Geruis uit de Kluis

Diakenwijding

Ik kan het nu dan toch bevestigen: ik zal binnenkort – op verzoek van de oudvader van het heremietenverband van Frauenbründl – gewijd worden tot transeunt diaken van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Ik hoef er waarschijnlijk niet bij te vermelden hoe gelukkig ik daarmee ben. De wijding zal plaatsvinden in de Sint Jozefkathedraal in Groningen op vrijdag 23 januari 2015 om 19.00, en toegediend worden door Mgr. de Korte, bisschop van Groningen-Leeuwarden.

Om misverstanden te voorkomen: ik word diaken (en uiteindelijk Deo volente priester) van het bisdom, maar geen pastoor of kapelaan. Ik blijf dus gewoon kluizenaar in Warfhuizen.

Bij deze wil ik iedereen die dit feest met mij wil meevieren van harte uitnodigen om bij de wijding aanwezig te zijn (Officiële uitnodigingen zullen niet worden verstuurd.)

Images Religieuses 2: Ecce Mater Tua!

Tijdens het opruimen van de bibliotheek vond ik een boekje met gravures waaraan ik erg gehecht ben. Ik laat ze zien en laat mijn associaties de vrije loop.

Onder de vorige gravure – waarop Jezus stond als Man van smarten – stond: ‘Ecce Regem vestrum.’ Onder deze  ‘Mater dolorosa,’ (‘droeve moeder’) had kunnen staan: ‘Ecce Mater tua!’ “Zie hier, je moeder!”

Dit thema behandelen is in Warfhuizen zoiets als een open deur intrappen. Toch is het niet zo simpel. Nog regelmatig ontmoet ik aan het clausuurhek protestantse christenen die zeggen: “we hebben de Zoon toch al, waarom hebben we die moeder dan nodig?” Ik ben dan altijd geneigd te zeggen: “als we de moeder niet nodig hebben, waarom heeft de Zoon ons haar dan gegeven?”

De Evangelies lopen niet over van onnodige details. Het zijn eigenlijk nogal kale verslagen. Alles wat erin staat heeft een functie. Zo staat er bijvoorbeeld niet in wat Jezus’ lievelingseten was, maar ook niet hoe Hij eruit zag. Er staat niet in hoe vaak Hij zijn haar liet knippen en bij welke Vietnamees Hij zijn loempia’s kocht. Er staat alleen in wat er écht in moet staan. Dat wat niet gemist kan worden.

Zo staat er bijvoorbeeld in dat Jezus zijn eigen moeder als moeder aan de geliefde leerling geeft, en hem aan haar als zoon. Waarom? Als daar niets méér bedoeld werd dan dat Jezus zijn moeder graag goed verzorgd wilde zien, zou het wel zijn weggelaten. Aan privé-regelingen doen de Evangelieën immers niet.

Zoals Jezus de Eucharistie niet instelde voor de apostelen alleen, zo gaf Hij zijn moeder ook niet alleen aan Johannes, maar aan de hele Kerk.

Op het kruis gaf Jezus de Geest, zoals er staat geschreven. Hij goot zich letterlijk helemaal uit, en op de aarde die het water en bloed uit zijn zijde ontving ontsproot even later de Kerk.

Maria’s leven vertelt ons bij uitstek wat die Kerk eigenlijk is. Zij smeekte – ‘er is geen wijn  meer!’ (met andere woorden: er is geen leven, blijdschap en licht meer. Zo gaf zij stem aan de dorst van de mensheid naar Gods Liefde. Dat doet ook de Kerk). Zij ontving met vreugde Gods aanwezigheid in haar diepste binnenste en verheerlijkte Hem (‘Hoog verheft nu mijn ziel de Heer!’) Zo doet ook de Kerk. Maria leert ons hoe te handelen en verwijst daarbij naar haar Zoon (‘Doe maar wat Hij je zeggen zal’). Zij bewaarde alles in haar hart, bleef trouw tot onder het kruis, en de apostelen waren met haar verzameld toen zij de Heilige Geest ontvingen. Ook de Kerk bewaart in haar hart het geloofsgoed en spreekt toch steeds weer nieuwe woorden daarover, bevrucht door de Geest. Zo maakt zij alle gelovigen steeds weer tot ‘moeders van God,’ doordat zij Christus een gelaat geven op aarde. En handen. En voeten. En een stem.

Later nog veel meer over Maria. Over Maria zeggen wij immers niet voor niets: ‘De Maria numquam satis,’ oftewel: ‘Nooit zijn wij Maria zat!’

 

 

 

 

Biechtstoel

Al sinds 2006 waren er – steeds wisselende – plannen om in de kluiskapel een biechtstoel te plaatsen. Is dat nodig, tegenwoordig? Ja, dat is gelukkig weer nodig, tegenwoordig.

Telkens als er groepen met een priester waren moest er buiten worden biechtgehoord, en dat was met vies weer geen pretje. De akoestiek van de kapel is echter dusdanig dat er geen enkele hoek te vinden is waar niet elk woord in het hele gebouw letterlijk te verstaan is (en met een beetje mazzel ook nog buiten op straat). Dat dat rare taferelen kan geven bij het biechten, spreekt vanzelf.

Een biechtstoel is echter geen sinecure, ten eerste omdat ze er bij de HEMA of de V&D geen verkopen, en zelfs bij de IKEA was mijn zoektocht vergeefs, zelfs als ik zocht op ‘Bichtstøl’ of Könfessiønell. Daarbij zijn die krengen over het algemeen GROOT. En de kapel van het lieve vrouwke van Warfhuizen is klein. En VOL. Er sluiten weliswaar de nodige kerken, maar de meeste biechtstoelen die we kregen aangeboden hadden het formaat van een kleine bungalow.

Zodoende waren er sinds 2006 steeds weer nieuwe plannen, tot en met een biechtstoel buiten, geïntegreerd met een nieuwe schuur voor de grasmaaier en de brommer. Uiteindelijk was het allemaal niet nodig. In Waspik-boven, in Noord-Brabant, moest de kerk worden gesloten, en zocht men nog een goede bestemming voor… biechtstoelen. Hele kleintjes. Van twee met open zijkanten kon er één helemaal dichte worden gemaakt.

Dat is gebeurd bij de familie Meijer in Valthermond, die de nieuwe biechtstoel op een zaterdag in augustus hebben geïnstalleerd. Nu is ook de elektriciteit en de beglazing klaar, zodat er tijdens het volgende bedevaartseizoen gebruik van kan worden gemaakt.

 

 

Warfhuizen Beiers !?

Kluizenaars zijn mensen. Als je in ze knijpt zeggen ze ‘au,’ als je ze volgiet met cola beginnen ze te boeren, en ook kunnen ze – net als ieder ander mens – van de brommer worden gereden of ziek worden. Normaal is dat geen probleem: de betreffende kluis wordt opgeheven en verkocht of afgebroken. In Warfhuizen gaat het echter ondertussen al lang niet meer alleen om een kluis, maar ook om het enige functionerende Mariaheiligdom in de wijde omtrek. Daarom begon het zo langzamerhand verstandig te worden na te denken over de continuïteit van kerk en kluis in Warfhuizen. Wie zorgt ervoor dat het doorgaat? Kluizenaars zijn immers maar zelden in de aanbieding bij de V&D, en ook groeien ze niet aan pruimenbomen. Nu functioneert de Groninger Kerk waarschijnlijk ook zonder Mariakapel waarschijnlijk wel gewoon door, maar gezelliger wordt het er natuurlijk niet op…

Hierop hebben wij het volgende gevonden! Warfhuizen wordt Beiers!

Nou ja… een beetje toch.

In Beieren bestaan al sinds de contrareformatie, zeg maar de zestiende eeuw, zogenaamde ‘Eremitenverbrüderungen,’ gezelschappen van kluizenaars. Die functioneerden oorspronkelijk als een soort van congregaties en tegelijk als vakbond (‘Eremitenberufsverein’) en woningbouwvereniging (funda.nl maar dan anders) voor kluizenaars. Deze gezelschappen waren meestal georganiseerd per bisdom, en hadden aan het hoofd een ‘oudvader’ die als abt fungeerde. Hij woonde in het moederhuis, waar ook de kapittels werden gehouden en de novicen werden opgeleid. Zo ontstond bijvoorbeeld voor het bisdom Regensburg het heremietenverband van Frauenbründl, genoemd naar de kluis en bedevaartplaats bij Bad Abbach die het moederhuis was. Na het Tweede Vaticaanse Concilie vielen de kluizenaars direct onder de plaatselijke bisschop, en waren de heremietenverbanden dus – strikt gesproken – niet meer nodig. In de praktijk bleef ondersteuning echter toch noodzakelijk, en de meeste heremietenverbanden werden dus niet opgeheven maar omgevormd. Zo ook dat van Frauenbründl (in 1992). Het is geen congregatie meer, maar de ‘vakbondsfunctie’ en de ‘woningbouwfunctie’ (welke kluizenaar in welke kluis?) zijn nog net zo actueel als vroeger. De oudvader heeft niet meer de rol van overste, maar – veel belangrijker – de rol van spiritueel leider. Zijn gezag is eerder vergroot dan verkleind, zij het ook van een totaal andere aard.

Welnu: De kluis van Warfhuizen maakt sinds de afgelopen zomer deel uit van dit heremietenverband, ook al ligt hij duizend kilometer van Regensburg en is hij ongeveer net zo Beiers als een poffert. Het was in theorie al mogelijk geworden om kluizen buiten de bisdomgrenzen van Regensburg op te nemen sinds de laatste hervorming, maar hier was nog nooit gebruik van gemaakt. Dat Warfhuizen het eerste aan de beurt is, is te danken aan de goedheid van de oudvader en de andere heremieten van het verband van Frauenbründl. Zij beseffen dat een kluis in de diaspora extra kwetsbaar is, en willen een bijdrage leveren om het kluizenaarsleven en de devotie voor de Moeder Gods in het noorden te ondersteunen.

Moeten we nu kerk en kluis van Warfhuizen als een soort Beierse enclave in het bisdom beschouwen?

Ja en nee.

Nee: broeder Hugo blijft gewoon kluizenaar van het bisdom Groningen, onder het gezag van de bisschop en in zijn handen geprofest. Ook aan de jurisdictie over de kerk verandert helemaal niets.

Ja: De oudvader en de andere kluizenaars van Frauenbründl hebben de heremiet van Warfhuizen als een van hen aanvaard, en kluis en heiligdom zullen hun een zorg zijn. Dat wil zeggen dat een Groninger bisschop die ooit eens met een lege kluis van Warfhuizen komt te zitten er niet meer alleen voor staat. Bisschoppen zijn immers geen contemplatieven, laat staan oudvaders. Het zou oneerlijk zijn een bisschop op te zadelen met de taak een kluis bezet te krijgen met de juiste kluisbroeder.

Hoe dit alles in de praktijk uit zal pakken zullen we hopelijk nog een hele tijd niet weten. Maar het is voor iedereen een fijne gedachte dat erover nagedacht is.

Katten in de kerk

Als pastoors klagen over ‘katten in de kerk’ hebben ze het meestal over een bepaald model vrijwilligster waarvan iedereen zich afvraagt waarom dat ooit in de mode is geraakt. Daar heb ik hier echter nooit last van gehad.

Ik bedoel ‘katten in de kerk’ dan ook letterlijk. Trouwe bezoekers van Onze Lieve Vrouw van Warfhuizen weten wel dat het hier een beestenboel is. Zelf heb ik geen huisdieren, maar die van de buren bewijzen dat alles wat leeft in de grond katholiek is: ze zijn dol op het huis van de Heer. Ik moet me daarbij neerleggen, want de deur staat hier principieel open, en ik ga niet de godganse dag op wacht zitten om beesten de kerk uit te bonjouren.

De meest vertrouwde gast is de oude grijze poes van mijn buurman, die luistert naar de naam ‘Zusje’ (de kat, niet de buurman). Alle bidzielen die hier regelmatig Maria komen opzoeken kennen Zusje. Zusje is gesteld op rust, en bleek onder het Sacramentsaltaar te zijn gaan wonen op het moment dat buurmanlief zich een vriendin met hond had verworven. Daar kwamen we een aantal jaren geleden plotseling achter toen zij tijdens een plechtig Sacramentslof – een ware diva – haar entree maakte van tussen de altaardwalen. (Vervolgens verstijfde ze, omdat de hele kerk stampvol studenten zat. Ze wilde niet meer voor- of achteruit.  Uiteindelijk moest ze door een misdienaar plechtig de kerk uitgedragen worden).

De vriendin van de buurman is er nog, de hond ondertussen niet meer, maar Zusje zit nog steeds het grootste deel van de tijd onder het Sacramentsaltaar. Als het niet al te druk is sjokt ze gemoedelijk van het heremietenkoor naar beneden, en gaat pal voor het centrale altaar op het middelste knielkussen liggen. Daar steelt ze dan alle harten, vooral die van damestoeristen van middelbare leeftijd, die dan lawaaierig gaan staan smelten voor het clausuurhek, wat mevrouw zich spinnend laat welgevallen. Enfin, ik moet onze Grande Dame haar kwartiertje aanbidding maar gunnen…

Met Zusje kan ik wel leven.

Nu hebben we echter een nieuw probleem in de vorm van een rooie kater, die volgens mij van de Jehova’s getuigen aan de overkant is. Nu zijn dat uiterst lieve mensen, maar anders zou ik ze er serieus van hebben verdacht dat ze het beest speciaal hebben getraind om verderfelijke Roomse erediensten (“valse religie”) te verstoren. Ik noem hem ‘Proetsie’ (geen idee hoe hij eigenlijk heet) omdat hij – waarschijnlijk heeft hij ooit de niesziekte gehad – bij het spinnen een geluid maakt dat nog het beste te beschrijven is als PPRRRROEETT (niet voor niks met hoofdletters). Dat is echter nog niet de voornaamste oorzaak van de overlast die hij veroorzaakt. Wat een veel groter probleem is, is dat Proetsie het meest aanhankelijke beest is dat ik ooit heb gezien. En hij stoort zich niet aan liturgische conventies. Als ik geknield zit voor het uitgestelde Allerheiligste is dat voor hem geen enkele reden om zijn vrijages te staken. Daarbij begint hij uiterst klaaglijk  – hij vindt zelf waarschijnlijk: uiterst virtuoos – te zingen zoals alleen katers dat kunnen. Daarbij maakt hij misbruik van het feit dat ik in een dergelijke liturgische setting natuurlijk moeilijk kattenverjagende maatregelen kan nemen. KKKSSSSSTTTT, WEG, KKSSSST staat niet in de Laus Deo, en al zeker niet tussen het Ave Verum en het Tantum Ergo in.

Een volmaakte agent van het Wachttorengenootschap, dit perfide beest.

Images Religieuses 1: Ecce Regem vestrum!

Tijdens het opruimen van de bibliotheek vond ik een boekje met gravures waaraan ik erg gehecht ben. Ik laat ze zien en laat mijn associaties de vrije loop.

Het Boekje begint waar katholieke boekjes horen te beginnen: het begint met Jezus Christus, en smijt ons gelijk de moeilijk verteerbare kern van zijn boodschap in het gezicht. Hij staat er in al zijn onvertoonbaarheid lelijk en verschopt te zijn. ‘Ecce Regem vestrum’ staat eronder: ‘Zie hier uw Koning!’

Het is verbazingwekkend dat de meeste mensen dit een oudbakken en vanzelfsprekend verhaal vinden, terwijl deze boodschap nog steeds even belachelijk is als toen hij voor het eerst werd geuit door Pilatus.

‘Joden eisen wonderen, Grieken verlangen wijsheid. Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden shockerend, voor heidenen idioterie’ (Sint Paulus in de eerste brief aan de Korinthiërs)

Pilatus laat Jezus naar buiten brengen op het “mozaïekterras” (in het Hebreeuws “Gabbata.”) Jezus is zojuist door en door kapotgeslagen, Hij zit onder het bloed, de vellen hangen erbij, Hij is goor en Hij stinkt. Het terras is als een theaterbühne of een etalage: Hij staat daar naakter dan naakt voor een opgewonden troep mensen.
Pilatus roept, ongetwijfeld met een theatraal gebaar: ‘Zie hier, jullie Koning!’

‘Weg met Hem!’ roept de menigte. ‘Aan het kruis met Hem!’ en ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’

Elke Goede Vrijdag en Palmzondag, wanneer dit in de kerk wordt voorgelezen, zitten we met zijn allen deze opgezweepte troep mensen collectief te verafschuwen. Het is echter niet voor niets dat het juist deze woorden zijn – Weg met Hem,  en Kruisig Hem! – die door het hele verzamelde kerkvolk hardop moeten worden meegelezen. De woede van het volk dat Jezus gekruisigd wil zien heeft namelijk weinig te maken met “de joden,” “de vervolgers” of “de ander” in het algemeen. Het gepeupel dat samengedromd was voor het Mozaïekterras is allang door het schuren van de tijd tot stof vergaan en vergeten. Het gaat er niet om wie deze mensen precies waren (God hebbe hun zielen).

Als dit verhaal iets te vertellen heeft, dan is het juist over de verhouding van de christenen met hun God.

Die is namelijk op zijn minst problematisch. Periodiek proberen we Hem te verbouwen tot iets waar je beter mee voor de dag kunt komen (bijvoorbeeld door Hem wat koninklijker te maken), of proberen we Hem zelfs gewoon zonder meer te dumpen. Het is echter verbazingwekkend hoe kleverig Hij is. Hij is geen smerig korstje, dat je zo maar even weg kunt krabben. Op de één of andere manier gaat elke poging om van Hem af te komen de laatste eeuwen met torenhoge stapels lijken gepaard, en na zo’n exercitie duikt Hij altijd binnen vijf minuten weer op. Toch proberen we het elke keer opnieuw.

En neem het ons eens kwalijk. In tegenstelling tot wat het politiek correcte dogma van dit moment ons wijs wil maken is de Timmerman-God van de christenen namelijk volstrekt uniek. En wel vooral door zijn onooglijkheid en zijn veeleisendheid. Niet alleen ziet Hij er niet uit, Hij is ook nog eens de meest strenge en lastige Godheid waarmee ooit het firmament was opgesierd.

Jezus de toffe knuffelheiland? Yeah, right…

Een stukje geschiedenis

Alle goden van het verleden tot nu toe waren redelijk rationele zakenpartners. Nog niet zo lang geleden hadden we er een heel stel. Die waren soms chagrijnig, maar wel consequent. Ze huldigden het principe do ut des, oftewel ‘jij geeft Mij wat, dan geef ik jou wat.’ In die zin waren het erg Hollandse goden. Ik offer Jou een geit, en Jij zorgt dat ik de rest van mijn geiten met een goede winst verkoop. Deze goden vonden het niet erg als je af en toe ook bij één van de anderen kocht, zolang die maar niet in dezelfde branche zat. Als goede zakenlui waren het ook geen zedenmeesters. Het interesseerde ze gewoon niet zoveel wat je verder uitvrat, noch ook hoe het verder met je ging. Ook in die zin waren het net Hollanders.

Toen de vele goden werden onttroond, en er nog maar Eentje over was, verschilden zijn mores in het begin nog niet zo van die van het oude management. Ook zijn morele eisen waren redelijk. Als iemand je een klap voor je kop verkoopt, mag je hem er ééntje terugverkopen, maar niet meer. Je mag hem die klap ook laten afkopen. De rest is van gelijke aard: een beetje voorzichtig zijn met andermans goede naam, niet overdrijven met het uitbuiten van arme sloebers, niet teveel liggen te hoeren en snoeren, en als je je vrouw de deur uitdoet moet je haar een fatsoenlijke referentie geven, zodat ze vooruit kan. Enzovoort, enzovoort. ‘Fatsoen moet je doen,’ zo zou je het samen kunnen vatten.

Op den duur begon deze ene God echter, zakelijk gesproken, wat vreemde trekjes te ontwikkelen. Hij werd wel erg dol op zijn gelovigen. Hij gedroeg zich tegenover zijn volk alsof Hij een vrouw het hof maakte. Af en toe liet Hij doorschemeren dat Hij eigenlijk verliefd was op de mensheid in het algemeen. In plaats van zich bezig te houden met een vette winst in de vorm van brand- en slachtoffers maakte Hij zich druk over het levensgeluk van zijn clientèle. Hij wilde zich geliefd maken in plaats van gevreesd, bezongen in plaats van bezworen, dienstbaar in plaats van gediend. Dit liep gierend uit de klauwen:

“En kijk, een maagd wordt zwanger, en baart een Zoon, en wij noemen Hem Immanuël, God met ons.”

Goddelijke gekte

Dat God mens wordt is – in tegenstelling tot wat velen denken – in de geschiedenis van de godsdienst op aarde niet uniek (in India lusten ze er wel pap van). Met Jezus zijn er echter twee problemen.

Ten eerste zijn al genoemde onooglijkheid. Wij mensen willen op het winnende team wedden. Wij willen een beetje glans en glamour. (Wij mopperen op de rijkdom van ons koninklijk huis, maar zelfs de ergste republikein onder ons is stiekem trots dat onze gouden koets harder glittert dan die van de Belgen.) Wij hebben, met andere woorden geen andere koning dan de keizer, namelijk de winnaars, het glanzende en het succesvolle. Wij willen cool zijn.

Waarom toch, God, die mottige timmerman die zich inlaat met sloebers, hoeren en belastingambtenaren en zich in een orgie van machteloosheid en smerigheid aan een kruis laat timmeren? Ecce Regem vestrum, “ziehier uw koning!” Huh!?

Waarom geen ridder in een wit met gouden harnas die – rijdend op een gevleugeld ros – draken lek prikt?

Het tweede probleem is echter veel groter. Er is in de hele mensengeschiedenis nog nooit zo’n volslagen idiote morele leer verkondigd als die van Jezus. Wat Jezus van ons vraagt is niet alleen volslagen ondoenlijk, maar je moet je ook de vraag stellen of je het wel moet willen.

Jezus’ leer vloekt met ons gevoel voor eigenwaarde, onze overlevingsinstincten, ons gevoel voor rechtvaardigheid en ons gevoel voor logica.

“Jullie hebben gehoord dat er gezegd werd: ‘Een oog voor een oog, een tand voor een tand.’ Maar Ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren. Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af.”

Een versleten tekst die we al duizend keer hebben gehoord? Lees hem maar eens tien keer over en kijk wat er nou echt staat, en je zult zien dat wat hier van je gevraagd wordt niet vanzelfsprekend, maar volslagen krankzinnig is.

“Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: ‘Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel.”

Hallo, voel je je wel helemaal lekker?

Hetzelfde gaat op voor de zaligsprekingen, die even eerder in hetzelfde hoofdstuk van Mattheüs staan (5). Omdat we ze al zo vaak hebben gehoord zien we niet meer hoe volslagen gestoord deze teksten eigenlijk zijn. Zalig de nederigen, de treurenden, de vervolgden.

Hè!?

De laatste halve eeuw heeft de grachtengordel (en in het buitenland andere ‘elites’) zijn uiterste best gedaan dit alles onschadelijk te maken door het te framen als een geitenwollensokkenverhaal. De werkelijkheid is natuurlijk dat werkelijk doen wat Jezus vraagt een fantastische heldenmoed vergt die nog niet één op de miljoen gegeven is.

Het Nijntje-gehalte van Jezus is nul.

Aan de andere kant wil dat niet zeggen dat we nu automatisch kunnen overstappen op ‘Jezus, de stoere en slimme held.’ Als het iedereen zou lukken te doen wat Jezus vraagt zouden we in de hemel op aarde leven – tenminste gedurende de vijf minuten dat we nog niet zouden zijn bezet door vreemde mogendheden die zich aan Jezus niet storen (precies zo’n mogendheid waarin we zelf op dit moment ook aan het veranderen zijn).

Is het godslasterlijk om voor de Bergrede (waaruit deze passages genomen zijn) woorden als debiel, idioot en krankzinnig te gebruiken? Nee, wel eerlijk. We erkennen daarmee dat Gods motieven ons ver boven de pet gaan. Onze logica kan zijn overwegingen niet bevatten. Daarom lijkt het dwaasheid wat Hij zegt en doet:

“Want de idioterie van God is wijzer dan de mensen en de zwakheid van God is sterker dan de mensen.” (Sint Paulus in de eerste brief aan de Korinthiërs)

Wat is hiervan nu het directe gevolg?

Christenen zijn altijd in gebreke, zelfs als ze in de ogen van een normale menselijke ethiek (‘fatsoen moet je doen’) volmaakte rechtvaardigen zijn.

Niets doen als ons kwaad wordt aangedaan? Zelfs de Kerk legt ons uit dat we soms niet anders kunnen dan terugschieten. Dat we bovendien verplicht zijn iets te doen als het recht wordt verkracht, ook als dat van ons geweld vereist. Dus halen we uit, als het moet. Toch voelen we ons zelfs dan bijzonder ongemakkelijk. Dan zeggen we: in deze situatie mag het, moet het…

…toch zullen we ons er nooit comfortabel bij voelen, omdat de schorre stem van onze kapotgeslagen God blijft jeuken in onze oren.

Niet alles weggeven? Dat is volmaakt te verdedigen, sterker nog, het wel doen zou voor de meesten van ons immoreel zijn (met de verantwoordelijkheid voor anderen die wij hebben). Bovendien zou uiteindelijk niemand er iets mee opschieten…

…toch zullen we ons nooit comfortabel voelen bij al te overdreven materiële rijkdom, omdat de zeurende stem van onze straatarme God blijft jeuken in onze oren.

enzovoort, enzovoort.

Eén van de dogma’s van het huidige politiek-correcte establishment is van een zekere meneer Feuerbach. Hij zei: “Niet God heeft de mens geschapen naar zijn evenbeeld, maar de mens heeft God geschapen naar zijn [gewenste] evenbeeld.” 

Welke God?

In ieder geval niet die van ons!

 

Images religieuses: inleiding

We hebben net het feest van Maria Koningin gevierd, maar het weer doet alsof het al Allerheiligen is. Tijd dus om de kachel op te stoken en de bibliotheek op te ruimen. De afgelopen drie jaar hebben me immers niet de rust gelaten om orde te houden in de alsmaar meer om zich heen grijpende boekenzee. ‘Boekenzee’ bedoel ik maar gedeeltelijk figuurlijk. Ze klotst, ze golft en als je niks tegen haar onderneemt slaat ze de dijken weg. Boeken zijn net konijnen. Elke ochtend zijn het er méér.

Als je zo’n klusje aanpakt, is het grootste gevaar altijd … vroeger. Je bent immers aan het graven in je verleden, en onvermijdelijk kom je personen of zaken tegen die je bij de strot pakken. Op zich is dat geen ramp, maar opschieten doet het natuurlijk ook niet.

Soit. Ik ben er immers aan begonnen omdat ik eindelijk weer eens tijd heb. Laten we daar dan maar eens wat van verspillen aan zoete en zure herinneringen. Die vormen immers ook een soort bibliotheek, die net als de papieren versie af en toe moet worden opgeschoond en opgeruimd.

Deze keer is het al snel raak, als ik een groen boekje uit de negentiende eeuw tegenkom, met in verweerde gouden lettertjes het opschrift ‘Images religieuses.’ Het is één van mijn meest gekoesterde bezittingen, en altijd als ik het in handen krijg is dat een garantie voor uren vertraging. Dat komt omdat het een bom van atmosfeer is. Ik ben gevoelig voor atmosfeer.

Het ruikt zoet. Het is zoet. Het heeft een stijf kaft dat maar moeilijk open wil. Het is een oesterig boekje. Het heeft nu een voorname moskleur, maar ik vermoed dat het honderdvijftig jaar geleden groener dan groen was. Het bevat alleen heiligenprentjes, met als enige tekst de onderschriften. Net als de titel al doet vermoeden is het boekje nogal Fransig: de prentjes zijn in de stijl die men Saint-Sulpice noemt, vernoemd naar een wijk in Parijs rond een beroemde kerk waar veel drukkers van dit soort vroom drukwerk woonden.

Dat is echter bedrog. Het boekje is net zo Frans als de dom van Keulen: de spitsbogen nog spitser, de luchtbogen nog luchtiger, het glas in lood nog glaziger, de lievevrouwen nog liever. Het is, met andere woorden, gründlich Frans. Het is een uitgave van de ‘Verein zur Verbreitung religiöser Bilder’ in … Düsseldorf.

Nog niet zo lang geleden werd er op deze kunst met dedain neergekeken: pastiche, kitsch. Tegenwoordig worden deze plaatjes weer meer en meer herkend voor wat ze zijn: geweldig werk van geweldige graveurs. Ik ga jullie er de komende tijd wat van laten zien. Daarbij gaat het me echter niet om de kunstzinnige waarde, maar om de verhalen achter de afbeeldingen. En om de geur. Ondanks het feit dat ruikende weblogs nog wel even toekomstmuziek zullen blijven hoop ik daarvan toch iets over te kunnen brengen.

De gunstige tijd…

Zet geen sjachrijnig gezicht op, als je gaat vasten, zegt de Heer. De laatste jaren vraag ik me steeds vaker af waarom je dat überhaupt zou moeten doen. De vasten zijn geen tijd om met gebogen hoofd te ondergaan. Meer en meer krijg ik het vermoeden dat deze veertig dagen juist uitnodigen om het leven met meer tederheid tegemoet te treden.

Ja, dit is een tijd om onze smerigheid in de ogen te kijken.

Ja, dit is een tijd om onze gemakzucht te bevechten.

Ja, dit is een tijd om – desnoods met een beetje geweld – onze vaak zo kleverige misselijke gewoontes van onze ziel te trekken.

Maar het resultaat van al die inspanning zou juist moeten zijn dat we al die dingen dan ook – minstens voor een stukje – achter ons mogen laten. Niet omdat we ons ervan af hebben gevochten. Dat lukt bijna nooit. Juist op het moment dat we tot het besef komen dat we daar zelf niet toe in staat zijn, juist op het moment dat we moeten erkennen dat we zwak en krakkemikkig zijn, juist dan kan ons de genade overvallen. We hoeven niet meer te ontkennen, te verbergen, goed te praten, allemaal dingen die doodvermoeiend zijn, net als de zonde zelf.

De grond van de zaak is immers niet dat we niet mogen kwaadspreken, liegen, zeuren en hoereren. De grond van de zaak is dat we al die dingen niet hoeven. Niemand vindt ze namelijk eigenlijk echt van harte leuk of gelooft werkelijk dat hij er gelukkiger van wordt. Zonde is slavenwerk.

Maakt dat het hele gebeuren gemakkelijk, een tripje in het park? Nee: het vergt wel degelijk moed om onze verrotting aan de Dokter te tonen en Hem zodanig te leren vertrouwen dat we Hem onze zere plekken aan laten raken.

Maar dan is er ook een nieuw begin. Vasten doen we niet voor niets in de lente!

Versterking van het broederschapsteam: Dennis van der Beek (18) en Erik Wories (17)

Namens de broederschap:

We hebben er twee broedermeesters (zo heten de bobo’s van broederschappen) bij, en wel Dennis van der Beek en Erik Wories. Waarschijnlijk zijn zij de jongste broedermeesters van Nederland, en dat komt ons precies goed uit. Dennis en Erik zullen zich namelijk bezighouden met de jongerenactiviteiten van de broederschap. Ook zullen zij vanaf nu namens de broederschap de contacten met het jongerenplatform van het bisdom Groningen-Leeuwarden onderhouden.

Erik en Dennis zijn alle twee volwassen katholieken die de afgelopen jaren hebben bewezen dat je als jongere allerminst een wereldvreemd ei hoeft te zijn om je religie serieus te nemen. Daarnaast staan beiden bekend als gangmakers, en dat moet ook. Bedevaarten zijn immers altijd ook feestjes en ook bij processies is het belangrijk dat de gang erin blijft.

Wij wensen Erik en Dennis veel succes en plezier bij hun nieuwe uitdaging!

Op deze foto staan ze toevallig alle twee, Erik op de voorgrond en Dennis daarachter met broeder Hugo.

Houd mij niet vast

Als kleine handreiking in verband met een ontmoeting vandaag herplaats ik hier een stukje uit het oude ‘Geruis uit de kluis,’ uit 2008. De directe aanleiding was toen een reportage over de ontmoeting tussen Andries Knevel en Boele Ytsma (in die tijd de ‘apostel van de twijfel,’ tegenwoordig de ‘apostel van het groenvoer’) die ik had gezien. Volgens mij had Boele iets meegemaakt dat vergelijkbaar was met mijn eigen ervaringen, maar ik durfde toen al niet te pretenderen dat ik in zijn ziel kon schouwen. Dat durf ik nog steeds niet, zodoende moet het volgende los worden gezien van die uitzending. Dit gaat puur over mijn eigen ervaringen.

2008

Aan het begin van deze advent speelt mij weer eens een thema door het hoofd dat mij met enige regelmaat bezighoudt: het sterven en verrijzen van ons geloof. Misschien dat sommigen van jullie daar vreemd tegenaan kijken, maar ik denk dat iedereen die serieus met geloven bezig is wel begrijpt wat ik ermee bedoel.

Inderdaad: ons geloof moet, net als de Heer zelf gedaan heeft, sterven en verrijzen, anders verandert het in beton en drukt ons terneer, het verandert in een gesneden beeld, het verandert in afgodendienst. De momenten dat je ‘geloof sterft’ zijn de angstigste maar ook de meest vruchtbare momenten in het leven van een gelovige. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft brengt zij geen vruchten voort…

Natuurlijk loopt dit niet altijd goed af. De sleutel is de nederigheid die niemand ooit werkelijk bezit, maar die velen van ons gelukkig soms mogen lenen. Als je geloof sterft is het van levensbelang dat je de neiging tot verzet, de hoogmoedige neiging naar autonomie, het God zelf willen zijn, overwint.

Nederigheid en godsvertrouwen horen namelijk bij elkaar. Wie hoogmoedig wordt en meer op de hersenspinsels van zijn eigen ‘wijsheid’ vertrouwt dan op God, hij zal zijn geloof verliezen. Het sterft en staat niet (vanzelf) meer op. Hetzelfde geldt voor mensen die hun geloof niet láten sterven, die zich vastklampen aan hun verdorde, versteende geloof. Na lange of korte tijd verkruimelt het als de reus met de lemen voeten, en ze blijven met lege handen achter.

Hoe kan dat: je geloof laten sterven terwijl je toch op God blijft vertrouwen?

Als al die dingen die heilig leken, maar eigenlijk bouwsels van je eigen verbeelding waren, beginnen te wankelen, treedt er een reflex van overgave aan God op die recht op de kern afgaat met weglating van alle constructen. Persoonlijk geloof ik dat deze reflex ingeschapen is, maar wel mede wordt gevormd door je opvoeding en levenswijze. Wat sterft in het hele proces is niet de kern van het geloof, de sprakeloze intieme band die jou aan God bindt (al wordt die wel volkomen onzichtbaar en tijdelijk onervaarbaar zolang het versleten godsbeeld nog in de weg staat.) Het hoeft zelfs niet eens te betekenen dat je bepaalde formele geloofswaarheden loslaat. Wat sterft zijn jouw persoonlijke percepties van God, ontstaan uit je gedachten en ervaringen, vruchtbaar gemaakt voor je groei, en nu uitgebloeid en klaar om te sterven.

Tijdens zo’n ’sterven van het geloof’ kan je het gevoel hebben razend te zijn op God, je kan innerlijk op Hem schelden en tieren, je kan er een stroom van blasfemieën uitkramen, maar het onderwerp van je woede zal altijd het godsbeeld zijn dat je zelf geschapen hebt, niet de werkelijke, levende God.

Wen je eraan, dat sterven van het geloof? Wordt het niet makkelijker op den duur om dit alles te ondergaan? Nee. Elk godsbeeld dat eraan gaat heb je lang genoeg gekoesterd om er vreselijk mee vergroeid te zijn. Daarbij lijkt elk godsbeeld dat moet sterven een beetje meer op wie God werkelijk is dan het vorige. Zodoende voelt het alsof we werkelijk van ons geloof vallen. ‘Vallen’ is voor die ervaring een goede metafoor, vind ik persoonlijk. Verzuipen in een schijnbaar leeg heelal zou een andere kunnen zijn.

Ik denk dat deze pijn een vermomde genade is. Om de beperktheid van ons godsbeeld werkelijk te ervaren, en zodoende te voorkomen dat we het gaan ‘aanbidden’ alsof het werkelijk God zelf was, moet het van tijd tot tijd voor onze ogen kapot vallen, zonder enige reverentie afgebroken worden. ‘In brand gestoken en met de schop uitgeslagen worden,’ zouden ze in zuid-oost Brabant zeggen. ‘Gekruisigd,’ zouden de oude Romeinen zeggen, want dat had in hun dagen dezelfde gevoelswaarde.

Het volk dat in het duister wandelt, heeft een groot Licht gezien, profeteert Jesaja. Maar om dat nieuwe Licht te zien moet je dus soms eerst in het duister durven wandelen. En dan zie je niet waar je loopt. Dan moet je vertrouwen.

Toen sprak Jezus: ‘Houd mij niet vast, want ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader.’ Joh.20:17