacht. Het ruikt alles, proeft alles, smaakt alles, hoort alles. Het is één en al openheid en kwetsbaarheid. Het ziet jou, ruikt jou, proeft jou en smaakt jou, en verlangt naar jou.

Je bent datgene waar je aandacht op gericht is, hadden we net vastgesteld. Welnu: het Kindje Jezus is jou.